Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-06-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1975, 200.314.142_01 en 200.314.142_03

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-06-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1975, 200.314.142_01 en 200.314.142_03

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15 juni 2023
Datum publicatie
19 juni 2023
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:1975
Zaaknummer
200.314.142_01 en 200.314.142_03

Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Zorgregeling

Uitspraak

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 15 juni 2023

zaaknummers: 200.314.142/01 (bodemprocedure) en

200.314.142/03 (verzoek tot het treffen van provisionele voorziening)

zaaknummer eerste aanleg: C/02/392936 FA RK 21-5999

in de zaak met zaaknummer 200.314.142/01:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.A. Kazzaz-de Hoog.

in de zaak met zaaknummer 200.314.142/03:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.A. Kazzaz-de Hoog,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen.

Deze zaken gaan over:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. [bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over voornoemde kinderen,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedures gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de rechtbank), van 17 mei 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het treffen van een provisionele voorziening

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, tevens houdende een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank van 17 mei 2022, ingekomen op 1 augustus 2022;

- het verweerschrift tegen het incidenteel verzoek, tevens houdende een verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening, ingekomen op 31 augustus 2022;

- het verweerschrift in de hoofdzaak, ingekomen op 15 september 2022;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 april 2022;

- een V-formulier met productie van de advocaat van de man d.d. 18 augustus 2022;

- een V-formulier met productie van de advocaat van de man d.d. 24 augustus 2022;

- een V-formulier van de advocaat van de man d.d. 28 december 2022;

- een V-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 9 januari 2023;

- een V-formulier van de advocaat van de man d.d. 7 maart 2023;

- een V-formulier met een brief van de advocaat van de vrouw d.d. 29 maart 2023;

- een V-formulier met een brief en productie van de advocaat van de man d.d. 30 maart 2023;

- de brief met producties van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna ook: de GI) d.d. 31 maart 2023;

- de brief met producties van de GI d.d. 5 april 2023;

- een V-formulier met een brief van de bijzondere curator d.d. 7 april 2023.

2.2.

Het bij beroepschrift gedane incidentele verzoek en het daartegen gerichte verweer, heeft het hof afzonderlijk behandeld onder zaaknummer 200.314.142/02.

2.3.

De mondelinge behandeling in de zaken met zaaknummers 200.314.142/01 en 200.314.142/03 heeft plaatsgevonden op 14 april 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. M.A. Breewel-Witteveen;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Kazzaz-De Hoog;

- de bijzondere curator;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, die is aangemerkt als informant, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 1 maart 2013 tot 12 april 2018. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij echtscheidingsbeschikking van 27 december 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling) gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- een keer per twee weken van donderdag 15.00 uur tot en met maandag 8.30 uur;

- de helft van de schoolvakanties en bijzondere feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen, en

- in afwijking van de reguliere zorgregeling op de verjaardag van de man en op Vaderdag bij de man; op de verjaardag van de vrouw en op Moederdag verblijven de kinderen bij de vrouw.

3.3.

De kinderen verblijven sinds het omgangsweekend van 14 oktober 2021 bij de man, op initiatief van de man vanwege zorgen over kindermishandeling door de vrouw. In overleg met de leerplichtambtenaar gaan de kinderen sindsdien naar een school in [woonplaats van de man] , nabij de woning van de man. Daarvoor gingen de kinderen naar een school in [woonplaats van de vrouw] , nabij de woning van de vrouw.

3.4.

Bij vonnis in kort geding van 18 november 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank, voor zover hier van belang:

- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig (in ieder geval tot er een uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure) worden toevertrouwd aan de man;

- de bijzondere curator benoemd, met als opdracht te onderzoeken of de veiligheid van de kinderen in het geding is bij terugkeer naar de vrouw, alsook onder welke voorwaarden de kinderen weer bij de vrouw kunnen verblijven.

3.5.

Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 17 mei 2022 heeft de rechtbank de beschikking van 27 december 2017 gewijzigd als volgt:

- bepaalt dat de vrouw en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- op 21 april 2022, gedurende twee uur, onder begeleiding van [betrokkene 1] ,

- week 17: gedurende één dag, waarbij [betrokkene 1] van de laatste één of twee uur zal aanschuiven,

- week 18 tot en met week 21: van zaterdagmiddag tot zondagmiddag (24 uur, inclusief één overnachting), onbegeleid,

- week 22 tot en met week 29: van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur (48 uur, inclusief twee overnachtingen), onbegeleid,

- week 30 tot en met week 35 (zomervakantie): verdeling bij helfte, waarbij de hulpverlening in overleg met partijen bekijkt hoe de zorgverdeling het beste kan plaatsvinden,

een en ander met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 4.6 van die beschikking;

- bepaalt dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar met ingang van 5 september 2022 één keer per twee weken van donderdagmiddag 15.00 uur tot en met maandagochtend 8.30 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en bijzondere feestdagen.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

De sinds 17 mei 2022 geldende opbouwende contactregeling tussen de vrouw en de kinderen is door de man vanaf begin juli 2022 niet meer nageleefd.

3.6.

Bij beschikking van 22 juli 2022 heeft de rechtbank, op verzoek van de man, de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar.

3.7.

Bij vonnis in kort geding van 1 september 2022 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank de vorderingen van de vrouw – samengevat en voor zover hier van belang – tot overdracht van de kinderen aan de vrouw en tot verlening van medewerking door de man aan de uitvoering van de geldende zorgregeling, zoals opgenomen in de beschikking van 17 mei 2022, afgewezen.

3.8.

Het gerechtshof heeft (in de zaak met zaaknummer 200.314.142/02) bij mondelinge uitspraak van 1 september 2022, waarvan de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 15 september 2022, het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 17 mei 2022 toegewezen.

3.9.

Sinds september 2022 heeft (opnieuw) een opbouw van de zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen plaatsgevonden. Vanaf december 2022 is toegewerkt naar, kort gezegd, een verblijf van de kinderen bij de vrouw gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag tot zondag (met overnachten) en daarnaast een doordeweeks contactmoment.

In februari 2023 zijn afspraken gemaakt over de verdere opbouw van de zorgregeling tot de zomervakantie 2023, in twee stappen:

- vanaf de voorjaarsvakantie tot de meivakantie verblijven de kinderen bij de vrouw: de ene week van vrijdag na de BSO+ (om 16.30 uur) tot zondag 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag ophaalt bij de BSO+ en op zondag terugbrengt naar de man, en de andere week op donderdag na schooltijd (de vrouw haalt de kinderen van school) tot 19.30 uur (deze stap duidt het hof hierna aan als ‘fase 1’);

- na de meivakantie tot de zomervakantie verblijven de kinderen bij de vrouw: de ene week van vrijdag na de BSO+ (de vrouw haalt de kinderen om 16.30 uur op) tot maandagochtend naar school en de andere week van donderdag na schooltijd (de vrouw haalt de kinderen van school) tot vrijdagochtend naar school (deze stap duidt het hof hierna aan als ‘fase 2’).

Daarbij zijn partijen een verdeling voor de voorjaarsvakantie, meivakantie en zomervakantie overeengekomen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 mei 2022. Grieven I en III zien op het hoofdverblijf. Grief II ziet op de zorgregeling.

Grief IV (voorwaardelijke grief voor het geval de vrouw hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 juli 2022 tot ondertoezichtstelling van de kinderen) ziet op de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, zo nodig onder aanvulling van de feiten en de rechtsgronden, en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen met ingang van de datum van de te geven beschikking;

- een nadere, in overleg met de GI te bepalen, zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de vrouw en de kinderen gerechtigd zijn tot contact met elkaar.

Kosten rechtens.

4.2.

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn grieven ongegrond te verklaren;

- met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

4.3.

De vrouw verzoekt het hof tevens bij wijze van provisionele voorziening:

- de man te gelasten:

a. de kinderen conform de beschikking van de rechtbank van 17 mei 2022 zo spoedig mogelijk aan de vrouw over te dragen;

b. er aan mee te werken dat de kinderen vanaf 5 september 2022 naar hun school in [woonplaats van de vrouw] kunnen gaan;

c. mee te werken aan een in goede justitie te bepalen overgangsregeling vanaf heden tot aan de herfstvakantie;

d. vanaf de herfstvakantie mee te werken aan de exacte en correcte uitvoering van de dan geldende zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 17 mei 2022 als regeling voor de periode vanaf 5 september 2022,

- met bepaling dat de beschikking gehandhaafd zal worden met behulp van de sterke arm;

- met bepaling dat de man een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij zal handelen in strijd met het onder a t/m d gevorderde, te vervangen door gijzeling in geval van niet correcte betaling van de verbeurde dwangsommen;

- met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten.

5 De motivering van de beslissing

6 De beslissing