Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-03-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:822, 20-003008-22

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-03-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:822, 20-003008-22

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 maart 2024
Datum publicatie
13 maart 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:822
Formele relaties
Zaaknummer
20-003008-22

Inhoudsindicatie

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en huisvredebreuk. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen. Het hof neemt tevens beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en de vorderingen tot tenuitvoerlegging. Overwegingen omtrent de rechterlijke responsieplicht ex 359 lid 2 Sv en overwegingen omtrent het bestanddeel 'wederrechtelijk binnendringen' in de delictsomschrijving van huisvredebreuk.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003008-22

Uitspraak : 11 maart 2024

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 december 2022, parketnummer 02-199397-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met parketnummers 01-203889-19, 08-111877-18, 08-216802-20, 05-285497-19, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

thans uit anderen hoofde verblijvende in de P.I. Lelystad.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mishandeling’ (feit 1) en ‘in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest voor deze zaak. De politierechter heeft de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 08-216802-20 en 01-203889-19 afgewezen, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 08-111877-18 en de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijke straf – te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand – welke is opgelegd in de zaak met parketnummer 05-285497-19. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel toegewezen tot een bedrag van € 827,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2022 tot aan

de dag der algehele voldoening en heeft de verdachte veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. De politierechter heeft ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft bepaald dat bij niet betaling 16 dagen gijzeling kan worden toegepast. Tot slot heeft de politierechter het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 05-285497-19, 01-203889-19 en 08-216802-20 zal toewijzen en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 08-111877-18.

Door en namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Het gevolg daarvan moet zijn dat ook de benadeelde partij niet ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd en is bepleit dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 05-285497-19, 01-203889-19 en 08-216802-20 dienen te worden afgewezen en het Openbaar Ministerie in de vordering met parketnummer 08-111877-18 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Daarnaast zal het hof een andere beslissing nemen met betrekking tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 7 augustus 2022 te Breda [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op de kaak, althans het gezicht/hoofd, te stompen;

2.hij op of omstreeks 7 augustus 2022 te Breda in de woning, gelegen aan [adres] (nummer [adres] ), bij een ander, te weten bij [aangever] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.hij op 7 augustus 2022 te Breda [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen, met kracht, tegen het gezicht, te stompen;

2.hij op 7 augustus 2022 te Breda in de woning, gelegen aan [adres] (nummer [adres] ), bij een ander, te weten bij [aangever] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Baronie, basisteam Markdal, registratienummer PL2000-2022209209, gesloten d.d. 9 augustus 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 35). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Feit 1 (mishandeling [slachtoffer] )

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 3-4), voor zover als inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] :

omschrijving aangifte: eenvoudige mishandeling

plaats delict: [adres]

pleegdatum/tijd: op zondag 7 augustus 2019 om 22:19 uur.

Vandaag op 7 augustus 2022 was ik bij een goede vriendin 'op de koffie'. Dit was aan [adres] . Mijn vriendin is [aangever] (het hof begrijpt: roepnaam [aangever] ) . Omstreeks 22:15 uur heb ik het zoontje van [aangever] de fles gegeven en op bed gelegd. Toen ik hem in bed legde zag ik dat de deur van de kledingkast langzaam open ging. (...) Ik zag dat de ex-vriend van [aangever] uit de kast stapte. Ik herkende hem als ex van [aangever] , ik heb hem wel vaker gezien. (...) Ik hoorde hem zeggen: 'blijf van mijn kind af'. (...) Ik zag dat hij zijn rechtervuist balde en zijn armspieren aanspande. (...) Hierna riep hij tegen mij dat ik het huis uit moest. Kort hierna zag en voelde ik dat hij mij met zijn gebalde rechter vuist hard tegen mijn rechter kaak sloeg. Ik voelde dat dit gelijk erg zeer deed. Vervolgens bleef hij mij met gebalde vuisten slaan.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 5-6), voor zover als inhoudende de verklaring van aangever [aangever] , adres [adres]

Plaats delict: [adres]

"Ik doe aangifte (--) tegen mijn ex, [verdachte] (het hof begrijpt : [verdachte] ).

Gisteravond, 7 augustus 2022, rond 22.00 kwam ik terug in mijn woning. (...) Rond 22.00 uur was ik dus thuis en kwam [verdachte] ineens uit de kast (het hof begrijpt: in de woning aan [adres]). Een jongen (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) was een fles aan het geven aan ons kind (het hof begrijpt: het kind van aangeefster en de verdachte).

