Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-05-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1592, 22/1489 tot en met 22/1494

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-05-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1592, 22/1489 tot en met 22/1494

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
8 mei 2024
Datum publicatie
23 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:1592
Zaaknummer
22/1489 tot en met 22/1494

Inhoudsindicatie

Het verzoek om uitstel van de zitting vanwege een gesteld verblijf van gemachtigde in het buitenland is afgewezen, omdat het verzoek niet is onderbouwd. Vervolgens heeft de gemachtigde bewijsstukken gestuurd, waaruit volgt dat hij pas een verblijf in het buitenland heeft geboekt nadat de uitnodiging voor de zitting is ontvangen. Dit verzoek is om die reden afgewezen. Daarbij heeft het hof betrokken dat de gemachtigde, ondanks expliciet verzoek, geen verhinderdata heeft genoemd, zodat het doorplannen onmogelijk was, en het hof, gelet op de grote hoeveelheid hoger beroepen en verzetzaken die door de gemachtigde zijn ingediend en zijn beperkte beschikbaarheid voor zittingen, genoodzaakt is tot een efficiënte(re) van deze zaken.

Het hoger beroep tegen de WOZ-beschikkingen is ongegrond. Belanghebbende heeft slechts algemene, niet nader met stuken onderbouwde stellingen geponeerd.

Uitspraak

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummers: 22/1489 tot en met 22/1494

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummers ROE 21/2350 tot en met 21/2355, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van onder meer de volgende onroerende zaken (hierna: de onroerende zaken) , allen gelegen te [vestigingsplaats] , vastgesteld:

  1. [adres 1] BU08 (22/1489)

  2. [adres 1] BU01 (22/1490)

  3. [adres 1] BU02 (22/1491)

  4. [adres 1] BU09 (22/1492)

  5. [adres 1] BU10 (22/1493)

  6. [adres 1] BU03 (22/1494)

Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen (eigenaar) en watersysteemheffing (eigenaar) voor het jaar 2021 (hierna: de aanslagen) bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in één geschrift uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar deels gegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken - waaronder herhaaldelijke uitstelverzoeken - ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.

1.6.

Belanghebbende heeft op 24 april 2024 de wraking verzocht van de behandelend raadsheer. Bij uitspraak van 24 april 2024 heeft de wrakingskamer van het hof het verzoek om wraking niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Namens belanghebbende is niemand verschenen.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. De onroerende zaken zijn opslaghallen/ units met kantoorruimtes, gelegen in een in 1993 gerealiseerd bedrijfspand. De onroerende zaken bevinden zich op bedrijventerrein [bedrijventerrein] en hebben de volgende vloeroppervlaktes:

22/01489

[adres 1] BU08

opslaghal 365 m2 en kantoor 186 m2

22/01490

[adres 1] BU01

opslaghal 250 m2 en kantoor 100 m2

22/01491

[adres 1] BU02

opslaghal 250 m2 en kantoor 100 m2

22/01492

[adres 1] BU09

opslaghal 250 m2

22/01493

[adres 1] BU10

opslaghal 250 m2 en kantoor 100 m2

22/01494

[adres 1] BU03

opslaghal 750 m2 en kantoor 300 m2

2.2.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaken per de waardepeildatum 1 januari 2020 als volgt vastgesteld:

22/01489

[adres 1] BU08

€ 206.000

22/01490

[adres 1] BU01

€ 145.000

22/01491

[adres 1] BU02

€ 145.000

22/01492

[adres 1] BU09

€ 87.000

22/01493

[adres 1] BU10

€ 145.000

22/01494

[adres 1] BU03

€ 385.000

2.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de waarde van de objecten [adres 1] BU08 en BU03 ongegrond en het bezwaar tegen de waarde van de objecten [adres 1] BU01 , BU02, BU09 en BU010 gegrond verklaard. De waarde van de onroerende zaken na uitspraak op bezwaar luiden als volgt:

22/01489

[adres 1] BU08

€ 206.000

22/01490

[adres 1] BU01

€ 128.000

22/01491

[adres 1] BU02

€ 128.000

22/01492

[adres 1] BU09

€ 76.000

22/01493

[adres 1] BU10

€ 128.000

22/01494

[adres 1] BU03

€ 385.000

2.4.

Belanghebbende is in de bezwaarfase gehoord en heeft naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar een kostenvergoeding van (2 punten1 x € 265 is) € 530 gekregen. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem beschikte waarde verwezen naar het door hem overgelegde taxatierapporten van 25 januari 2022, opgemaakt door [taxateur] , taxateur. In de rapporten zijn de waarden van de onroerende zaken bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. De taxateur heeft de onroerende zaken ter plaatse opgenomen en heeft de gebruikte huurprijzen per m2 gebaseerd op de huurcijfers van de gelijksoortige objecten [adres 2] 60 en [adres 3] 10 te [plaats] en [adres 4] 92 te [vestigingsplaats] . Hij heeft de kapitalisatiefactoren enerzijds met marktgegevens (de top-down methode) en anderzijds volgens algemene normen uit de regio (de bottom-up methode) berekend. Aan de hand van de verkochte opslagobjecten [adres 2] 67, [adres 5] 10 en [adres 7] 108 te [plaats] (voor de objecten BU08, BU02, BU09, BU10 en BU03) dan wel [adres 2] 67 en [adres 5] 10 te [plaats] en [adres 6] 37 te [vestigingsplaats] (voor het object BU01) volgt voor alle onroerende zaken een kapitalisatiefactor van 8,1. Uit de bottom-up benadering volgt eveneens voor alle onroerende zaken een kapitalisatiefactor van 8,1. Daarbij is uitgegaan van een leegstandsrisico van 20,5%, gebaseerd op de structurele leegstand in de gemeente op de waardepeildatum van objecten met een vergelijkbare functie. Het opslagrisico heeft de taxateur met toepassing van de tabel ‘Risico-opslag’ uit de ‘Taxatiewijzer en kengetallen, deel 24, Huurwaardekapitalisatie’ op 8,5% ingeschat.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil (i) of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaken te hoog heeft vastgesteld en (ii) of de heffingsambtenaar de kostenvergoeding in bezwaar te laag heeft vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de vastgestelde waardes en verhoging van de door de heffingsambtenaar vastgestelde kostenvergoeding voor bezwaar.

3.3.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing