Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-05-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1555, 200.339.135_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-05-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1555, 200.339.135_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 mei 2024
Datum publicatie
25 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:1555
Zaaknummer
200.339.135_01

Inhoudsindicatie

Vernietiging faillissement omdat geen sprake is van de toestand van te hebben opgehouden te betalen; Naast aansprakelijkheid voor de eigen schulden van de vennoot is ook sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van deze (in eerste aanleg gehoorde) vennoot voor de schulden van de vof. Die schulden van de vof spelen dan ook een rol in de beoordeling van dit door deze vennoot ingestelde hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak: 2 mei 2024

Zaaknummer: 200.339.135/01

Zaaknummers 1ste aanleg [appellant 1] : C/01/401466 / FT RK 24/80 (rekestnummer)

[insolventienummer 1] (insolventienummer)

Zaaknummers 1ste aanleg [appellant 2] : C/01/401465 / FT RK 24/79 (rekestnummer)

[insolventienummer 2] (insolventienummer)

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

2. [appellant 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden,

tegen

[geïntimeerde]

gevestigd te [plaats] , Spanje,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2024, waarbij respectievelijk [appellant 1] en [appellant 2] op verzoek van [geïntimeerde] in staat van faillissement zijn verklaard, en [curator] tot curator is aangesteld.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift (met producties), ingekomen ter griffie op 20 maart 2024, hebben appellanten verzocht voormelde vonnissen van faillietverklaring te vernietigen, met het verzoek de behandeling van dit hoger beroep buiten zitting te laten plaatsvinden (gelet op de instemmingen van partijen en het voorkomen van ‘onnodige kosten’ van een zitting).

2.2.

Bij V4 formulier, ingekomen ter griffie op 28 maart 2024, heeft [appellant 2] haar verzoek in hoger beroep ingetrokken.

2.3.

Bij emailbericht van 28 maart 2024 heeft [appellant 1] aanvullend zijn crediteurenlijst verzonden. Volgens hem heeft enkel de Belastingdienst een vordering bij de curator ingediend van € 11.563 preferent ter zake inkomstenbelasting en € 59,-- concurrent ter zake kindgebondenbudget en stemt de Belastingdienst, onder voorwaarde van zekerheidstelling na vernietiging, in met vernietiging van het faillissement. Hij verzoekt het hof nogmaals zijn verzoek in hoger beroep buiten zitting om te behandelen.

2.4.

Bij emailbericht van 29 maart 2024 heeft [appellant 1] benadrukt dat enkel [appellant 2] haar verzoek in hoger beroep heeft ingetrokken, nu de rechtbank zich ten aanzien van [appellant 2] ontvankelijk heeft geacht in het door [appellant 2] ingestelde verzet. [appellant 1] heeft zijn verzoek in hoger beroep niet ingetrokken.

2.5.

Bij brief, ingekomen ter griffie op 3 april 2024, heeft de curator, [curator] , het hof onder meer bericht dat [appellant 2] en (de mede-vennoot) [mede-vennoot] [hierna ook [mede-vennoot] ] tegen hun faillietverklaringen in verzet zijn gegaan en dat beide faillissementen op 28 maart 2024 zijn vernietigd. Thans resteert nog enkel het faillissement van [appellant 1] . In het kader van het geslaagde verzet van [appellant 2] en [mede-vennoot] is de schuld van de aanvrager [geïntimeerde] inmiddels voldaan. De enige schuldeiser van [appellant 1] is de Belastingdienst, en daarmee heeft [appellant 1] een regeling getroffen. Ook de curator heeft het hof verzocht om buiten zitting op het hoger beroep van [appellant 1] te beslissen, nu ook de (volledig betaalde) aanvrager met dit verzoek heeft ingestemd.

2.6.

Bij emailbericht van 3 april 2024 heeft [appellant 1] het hof nogmaals verzocht de behandeling van zijn hoger beroep buiten zitting om te laten plaatsvinden.

2.7.

