Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 06-12-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4183, 200.309.047_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 06-12-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4183, 200.309.047_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 december 2022
Datum publicatie
21 december 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:4183
Formele relaties
Zaaknummer
200.309.047_01

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring in het verzet tegen een verstekvonnis waarin de rechtbank iemand heeft veroordeeld tot terugbetaling aan de voormalige partner van (geïnvesteerde of uitgeleende) € 53.475,74.

Uitspraak

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.309.047/01

arrest van 6 december 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal beroep,

geïntimeerde in incidenteel beroep,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende op een geheim adres,

woonplaats kiezend bij haar advocaat,

geïntimeerde in principaal beroep,

appellante in incidenteel beroep,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,

op het bij dagvaardingsexploot van 29 september 2021 ingeleide hoger beroep van het in verzet gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 juni 2021 tussen [appellant] als eiser in verzet (gedaagde in conventie/eiser in reconventie) en [geïntimeerde] als gedaagde in verzet (eiseres in conventie/verweerster in reconventie).

1 Het geding in eerste aanleg (zaak C/02/383052/HA ZA 21-112)

Hiervoor verwijst het hof naar voornoemd verzetvonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 7 april 2021 alsmede het eerdere verstekvonnis van 3 april 2019 (zaak C/02/352153/HA ZA 2018-760), gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het voornoemde dagvaardingsexploot van [appellant] ;

-

de memorie van grieven van [appellant] , houdende eiswijziging in reconventie;

-

de memorie van antwoord van [geïntimeerde] in principaal beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel beroep, met producties;

-

de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel beroep van [appellant] , tevens akte houdende bezwaar tegen de eiswijziging in reconventie;

-

de (gelijk met de tussen partijen aanhangige zaak 200.298.087/01 op 15 november 2022 gehouden) mondelinge behandeling, waarbij partijen zijn verschenen, de advocaat van [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd, [appellant] de vooraf ingezonden producties 2 tot en met 5 heeft ingebracht en partijen er uitdrukkelijk mee hebben ingestemd om de in de twee zaken overgelegde stukken als in beide zaken ingebracht te beschouwen.

2.2

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg, zowel die van de verzetzaak als die van de verstekzaak.

Korte aanduiding van (de aard van) het geschil

2.3

In dit geding gaat het om een niet-ontvankelijkverklaring in het verzet tegen een verstekvonnis waarin de rechtbank iemand heeft veroordeeld tot terugbetaling aan de voormalige partner van (geïnvesteerde of uitgeleende) € 53.475,74.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1

Partijen hebben met ingang van 2000 een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.2

Op 20 oktober 2005 heeft [geïntimeerde] van de ABN-AMRO- [rekeningnummer] een bedrag van € 53.475,74 overgemaakt naar de bankrekening van [XXX] -notarissen.

3.3

Bij leveringsakte van 21 oktober 2005 heeft [appellant] voor een koopsom van € 70.000,= door tussenkomst van [XXX] -notarissen in eigendom verkregen de aan de [adres] gelegen percelen, kadastraal bekend als gemeente Halsteren [sectieletter 1] [sectienummer 1] en [sectienummer 2] (hierna: [perceel 1] en [perceel 2] ).

3.4

Een ongedateerde en niet ondertekende “SCHULDBEKENTENIS” vermeldt, samengevat, dat [appellant] wegens een op 24 oktober 2005 ontvangen geldlening

€ 53.475,74 met 4% rente aan [geïntimeerde] schuldig is.

3.5

Bij leveringsakte van 6 november 2006 hebben partijen voor een koopsom van € 41.230,= gezamenlijk in eigendom verkregen het aan de Eendenpolder gelegen perceel, kadastraal bekend als gemeente Halsteren [sectieletter 1] [sectienummer 3] , ter grootte van 1 hectare 17 are 80 centiare (hierna: [perceel 3] ).

3.6

Op [perceel 3] rust een op naam van beide partijen gevestigd recht van hypotheek voor de hypothecaire geldlening. [geïntimeerde] heeft op die hypothecaire geldlening bedragen afgelost en daarover rente betaald.

3.7

De relatie tussen partijen is in 2009 geëindigd.

