Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1772, 200.290.405_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1772, 200.290.405_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 juni 2022
Datum publicatie
15 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:1772
Zaaknummer
200.290.405_01

Inhoudsindicatie

BKR-registraties / Dat het verzoek op grond van artikel 21 AVG te allen tijde gedaan kan worden, betekent niet dat men meermalen een artikel 35 UAVG-verzoek kan indienen / Het verzoekschrift is deels te laat ingediend / Repetitief karakter herhaald verzoek (artikel 12 lid 5 AVG) / De registratie in het CKI is gebaseerd op artikel 6 lid 1 sub f AVG / Appellante heeft gesteld dat zij geen hypotheek kan verkrijgen vanwege de negatieve BKR-registraties / Appellante doet een beroep op artikel 21 lid 1 AVG / Het hof heeft een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds de belangen bij handhaving van de BKR-registraties en anderzijds het belang van appellante bij verwijdering daarvan / De belangenafweging valt uit in het nadeel van appellante / Appellante is medeverantwoordelijk voor de ontstane schulden / Schuldeisers hebben na WSNP-traject hoge afboekingen moeten doen / Dat appellante geen hypothecaire geldlening kan krijgen vanwege de BKR-registratie is onvoldoende gebleken: een hypotheekaanvraag ontbreekt / Appellante is (nog) niet financieel stabiel: enkel vast inkomen is daarvoor onvoldoende / Bescherming tegen overcreditering / Het verwijderingsverzoek wordt afgewezen / Proceskostenveroordeling

Uitspraak

Team Handelsrecht

Uitspraak : 2 juni 2022

Zaaknummer : 200.290.405/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/375678 / HA RK 20-173

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. C.B.G.M. Foolen te Tilburg,

tegen

1 ING BANK N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: ING,

advocaat: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,

en

2 Hoist Finance AB,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: Hoist,

advocaat: mr. H.A.P. Pijnacker te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij beroepschrift met bijlagen (producties nrs. 49 tot en met 52 en stukken eerste aanleg), ingekomen ter griffie van dit hof op 15 februari 2021, heeft [appellante] het hof verzocht, voor zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 16 november 2020 (hierna: de beschikking) te vernietigen, ING en Hoist te bevelen de genoemde bijzonderheidscoderingen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van BKR op naam van [appellante] binnen twee dagen na betekening van de te wijzen beschikking te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom ad € 1.000,- voor iedere dag dat verweerder [het hof leest: de verweerder die het betreft] in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 30.000,- en ING en Hoist te veroordelen - kort gezegd - in de proceskosten.

1.2.

Het hof heeft behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op de voet van artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gestelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, over de vraag aan welke van de in artikel 6 Algemene verordening gegevensbescherming1 (AVG) genoemde gronden – wettelijke plicht of gerechtvaardigde belangen – een registratie bij de Stichting Bureau Kredietregistratie (hierna: het BKR) moet worden getoetst. In de uitspraak van 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814, r.o. 3.1.11 heeft de Hoge Raad geantwoord dat die verwerking moet worden getoetst aan het bepaalde in artikel 6 lid 1, aanhef en onder f, AVG – gerechtvaardigde belangen. Vervolgens heeft het hof partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling, verweersters een termijn gesteld voor het indienen van een verweerschrift en [appellante] bericht dat zij zich desgewenst schriftelijk mocht uitlaten over voormelde uitspraak van de Hoge Raad.

1.3.

ING heeft in haar verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 21 maart 2022, het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep af te wijzen en de beschikking, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten.

1.4.

Hoist heeft in haar verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op

22 maart 2022, het hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen [het hof leest beschikking] te bekrachtigen en [appellante] in haar verweer en vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze als ongegrond dan wel onbewezen te ontzeggen, alsmede [appellante] te veroordelen in de kosten.

1.5.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

- de aanvullende stukken van mr. Foolen, ingediend bij V6-formulier van

17 maart 2022, ingekomen ter griffie van dit hof op diezelfde datum en

- de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door [appellante] en ING overgelegde en voorgelezen pleitnota respectievelijk pleitaantekeningen.

1.6.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 april 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

[appellante] , bijgestaan door mr. Foolen;

-

namens ING, [medewerker] , medewerker bijzonder beheer, bijgestaan door mr. D.J. Posthuma (kantoorgenoot van mr. Jager) en

-

namens Hoist, mr. Pijnacker.

2 De beoordeling

3 De beslissing