Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-05-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1451, 200.276.800_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-05-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1451, 200.276.800_01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 18 mei 2021
- Datum publicatie
- 11 juni 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1451
- Formele relaties
- Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2651
- Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:38
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:617
- Zaaknummer
- 200.276.800_01
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht; de (wijze van) verdeling van de gemeenschap van goederen voortvloeiend uit het geregistreerd partnerschap.
Uitspraak
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.276.800/01
arrest van 18 mei 2021
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N.P. Scholte te 's-Hertogenbosch,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P. Dorhout te Egmond aan den Hoef,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 augustus 2020 en 12 januari 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/246441 / HA ZA 18-89 gewezen vonnis van 23 oktober 2019.
Partijen hebben van 23 december 2013 tot 23 juni 2016 een geregistreerd partnerschap in algehele gemeenschap van goederen gehad. In deze zaak gaat het om de financiële afwikkeling daarvan.
10 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenarrest van 25 augustus 2020 waarbij het hof de door de man ingestelde incidentele vordering heeft afgewezen (en de beslissing over de proceskosten heeft aangehouden);
- -
-
het tussenarrest van 12 januari 2021, waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast.
Gelet op de onderlinge samenhang van deze zaak met het hoger beroep van de man tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van 19 november 2020 (met zaaknummer 200.286.934/01), heeft het hof deze zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en hierop gelijktijdig – weliswaar bij afzonderlijke uitspraken – zal worden beslist.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2021.
Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat.
De advocaat van de vrouw heeft gepleit aan de hand van pleitnotities, die tot de gedingstukken behoren.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
11 De feiten
Het hof gaat voor de beoordeling van de (hoofd)zaak uit van de volgende feiten.
a. Bij notariële schenkingsakte (hierna: de schenkingsakte), verleden op 9 november 1992, hebben de ouders van de vrouw aan haar (en haar twee zussen) bij wijze van schenking een bedrag van fl. 34.966,-- schuldig erkend. De vrouw heeft deze schuldigerkenning aanvaard. De schenkingsakte bevat, voor zover thans van belang, de volgende bepalingen:
1. De schuldig erkende sommen zullen te allen tijde en tegen elke datum – ook in gedeelten – aflosbaar zijn, zonder enige voorafgaande aanzegging en met bijbetaling van rente tot en met de dag van terugbetaling.
2. Opeising van het verschuldigde door een schuldeiseres zal eerst mogelijk zijn na overlijden van de langstlevende van de [ouders van de vrouw], zonder dat enige voorafgaande opzegging vereist zal zijn. (...)
6 Het geschonkene, alsmede de opbrengst daarvan, valt niet in een huwelijksgoederengemeenschap waarin een begiftigde is gehuwd of mocht huwen en komt ook niet voor verrekening krachtens huwelijkse voorwaarden in aanmerking.
Partijen zijn in april 2013 gaan samenwonen in de door hen op 28 december 2012 aangekochte en op 26 april 2013 aan hen in gezamenlijk in eigendom overgedragen woning staande en gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats] (hierna ook: de woning).
Op 23 december 2013 zijn partijen een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan in algehele gemeenschap van goederen.
De vrouw heeft op 13 juli 2015 de woning verlaten.
Op 27 juli 2015 is een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.
Op 1 december 2015 heeft de man de woning verlaten en heeft de vrouw de woning weer betrokken.
Bij beschikking van 2 maart 2016 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken.
Deze beschikking is op 23 juni 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
12 De omvang van het geschil
De procedure voor de rechtbank
De vrouw heeft de man op 6 februari 2018 gedagvaard. De vrouw vordert de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen vast te stellen, zoals in de dagvaarding is weergegeven.