3.8

Bij een in april 2018 aanhangig gemaakt kortgeding heeft de voorzieningenrechter op 10 augustus 2018 (zaak C/02/343496/KG ZA 18-221) verstek verleend tegen [appellant] en bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde kortgedingvonnis, kort gezegd, [geïntimeerde] vervangende toestemming verleend om in plaats van [appellant] :

-

een makelaar opdracht te geven tot verkoop van [perceel 3] ;

-

een verkoopovereenkomst te ondertekenen met een kandidaat-koper die de door de makelaar geadviseerde verkoopprijs wil betalen;

-

de leveringsakte te ondertekenen;

-

alle overige voor verkoop aan derden noodzakelijke handelingen te verrichten;

en [appellant] veroordeeld in de proceskosten, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Bij verzetvonnis van 30 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter (zaak C/02/384041/KG ZA 21-137) [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen dit vonnis. Tegen dit verzetvonnis loopt bij dit hof de eerdergenoemde beroepszaak 200.298.087/01.

3.9

In dit met de dagvaarding van 15 november 2018 ingeleide geding heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de rechtbank in hoofdlijn uitvoerbaar bij voorraad zal bepalen:

- dat uit de verkoopopbrengst van [perceel 2] (de geïnvesteerde of uitgeleende)

€ 53.475,74 aan [geïntimeerde] wordt toebedeeld en de overwaarde aan [appellant] wordt toebedeeld;

- dat de gehele verkoopopbrengst van [perceel 3] na aftrek van hypotheek en makelaarskosten, aan [geïntimeerde] wordt toebedeeld;

en dat aan [geïntimeerde] vervangende toestemming zal worden verleend om in de plaats van [appellant] :

-

een makelaar opdracht te geven tot verkoop van [perceel 2] ;

-

een verkoopovereenkomst te ondertekenen met een kandidaat-koper die de door de makelaar geadviseerde verkoopprijs wil betalen;

-

de leveringsakte te ondertekenen;

-

alle overige voor verkoop aan derden noodzakelijke handelingen te verrichten;

-

de voornoemde toebedeling van (de geïnvesteerde of uitgeleende) € 53.475,74 aan [geïntimeerde] en de overwaarde aan [appellant] tot stand te brengen;

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.10

In dit geding heeft de rechtbank op 3 april 2019 bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis kort gezegd:

-

verstek verleend tegen de niet verschenen [appellant] ;

-

[appellant] veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van (de geïnvesteerde of uitgeleende) € 53.475,74;

-

de proceskosten gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

en het meer of anders door [geïntimeerde] gevorderde afgewezen.

3.11

Op 8 mei 2019 heeft [geïntimeerde] dit verstekvonnis laten betekenen aan het parket van het Openbaar Ministerie in Zeeland-West-Brabant, met op 10 mei 2019 bekendmaking in de Staatscourant.

3.12

Bij brief van 4 maart 2021 heeft deurwaarder [persoon A] aan de advocaat van [geïntimeerde] geschreven dat uit opgevraagde adresgegevens inzake [appellant] :

“(...) blijkt dat [hof: [appellant] ] al sinds 2011 staat geregistreerd als niet ingezetenen in Nederland. Er is ook geen adres opgenomen waar hij eventueel in het buitenland zou wonen/verblijven. Dit is bij het Bureau Peroonsregistratie ingeschreven per 5 september 2014. (...)”

3.13

Blijkens de leveringsakte van 21 september 2020 heeft [geïntimeerde] voor zich en krachtens het kortgedingvonnis van 10 augustus 2018 namens [appellant] [perceel 3]

-ingevolge de daartoe op 14 juli 2020 tegen een koopprijs van € 60.000,= gesloten koopovereenkomst- in eigendom overgedragen aan Stichting Het Brabants Landschap (hierna: Brabants Landschap).

3.14

Op 21 september 2020 heeft de deurwaarder op basis van het verstekvonnis executoriaal derdenbeslag gelegd op wat notaris [YY] uit hoofde van de op 14 juli 2020 met Brabants Landschap gesloten verkoop van perceel 697, voor [appellant] onder zich heeft of zal krijgen.

4 De verzetprocedure in eerste aanleg

5 De beoordeling in beroep

6 De uitspraak