Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-10-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019, 200.279.133_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-10-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019, 200.279.133_01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2021
- Datum publicatie
- 19 oktober 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3019
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:1107
- Zaaknummer
- 200.279.133_01
Inhoudsindicatie
Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1676. Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU.
Uitspraak
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.279.133/01
arrest van 5 oktober 2021
in de zaak van
Taxi [standplaats] Tours B.V.,
gevestigd te [standplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Taxi [standplaats] ,
advocaat: mr. L.C. van den Berg te Den Haag,
tegen
1 gemeente Weert, met zetel te Weert,
en
2. gemeente Nederweert, met zetel te Nederweert,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als de gemeenten,
advocaat: mr. N.A.D. Groot te Rotterdam,
3. [A] Touringcars VOF, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [A] ,
niet verschenen,
in vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 juni 2021 in het hoger beroep van het vonnis van 12 februari 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in kort geding gewezen tussen Taxi [standplaats] als eiseres, de gemeenten als gedaagden en [A] als tussengekomen partij.
DEEL I
(vervolg tussenarrest)
(vertaling niet nodig)
7 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenarrest van 1 juni 2021
- -
-
de akten van partijen van 29 juni 2021
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
In het tussenarrest heeft het hof in overweging genomen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) over de uitleg van de Aanbestedingsrichtlijnen en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7.
Partijen hebben zich hierover bij akte uitgelaten.
Het stellen van vragen
Taxi [standplaats] stemt in met het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.
De gemeenten hebben bezwaren naar voren gebracht. Volgens hen volgt uit Unierechtelijke en nationale regels niet dat iedere vennoot bij inschrijving door een vennootschap onder firma een Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) over moet leggen.
Dit standpunt van de gemeenten is bekend. Het is echter de vraag of dit standpunt in dit geval juist is en daarop hebben de prejudiciële vragen betrekking.
De gemeenten menen verder dat een beslissing van het Hof van Justitie EU niet noodzakelijk is voor de uitspraak in deze zaak. Volgens de gemeenten heeft Taxi [standplaats] geen belang bij haar grieven over de proceskosten, omdat zij haar vorderingen heeft ingetrokken. Bovendien verlangt Taxi [standplaats] volgens de gemeenten een verklaring voor recht over de vraag of [A] mocht volstaan met het indienen van één UEA en leent een kort geding zich daar niet voor.
In 5.2 van het tussenarrest heeft het hof het volgende overwogen:
‘Taxi [standplaats] heeft in hoger beroep haar vorderingen beperkt tot de proceskostenveroordeling, omdat zij ongeacht de uitkomst in hoger beroep de opdracht niet meer gegund kan krijgen. Taxi [standplaats] verwijst in dit verband naar de beperkte mogelijkheden om een overeenkomst na gunning aan te tasten (HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:206:2638). In verband hiermee stelt Taxi [standplaats] in hoger beroep alleen de vraag aan de orde of [A] mocht volstaan met het indienen van één UEA voor de vennootschap onder firma, of dat de beide vennoten ieder een eigen UEA hadden moeten indienen.’
De rechtsvraag die na het wijzigen van de eis in hoger beroep nog voorligt, is dus of ieder van de vennoten van [A] een UEA had moeten verstrekken. De omstandigheid dat dit de in hoger beroep overgebleven rechtsvraag is, brengt niet mee dat het antwoord daarop een verklaring voor recht is of moet uitmonden in een verklaring voor recht. De rechtsvraag moet worden beantwoord om na te gaan wie van partijen in deze procedure het gelijk aan haar zijde heeft wat betreft de geldigheid van de inschrijving van [A] . Daarmee is de rechtsvraag van belang voor het antwoord op de vraag wie de proceskosten van beide instanties moet dragen. Reeds in de proceskosten ligt een voldoende belang voor het voeren van een hoger beroep.