De man heeft een vordering in reconventie ingesteld. De man vordert, voor zover thans van belang, de wijze van verdeling als volgt vast te stellen en te bepalen dat:
- de woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de actuele waarde onder de verplichting voor de vrouw de schuld van de hypothecaire geldlening als eigen schuld te gaan voldoen en de man hiervoor te vrijwaren en dat de notariskosten voor rekening van de vrouw komen en dat de vrouw een bedrag van € 20.000,-- aan de man dient te voldoen;
- de polis van de beleggingsverzekering bij Reaal aan de vrouw wordt toegedeeld onder uitkering van de helft van de actuele waarde aan de man, waarbij de vrouw een bedrag van minimaal € 5.239,99 aan de man dient te voldoen;
- de beleggingspolis bij de Aegon Levensverzekering N.V. aan de vrouw wordt toegedeeld onder uitkering van de helft van de actuele waarde aan de man, waarbij de vrouw een bedrag van minimaal € 3.145,-- aan de man dient te voldoen;
- het saldo bij de LeasePlan Bank aan de vrouw wordt toegedeeld onder uitkering van de helft van het actuele saldo aan de man, waarbij de vrouw een bedrag van minimaal € 5.118,11 aan de man dient te voldoen;
- de vrouw een bedrag van € 4.000,-- en (het hof begrijpt: wettelijke) rente aan de man dient te voldoen, zijnde de helft van het van de ouders van de vrouw ontvangen bedrag;
- de saldi op de spaarrekeningen op naam van de vrouw bij de ASN-bank en ING-bank bij helfte worden gedeeld, waarbij de vrouw een bedrag van minimaal € 7.211,91 en (het hof begrijpt: wettelijke) rente aan de man dient te voldoen;
- de vordering op [betrokkene] aan de vrouw wordt toegedeeld, onder uitkering van de helft van de waarde van de vordering aan de man, waarbij de vrouw een bedrag van minimaal € 6.033,49 aan de man dient te voldoen;
- partijen de opbrengst van de volkstuin bij helfte delen, waarbij de vrouw een bedrag van minimaal € 2.671,08 aan de man dient te voldoen;
- de Mitsubishi Colt aan de vrouw wordt toegedeeld en de vrouw een bedrag van € 2.350,-- aan de man dient te voldoen;
- het saldo bij SBK op naam van de vrouw bij helfte wordt gedeeld en de vrouw een bedrag van € 1.471,86 aan de man dient te voldoen;
- de vrouw aan de man een bedrag van € 556,90 dient te voldoen;
- de vrouw aan de man een bedrag van € 2.000,-- en (het hof begrijpt: wettelijke) rente dient te voldoen;
- de vrouw te verplichten minimaal het bedrag van € 64.248,34, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, binnen vier weken na het door de rechtbank te wijzen vonnis.
Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank:
- de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 205.000,-- onder de verplichting om de hypothecaire geldlening (die op 1 december 2015 € 234.900,-‐ bedroeg) als eigen schuld te gaan voldoen en de man voor deze geldlening te vrijwaren;
- overwogen dat de onderwaarde van € 29.900,-- door beide partijen, ieder voor de helft, zal moeten worden gedragen, hetgeen betekent dat de man aan de vrouw € 14.950,-- moet betalen (rov. 3.3.4.);
- bepaald dat de kosten van levering van de woning aan de vrouw voor haar rekening komen;
- het saldo op spaarrekening [spaarrekening] ter hoogte van € 5.050,73 toegedeeld aan de vrouw;
- de vordering op [betrokkene] ter hoogte van € 12.066,98 toegedeeld aan de man;
- het SBK-tegoed toegedeeld aan de vrouw;
- de man veroordeeld tot betaling van € 27.706,24 aan de vrouw;
- de man veroordeeld tot betaling van € 750,-- aan kosten deskundigenbericht aan de griffier;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten gecompenseerd;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
De procedure in hoger beroep
De man heeft 14 grieven aangevoerd. Deze gaan over:
- -
-
de woning (grief 1);
- -
-
de vordering op [betrokkene] (grief 2);
- -
-
de afspraken ter comparitie (grief 3);
- -
-
het kunsttegoed bij Stichting Beeldende Kunst Amsterdam (grief 4);
- -
-
het spaargeld van de man (grief 5);
- -
-
de schenkingen van de ouders van de vrouw (grief 6);
- -
-
de volkstuin (grief 7);
- -
-
de zorgkosten (grief 8);
- -
-
de waarde van de auto’s (grief 9);
- -
-
de telefoonkosten (grief 10);
- -
-
de kosten voor de reparatie aan het riool en de onroerende zaakbelasting (hierna: ozb) (grief 11);
- -
-
de belastingaanslagen (grief 12);
- -
-
de hypotheekrente (grief 13);
- -
-
de bankrekeningen (grief 14).
De man vordert:
het bestreden vonnis te vernietigen en – opnieuw rechtdoende – de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap vast te stellen zoals hij in eerste aanleg heeft gevorderd.
De vrouw heeft verweer aangevoerd. Zij vordert de vordering van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.