Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13-09-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3148, 200.301.535_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13-09-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3148, 200.301.535_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13 september 2022
Datum publicatie
6 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:3148
Zaaknummer
200.301.535_01
Relevante informatie
Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 194

Inhoudsindicatie

art. 3:194 BW, opzettelijke verzwijging, verbeurt aandeel in goed, proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.301.535/01

arrest van 13 september 2022

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel te Oss,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. M. van Vliet te Hengelo,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 oktober 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 juli 2021, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

Deze zaak gaat over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen, in het bijzonder over de vraag of de vrouw een aandeel had in onroerend goed in Rusland en zo ja, of zij dat opzettelijk heeft verzwegen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/363605 / HA ZA 20-660)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 4;

-

de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel beroep met producties 1 tot en met 6;

-

de memorie van antwoord in incidenteel appel;

-

het H16 formulier van de advocaat van de vrouw van 16 mei 2022;

-

de pleitaantekeningen die door de advocaat van de man zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling op 20 juli 2022.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op 5 september 2003 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

  2. Op 31 januari 2018 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend. De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken bij beschikking van 22 maart 2019. De beslissing over de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap is aangehouden. De vrouw is in de gelegenheid gesteld om haar verweer ten aanzien van de mede-eigendom van onroerend goed in Rusland nader te onderbouwen.

  3. De echtscheidingsbeschikking is op 17 juli 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  4. Bij beschikking van 24 september 2019 heeft de rechtbank, voor zover relevant, het volgende overwogen en beslist:

"2.5. (...) De vrouw is daarop in de gelegenheid gesteld om haar verweer tegen de door de man gestelde mede-eigendom nader te onderbouwen. De vrouw zou dit, zoals ter zitting van 10 december 2018 ook reeds aan haar is voorgehouden, eenvoudig kunnen doen door haar ouders - die volgens de vrouw enig eigenaar zijn van de onroerende zaken - om een eigendomsbewijs (akte van levering), een bewijs van registratie van het eigendom dan wel tenminste om een verklaring over het eigendomsrecht, te vragen en deze in het geding te brengen. In het schrijven van 19 april 2019 heeft de vrouw zich echter op het standpunt gesteld dat zij met de reeds overgelegde stukken voldoende aan haar verplichting heeft voldaan. Voorts heeft zij gesteld dat zij derden niet in de procedure wil betrekken. De vrouw heeft van de haar geboden gelegenheid aldus geen gebruik gemaakt.

Op basis van hetgeen door de man is gesteld en gelet op het onvoldoende onderbouwde verweer van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de vrouw mede-eigenaar is van de door de man gestelde onroerende zaken als genoemd in punt 2.1. van deze beschikking.

2.6.

Nu de vrouw wordt verondersteld mede-eigenaar van de onroerende zaken te zijn, is de vraag of het aandeel van de vrouw in de onroerende zaken deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Deze vraag wordt door de rechtbank aan de hand van het in rechtsoverweging 2.9.8. van de beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2019 vastgestelde recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, zijnde het Nederlandse recht, bevestigend beantwoord. Dit leidt tot de conclusie dat het aandeel van de vrouw in de onroerende zaken in de verdeling dient te worden betrokken.

(...)

2.8. (...)

De vrouw heeft weliswaar verweer gevoerd tegen het verzoek van de man tot toedeling van het aandeel aan hem, maar zij heeft daartoe enkel aangevoerd dat zij geen eigenaar dan wel mede-eigenaar is van de onroerende zaken. Nu de rechtbank aan dit verweer van de vrouw voorbij gaat, een en ander zoals hiervoor overwogen in punt 2.5. van deze beschikking, zal de rechtbank het verzoek van de man als onvoldoende weersproken toewijzen in die zin dat zij partijen zal gelasten over te gaan tot verdeling van het aandeel van de vrouw in de onroerende zaken aldus dat dit aandeel aan de man zal worden toebedeeld. Het anders of meer verzochte zal de rechtbank afwijzen.

(...)

3 De beslissing

7 De beslissing

4 De uitspraak