(...)

Nu waren twee goede vrienden van mij, [slachtoffer] (het hof begrijpt : [slachtoffer]) en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) in de woning. (...) Hij (het hof begrijpt: de verdachte) heeft uiteindelijk [slachtoffer] flink geslagen. [verdachte] heeft hem een aantal keer met zijn vuist geslagen.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 10-11), voor zover als inhoudende de verklaring van getuige [aangever] , adres [adres] :

Op zondag 7 augustus 2022, omstreeks 22.00 uur, ging ik samen met twee vrienden

genaamd [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) en [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) mijn woning aan [adres] (hof: te Breda) binnen. (...) Ik zag dat [verdachte] ( het hof begrijpt: [verdachte] )

uit de kast stapte. (...) [verdachte] werd boos en stapte op [slachtoffer] af. Ik zag dat [verdachte] met een gebalde, rechter vuist richting het gezicht van [slachtoffer] uithaalde (...) Ik zag dat de vuist van [verdachte] het gezicht van [slachtoffer] raakte. Ik zag dat [verdachte] , [slachtoffer] drie keer op deze wijze sloeg.

4. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 26 februari 2024, voor zover als inhoudende de verklaring van de verdachte ter terechtzitting:

Het klopt dat ik op 7 augustus 2022 omstreeks 22:15 uur in de woning aan [adres] in de kast ben gaan zitten. Ik ben op een gegeven moment uit die kast gekomen en zag dat er meerdere mensen aanwezig waren in de woning.

Feit 2 (wederrechtelijk binnendringen in de woning aan [adres] )

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 5-6), voor zover als inhoudende de verklaring van aangever [aangever] , adres [adres] :

Plaats delict: [adres]

Feit: huisvredebreuk.

Ik doe aangifte van huisvredebreuk (...) tegen mijn ex, [verdachte] .

(...)

Gisteravond, 7 augustus 2022, rond 22.00 uur kwam ik terug in mijn woning. (...) Rond 22.00 uur was ik dus thuis en kwam [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]) ineens uit de kast (het hof begrijpt: in de woning aan [adres]).

(...)

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 10-11), voor zover als inhoudende de verklaring van getuige [aangever] :

Op zondag 7 augustus 2022, omstreeks 22.00 uur, ging ik samen met twee vrienden genaamd [betrokkene 1] en [slachtoffer] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] en [slachtoffer] ) mijn woning aan [adres] (het hof begrijpt: te Breda) binnen.

Ik had beiden gevraagd deze nacht bij mij te slapen omdat mijn ex-vriend, [verdachte] , gedreigd had naar mijn woning te komen. Mijn ex-vriend en ik zijn nu een paar weken uit elkaar. (...) [verdachte] staat niet bij mij op het adres ingeschreven.

Ik was bezig een stoel klaar te maken om in te slapen. (...) In deze ruimte, tegen de rechter muur en naast het bedje van ons kind stond een donker grijze kast met schuifdeuren. Op een zeker moment ging de kastdeur een beetje open. (...) De kast opende vervolgens volledig. Ik zag dat [verdachte] uit de kast stapte. Ik schrok omdat ik niet wist dat [verdachte] überhaupt in mijn woning was en dus blijkbaar nog een sleutel had van mijn woning. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Jullie gaan hier niet slapen!".

3. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 26 februari 2024, voor zover als inhoudende de verklaring van de verdachte ter terechtzitting:

Het klopt dat ik op 7 augustus 2022 in de woning aan [adres] in de kast ben gaan zitten. Ik ben op een gegeven moment uit die kast gekomen en zag en hoorde dat er meerdere mensen aanwezig waren in de woning. Ik sta daar niet ingeschreven en woon zelf op een ander adres.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

i. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer] , [betrokkene 2] en [aangever]

Namens de verdachte is door zijn raadsvrouw (in de kern) aangevoerd dat er tegenstrijdigheden zitten in de verklaringen van [slachtoffer] , [betrokkene 2] en [aangever] . In het verlengde daarvan is aangevoerd dat de raadsvrouw ‘zich afvraagt’ of deze verklaringen vanwege die tegenstrijdigheden als bewijs kunnen worden gebruikt en heeft de raadsvrouw verzocht ‘kritisch te kijken’ naar de verklaringen en de verdachte vrij te spreken vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs.