Bij brief van 4 april 2024 heeft het hof aan partijen en aan de curator - onder meer - bericht dat de toets in hoger beroep een andere is dan in de verzetprocedure. Voorts heeft het hof - alvorens te beslissen of de mondelinge behandeling achterwege kan blijven - de curator de volgende vragen gesteld:

‘ Is u bekend of appellant naast de door u genoemde schuld aan de belastingdienst nog andere crediteuren heeft, al dan niet via de hoofdelijke aansprakelijkheid als voortvloeiend uit de VOF, die al dan niet onbetaald zijn?

Heeft u daar inmiddels – vóór vernietiging van het faillissement van de VOF, waartoe de rechtbank zich bevoegd heeft geacht - onderzoek naar gedaan? Hebben zich in dat kader crediteuren bij u gemeld?’

2.8.

Bij emailbericht van 10 april 2024 heeft [appellant 1] aanvullend toegelicht dat de Belastingdienst heeft ingestemd met een regeling en met de vernietiging van het faillissement van [appellant 1] , indien [appellant 1] direct na de vernietiging van de faillietverklaring van [appellant 1] de gevraagde zekerheid aan de Belastingdienst verstrekt. [appellant 1] zal dat (na de vernietiging) doen door een hypotheekrecht ten gunste van de Belastingdienst te verstrekken. Voorts bericht [appellant 1] dat de Belastingdienst de vordering op [appellant 2] niet ten aanzien van [appellant 1] ter verificatie heeft ingediend. Hij heeft het hof nogmaals verzocht de faillietverklaring van [appellant 1] buiten zitting om te vernietigen.

2.9.

Bij brief, ingekomen ter griffie op 10 april 2024, heeft de curator het hof bericht welke voorlopig erkende crediteuren hun vorderingen hebben ingediend in het faillissement van [appellant 2] . Volgens de curator hebben deze crediteuren, op de Belastingdienst na, hun vorderingen niet ook in het faillissement van [appellant 1] ingediend. De curator heeft de voorlopig erkende crediteuren van [appellant 2] niet ook uit eigen beweging op de lijst van voorlopig erkende crediteuren van [appellant 1] geplaatst.

2.10.

Bij brief van 11 april 2024 heeft het hof aan beide partijen en de curator bericht dat het hof nog steeds aanleiding ziet het hoger beroep op de reeds geplande zitting te behandelen, hetgeen ook past bij de aard van de zaak en de in dat kader spelende openbare orde.

2.11.

Bij brief van 15 april 2024 heeft [geïntimeerde] bericht dat haar vordering volledig is voldaan, zodat er geen enkele grond meer is om zich tegen de vernietiging van de faillietverklaring van [appellant 1] te verzetten. Zij stemt dan ook uitdrukkelijk in met vernietiging van het onderhavig faillissement door het hof.

2.12.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant 1] en zijn partner [mede-vennoot] , bijgestaan door mr. Van Brunschot-van der Sanden;

- [curator] , de curator.

Namens [geïntimeerde] is niemand verschenen.

2.13.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 12 maart 2024 naar aanleiding van de faillissementsaanvragen van [geïntimeerde] tegen [appellant 2] en [appellant 1] ;

- het vonnis in verzet van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2024, waarbij het verzet van [appellant 2] en van [mede-vennoot] tegen hun faillissementen gegrond is verklaard en de betreffende faillissementen zijn vernietigd, als door het hof zelf opgevraagd en met de aanwezigen besproken;

- de na de zitting ingekomen stukken van de zijde van [appellant 1] van 23 april 2024 (toelichting en bijlagen) en – naar aanleiding van vragen van het hof van 23 april 2024 – de reactie van 25 april 2024 (nadere toelichting en bijlagen);

- De reactie van de curator van 24 april 2024 plus bijlagen;

- het salarisvoorstel van de curator ter hoogte van € 8.477,76 (inclusief BTW).

3 De beoordeling

4 De uitspraak