De vragen
Taxi [standplaats] kan zich vinden in de vragen die het hof heeft geformuleerd, maar stelt voor vraag 2 aan te vullen. Taxi [standplaats] wil van het Hof van Justitie EU tevens vernemen ‘of het verschil maakt of de gezamenlijke onderneming juridisch in staat en bevoegd is de vragen van het UEA mede namens de deelnemende natuurlijke personen en/of rechtspersonen bindend te beantwoorden, als ook of het verschil maakt of het samenwerkingsverband onder Nederlands recht juridisch transparant is in die zin dat de verplichtingen die het samenwerkingsverband op zich neemt in beginsel door de deelnemende natuurlijke personen en/of rechtspersonen worden aangegaan’.
Het hof heeft geen bezwaar tegen deze aanvullingen. Het hof formuleert de aanvullingen, zoals hierna in 11.1 is vermeld.
De gemeenten hebben diverse kanttekeningen bij de geformuleerde vragen gemaakt. Het hof bespreekt deze kanttekeningen hierna.
De gemeenten willen in de eerste plaats aanpassingen die erop neerkomen dat de vragen van uitleg worden toegespitst op concrete artikelen van Richtlijn 2014/24 EU en op de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7, op ‘gezamenlijke onderneming’ en de vennootschap onder firma, in plaats van op ‘samenwerking’. Het hof zal de relevante artikelen en de verordening een plaats geven in 10.17 bij de inleiding op de vragen en de vragen verduidelijken door te spreken van ‘gezamenlijke onderneming’ in plaats van samenwerking.
De gemeenten willen verder vernemen of een of meer van de factoren die zijn genoemd in vraag 2 van doorslaggevende betekenis zijn en zo ja welke. Het hof zal hierover een vraag toevoegen, te nummeren als vraag 3.
Er is geen reden om vraag 3 (oud) te beperken tot de situatie dat de gezamenlijke onderneming voor het uitvoeren van de opdracht uitsluitend gebruik maakt van middelen die tot de eigen onderneming van een of meer van de deelnemende personen of rechtspersonen behoren. Het hof verduidelijkt de vraag door het toevoegen van het woord ‘ook’.
Het hof ziet aanleiding om vraag 5 (oud) uit te breiden met de vraag aan welke eisen de gezamenlijke onderneming moet voldoen, in het geval er eisen gelden.
Het hof ziet ervan af om een vraag op te nemen over een controleverplichting van de aanbestedende dienst. Het valt niet in te zien dat op dit onderdeel andere verplichtingen gelden dan ten aanzien van andere opgaven die inschrijvers doen.
Het hof neemt niet de vraag op welke gevolgen het moet hebben als niet ieder van de samenwerkende personen een UEA heeft ingediend, hoewel zij daartoe verplicht waren. Er is geen reden om aan te nemen dat dit gevolg anders is dan in de situatie dat een inschrijver geen UEA heeft ingediend.
Ten slotte willen de gemeenten een vraag toevoegen over het beperken van de temporele werking van de beslissing van het Hof van Justitie EU. De gemeenten voeren aan dat zij geen reden hadden om aan te nemen dat iedere vennoot een UEA zou moeten indienen en dat een andersluidende beslissing grote financiële gevolgen kan hebben vanwege mogelijke schadeclaims.
De omstandigheid dat aanbestedende diensten in de aanbestedingspraktijk een uitleg geven aan Unierechtelijke regels die later onjuist wordt bevonden, is op zichzelf geen reden om de werking van regels overeenkomstig een juiste uitleg, in tijd te beperken. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden die ertoe noodzaken in dit geval hierover een afzonderlijke vraag te stellen aan het Hof van Justitie EU. Vanzelfsprekend kan het Hof van Justitie EU zelf een dergelijke beperking geven als daartoe aanleiding is.
Gelet op het voorgaande zal het hof de prejudiciële vragen stellen, zoals die in 11.1 zijn geformuleerd.
In deel II van dit arrest herhaalt het hof, al dan niet verkort, de overwegingen uit het tussenarrest die voor het Hof van Justitie EU van belang zijn en richt het hof het verzoek aan het Hof van Justitie EU om de geformuleerde vragen te beantwoorden. Voor de volledigheid merkt het hof op dat alleen deel II van dit arrest ten behoeve van het Hof van Justitie EU behoeft te worden vertaald.
DEEL II
(gedeelte van de uitspraak dat van belang is voor het Hof van Justitie EU)
(vertaling wenselijk)
9 De feiten
Taxi [standplaats] heeft in opdracht van de gemeenten het vervoer van basisschoolleerlingen in het kader van bewegingsonderwijs (hierna: gymnastiekvervoer) verzorgd. De opdracht liep tot 1 augustus 2019, met de mogelijkheid van verlenging. De gemeenten hebben de opdracht niet verlengd, maar op 28 februari 2019 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor het gymnastiekvervoer in de periode van 1 januari 2020 tot aan het einde van het schooljaar 2027-2028. Het gunningscriterium was de economische meest voordelige inschrijving. Na daartoe in kort geding te zijn verplicht, zijn de gemeenten tot heraanbesteding overgegaan.
Tot de aanbestedingsdocumenten behoort de Aanbestedingsleidraad die de gemeenten ten behoeve van deze aanbesteding hebben opgesteld. De Aanbestedingsleidraad luidt onder meer:
‘1.9 Tekenbevoegdheid
Een functionaris die bevoegd is de onderneming te vertegenwoordigen en te binden dient de in te vullen Eigen Verklaring (UEA – Uniform Europees Aanbestedingsdocument), inschrijving en bijlagen te ondertekenen. Met ondertekenen geeft de ondertekenaar de garantie voor de juistheid en rechtsgeldigheid van de totale inschrijving.
(...)
Inschrijven
(...)
Inschrijven in combinatie met meerdere vervoerders is ook toegestaan. De combinatie dient aan de gestelde eisen te voldoen. Als u inschrijft als combinatie dient de combinatie een penvoerder aan te wijzen. Iedere combinant is hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van de uitvoering van de vervoersovereenkomst. Uit de inschrijving van combinanten moet blijken hoe de continuïteit van het gymnastiekvervoer wordt gewaarborgd wanneer één of meer combinanten niet aan hun verantwoordelijkheden kan/kunnen voldoen.
(...)
Aantal exemplaren/volledigheid
(...)
De inschrijving moet volledig zijn en bevat de volgende documenten:
- -
-
Een volledig ingevuld en rechtsgeldig ondertekende Eigen Verklaring (UEA, Bijlage 2); het UEA is een invulbaar pdf bestand dat wij via TenderNed beschikbaar hebben gesteld
- -
-
(...)’
Op 11 november 2019 bleek dat alleen Taxi [standplaats] en [A] op de aanbesteding hadden ingeschreven. De inschrijving van [A] is ingediend door [B/directeur van A] .
[B/directeur van A] heeft namens [A] één Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) ingediend. Bij e-mail van 12 november 2019 heeft Taxi [standplaats] aan de gemeenten onder meer gevraagd of [A] voor ieder van beide vennoten een UEA had ingediend. Bij e-mail van dezelfde dag hebben de gemeenten geantwoord dat de stukken van inschrijvers vertrouwelijk zijn en dat zij geen inzage geven in informatie die een andere inschrijver heeft ingediend.
Bij brieven van 3 en 5 december 2019 hebben de gemeenten aan Taxi [standplaats] meegedeeld dat zij het voornemen hadden de opdracht te gunnen aan [A] .
Taxi [standplaats] is daartegen in kort geding opgekomen. In dit kort geding is [A] tussengekomen. De voorzieningenrechter heeft Taxi [standplaats] in het ongelijk gesteld en Taxi [standplaats] veroordeeld in de proceskosten van de gemeenten en [A] .
De gemeenten hebben voor het gymnastiekvervoer overeenkomsten gesloten met [A] . Deze overeenkomsten zijn op 1 maart 2020 ingegaan.