Het hof stelt voorop dat teneinde de responsieplicht ex artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van de strafrechter omtrent de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de getuigenverklaringen uit te lokken, de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet innemen. Dat standpunt moet duidelijk zijn, door argumenten zijn geschraagd en moet worden voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Naar het oordeel van het hof is aan de aan dat verweer te stellen vereisten niet voldaan, nu dat standpunt in ieder geval niet is voorzien van een ondubbelzinnige – voor de beoordeling van een van de vragen als bedoeld in artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering – conclusie. Zo is slechts verzocht ‘kritisch te kijken’ naar de verklaringen en is verzocht om vrijspraak vanwege onvoldoende overtuigend bewijs. In zoverre is de betrouwbaarheid en daardoor de bruikbaarheid van de verklaringen niet uitdrukkelijk betwist.

Hoewel het verweer van de raadsvrouw niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten overweegt het hof ambtshalve dat de verklaringen van [aangever] en [slachtoffer] in de kern op hetzelfde neerkomen, te weten dat de verdachte op enig moment uit de kast die in de woning van [aangever] stond is gekomen en [slachtoffer] met gebalde vuist een aantal keer in het gezicht heeft geslagen. Inconsistenties in die verklaringen – wat daar ook van zij - zijn naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang en mede gelet op de aard en ingrijpendheid van het bewezenverklaarde invoelbaar. Daarnaast heeft het hof geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van genoemde personen, zodat het hof deze verklaringen tot het bewijs zal bezigen. Ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 2] merkt het hof nog op dat deze verklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd zodat die verklaring, ook ambtshalve, geen verdere bespreking behoeft.

Verweer met betrekking tot het ‘ontlastende’ proces-verbaal van bevindingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft tevens aangevoerd dat er in het dossier een ontlastend bewijsmiddel aanwezig is, in de vorm van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2022, van verbalisant [verbalisant 2] (dossierpagina 18). Naar de stelling van de raasvrouw zou uit voornoemd proces-verbaal volgen dat er geen sporen zijn van mishandeling, welke stelling kennelijk ten grondslag is gelegd aan het vrijspraakverweer van de verdediging.

Het hof constateert dat voornoemde verbalisant in de woning geen gewonden heeft gezien noch ‘sporen van mishandeling’. Het hof overweegt in dat verband dat het enkele achterwege blijven van die ‘sporen’ – wat deze ook moge zijn – niet zonder meer betekent dat er derhalve geen mishandeling is geweest. Dat geldt ook onverkort met betrekking tot de afwezigheid van fysiek waarneembaar letsel. In dat verband overweegt het hof dat in mishandeling tevens besloten ligt dat daarvan sprake is indien er pijn is opgelopen.

Het hof volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] voormeld als ontlastend moet worden aangemerkt. Het verweer van de verdediging wordt verworpen, te meer nu dit verweer met betrekking tot het bewijs van mishandeling zijn weerlegging vindt in de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.

Verweer met betrekking tot het wederrechtelijk binnendringen

Door de raadsvrouw van de verdachte is tenslotte vrijspraak bepleit voor het tenlastegelegde wederrechtelijk binnendringen, nu de verdachte toestemming had om in de woning te zijn en tevens in het bezit was van een sleutel van de woning.

Het hof stelt in dat verband voorop dat van wederrechtelijk binnendringen in beginsel sprake is indien dit ‘tegen de wil van de rechthebbende’ (vgl. HR 6 juli 2010, NJ 2010/426 en HR 30 november 2010, NJ 2013/543), of ‘zonder toestemming van de rechthebbende’ (vgl. HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1748) geschiedt. De wijze van binnendringen zal vaak van betekenis zijn voor de vraag of dat tegen de wil van de rechthebbende geschiedde (vgl. HR 16 december 1969, NJ 1971/96).

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich in een kast in de woning van aangeefster , waar hij zelf niet woonde noch stond ingeschreven, heeft verscholen, zonder dat zij daar weet van had. Aangeefster verklaart in haar – tot het bewijs gebezigde – verklaring ook dat aan niemand het recht of de toestemming werd gegeven tot het plegen van het feit. Het enkele feit dat de verdachte in het bezit was van de sleutel van de woning - waarvan de aangeefster blijkens haar verklaring kennelijk ook niet op de hoogte was - maakt dat niet anders. Naar het oordeel van het hof is er gelet op de verklaring van aangeefster alsmede de wijze waarop de verdachte zich in de woning heeft verstopt, sprake van het wederrechtelijk binnendringen in die woning.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen, te meer nu dit verweer zijn weerlegging vindt in de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

BESLISSING

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]