Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-01-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:427, 20-002953-21
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-01-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:427, 20-002953-21
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 31 januari 2023
- Datum publicatie
- 6 oktober 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2023:427
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1509
- Zaaknummer
- 20-002953-21
Inhoudsindicatie
Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging. Handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Uitspraak
Parketnummer : 20-002953-21
Uitspraak : 31 januari 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993201-20 en 01-993306-15 (VI) tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Tevens is beslist op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep alsmede over de inbeslaggenomen voorwerpen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte. Indien het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, heeft de advocaat-generaal zich ten aanzien van het al dan niet terugwijzen van de zaak naar de rechtbank, gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Door de raadsman van de verdachte is bepleit dat het Openbaar Ministerie, conform het vonnis van de rechtbank, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Subsidiair heeft de raadsman, indien het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, verzocht de zaak voor de inhoudelijke behandeling terug te wijzen naar de rechtbank Oost-Brabant.
Vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel dat het bestreden vonnis op onderdelen aanvulling behoeft. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 maart 2018 te Alkmaar en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft gebracht en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad:
- -
-
(in totaal) ongeveer 100.000 tabletten (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en)) van een materiaal bevattende MDMA (XTC-pillen);
- -
-
(in totaal) ongeveer 22,5 kilogram (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en)) van een materiaal bevattende MDMA (kristallen en/of poeder);
- -
-
(in totaal) ongeveer 10 kilogram (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en)) van een materiaal bevattende amfetamine;
- -
-
(in totaal) ongeveer 2,675 kilogram (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en)) van een materiaal bevattende cocaïne;
- -
-
(in totaal) ongeveer 10.425 tabletten (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en)) van een materiaal) bevattende 2C-B,
zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of 2C-B, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt verdediging
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat het Openbaar Ministerie bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet verder zou worden vervolgd. Daartoe is onder verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg in de kern het navolgende aangevoerd.
Tussen de verdachte en de officier van justitie, [officier van justitie] , is in februari 2020 een overeenkomst gesloten ter afdoening van het volledige, en al het daaruit voortkomende, onderzoek [onderzoek 1] . Het onderzoek [onderzoek 1] zag niet alleen op een onderzoek naar de verdenking van (eenvoudig) witwassen, maar betrof eveneens een onderzoek naar de verdenking van de handel in/uitvoer van verdovende middelen. Bij de verdachte is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat door middel van de transactie zou worden getransigeerd voor de verdenking van witwassen, alsmede dat het onderzoek naar andere strafbare feiten zou worden gestaakt.
Door vervolgens het onderzoek naar de handel in/uitvoer van verdovende middelen voort te zetten in onderzoek [onderzoek 2] en de verdachte hiervoor te vervolgen, heeft het Openbaar Ministerie in strijd gehandeld met de gesloten overeenkomst en het vertrouwensbeginsel geschonden. Er is derhalve sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde die dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aldus de raadsman.
Standpunt advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is – onder verwijzing naar de appelschriftuur d.d. 29 december 2021 – in de kern het navolgende aangevoerd.
Het onderzoek [onderzoek 1] heeft zich enkel gericht op de verdenking van witwassen en nimmer op de verdenking van Opiumwet-feiten. Ook uit de tekst van de tussen de verdachte en de officier van justitie gesloten transactie en de e-mailcorrespondentie tussen de officier van justitie en de raadsman van de verdachte van 11 december en 19 december 2019 volgt duidelijk dat de transactie enkel zag op de verdenking van witwassen. De verdachte heeft derhalve nergens het gerechtvaardigd vertrouwen aan kunnen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd voor Opiumwet-feiten, aldus de advocaat-generaal. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat aan de verdachte wel een concrete toezegging is gedaan dat hij niet (verder) zou worden vervolgd en de verdachte op deze toezegging gerechtvaardigd mocht vertrouwen, veranderde c.q. nieuwe omstandigheden maken dat op deze toezegging gerechtvaardigd kon worden teruggekomen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging dient plaats te vinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in de zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of sprake is geweest van uitlatingen van de kant van het Openbaar Ministerie en of deze uitlatingen van dien aard waren dat deze bij de verdachte tot het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen leiden dat hij niet (verder) zou worden vervolgd. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Op 11 december 2019 heeft officier van justitie [officier van justitie] per e-mail contact gezocht met de raadsman van de verdachte, [raadsman] , om de mogelijkheden van een buitengerechtelijke afdoening te bespreken. Deze e-mail houdt, voor zover voor het navolgende van belang, het volgende in:
“Geachte heer [raadsman] ,
Graag zou ik met u willen verkennen of een buitengerechtelijke afdoening van het strafrechtelijk witwasonderzoek [onderzoek 1] tegen uw cliënt [verdachte] tot de mogelijkheden behoort. Bent u komende week in de gelegenheid voor een telefonisch overleg? (..)”
Vervolgens heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen officier van justitie [officier van justitie] en de raadsman van de verdachte [raadsman] , waarna ter bevestiging van dit telefoongesprek op 19 december 2019 de navolgende e-mail – voor zover voor het navolgende van belang – door [officier van justitie] aan [raadsman] is verzonden:
“Geachte heer [raadsman] ,
Vandaag bespraken wij het strafrechtelijk onderzoek tegen uw cliënt [verdachte] (onderzoek [onderzoek 1] met parketnummer 15-860186-19).
Gelet op de schaarse zittingscapaciteit bij de rechtbank Noord-Holland heb ik er belang bij de zaak buitengerechtelijk af te doen met een transactie a.b.i. art. 74 Sr.
(..) Indien uw cliënt aan de onder te noemen voorwaarden zou voldoen, zou ik bovendien het onderzoek kunnen staken en kostbare opsporingscapaciteit kunnen aanwenden in andere zaken.
Ik besprak met u de als uitgangspunt te nemen strafmaat indien de zaak vervolgd zou worden. Gelet op de richtlijnen zou dat een strafmaat opleveren van 12 tot 18 maanden gevangenisstraf.
U speculeerde er op dat de Bitcoins mogelijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, uit feiten (kortgezegd: drugshandel) gepleegd voor zijn detentie, (..,) Maar ook indien -puur hypothetisch gesteld- de Bitcoins uit eigen misdrijf afkomstig zijn waarvoor uw cliënt eerder is veroordeeld, staat een verbeurdverklaring daarvan niet in de weg.”
Uiteindelijk is op 28 februari 2020 tussen de verdachte en de officier van justitie een transactie ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gesloten. De tekst van de transactie luidt, voor zover voor het navolgende van belang, als volgt:
“De Officier van Justitie bij het parket Noord-Holland [officier van justitie] ,
biedt hierbij aan de verdachte:
Naam [verdachte]
Geboren [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] Parketnummer 15-222904-19
die wordt verdacht van het misdrijf strafbaar gesteld in het artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht,
gepleegd op of omstreeks 19 september te Heerhugowaard en/of Alkmaar,
overeenkomstig artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht, dat hij niet vervolgd zal worden ter zake van het hiervoor vermeld misdrijf respectievelijk dat er geen vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tegen hem zal worden ingediend (..)”
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat door het Openbaar Ministerie uitlatingen zijn gedaan over de niet verdere vervolging van de verdachte. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat de reikwijdte van deze uitlatingen is geweest en of de verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet alleen niet verder zou worden vervolgd voor de in de transactie genoemde verdenking van witwassen, maar ook voor hetgeen aan hem in de onderhavige zaak ten laste wordt gelegd.
Het hof stelt in dat verband de navolgende feiten en omstandigheden – zoals die blijken uit het procesdossier – vast, waarbij het hof de loop der gebeurtenissen in chronologische volgorde zal behandelen.
11 september 2019: TCI proces-verbaal
Op 11 september 2019 is, na een oordeel te hebben gevormd over de betrouwbaarheid van de informant en over de juistheid van de informatie, de navolgende informatie ter beschikking gesteld aan het hoofd van de financiële recherche van de eenheid Noord-Holland:
“De vader van [verdachte] heeft in zijn woning de beschikking over een crypto wallet met daarop het crimineel verdiende vermogen van [verdachte] . Het vermoeden bestaat dat dit in een kluis in de woning zit.”
en
“ [verdachte] heeft nog steeds betrokkenheid bij het verzenden van drugs via de post.”