Hoge Raad, 14-01-1983, AG4523 AC3373, 12040
Hoge Raad, 14-01-1983, AG4523 AC3373, 12040
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 januari 1983
- Datum publicatie
- 9 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1983:AG4523
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:1983:AG4523
- Zaaknummer
- 12040
Inhoudsindicatie
1. Arbeidsovereenkomst met buitenlandse werknemer. Beeindiging met wederzijds goedvinden? Onderzoeksplicht.
2. Regels van goede procesorde en feiten die eerst bij pleidooi zijn gesteld.
Uitspraak
14 januari 1983
Eerste Kamer
Nr. 12.040
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,
PD - HR 8/4/1982,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. de vennootschap onder firma [verweerster 3] ,
gevestigd te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 28 januari 1980 heeft [eiser] zich gewend tot de Kantonrechter te Gouda en de betaling gevorderd van f 1.614, -- per maand netto, vanaf 17 december 1979, benevens vakantietoeslag van 8% over die periode, de wettelijke verhoging en de rente met ingang van 21 december 1979.
Nadat [verweerder 1] c.s. tegen die vordering verweer hadden gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 4 september 1980 [verweerder 1] c.s. toegelaten te bewijzen dat de dienstbetrekking van partijen op 11 juli 1979 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Tegen dit vonnis hebben [verweerder 1] c.s. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.
Bij vonnis van 27 november 1981 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder 1] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Franx strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot bekrachtiging van het vonnis van de Kantonrechter te Gouda van 4 september 1981.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De Hoge Raad begrijpt de negende rechtsoverweging van het vonnis van de Rechtbank aldus, dat de Rechtbank zich daarin uitsluitend bezig houdt met de vraag of het zin heeft [eiser] toe te laten tot het bewijs dat hij vanuit Marokko bericht zou hebben gezonden aan [verweerder 1] omtrent zijn ziekte, welke vraag de Rechtbank ontkennend beantwoordt op grond van de overweging dat een dergelijke ziektemelding nog niet voldoende duidelijk zou wijzen op wat [eiser] ermee wilde aantonen, namelijk het ontbreken van zijn wil tot beëindiging van het dienstverband bij de ondertekening van het hem op 11 juli 1979 voorgelegde stuk. Blijkens de volgende rechtsoverwegingen heeft de Rechtbank hiermee niet bedoeld te beslissen dat [eiser] 's wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst was komen vast te staan. Het in onderdeel 1 van het middel aangegeven uitgangspunt voor de volgende onderdelen is derhalve in zoverre juist.
3.2 Onderdeel 2 keert zich met verschillende klachten tegen de overwegingen van de Rechtbank betreffende de betekenis van de door [eiser] ondertekende afrekening voor de vraag of [verweerder 1] had moeten begrijpen dat [eiser] deze niet als een eindafrekening heeft gezien, zodat zijn handtekening ook niet zou kunnen wijzen op zijn instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (rechtsoverwegingen 17 en 18, eerste helft) .
In de betreffende overwegingen heeft de Rechtbank niet méér beslist dan dat [verweerder 1] uit de daar vermelde omstandigheden op zichzelf niet heeft kunnen afleiden dat [eiser] de afrekening niet als een eindafrekening beschouwde. Voor zover het onderdeel in deze overwegingen meer wil lezen, mist het feitelijke grondslag, terwijl het overigens tevergeefs opkomt tegen een niet onbegrijpelijk oordeel van feitelijke aard. Hierbij verdient nog opmerking dat het er voor de Rechtbank in rechtsoverweging 17 niet om ging, vast te stellen dat op grond van het daar overwogene [eiser] had moeten begrijpen dat het om een eindafrekening ging.
De klacht onder 2-c, dat de Rechtbank in strijd met art. 48 Rv. de feitelijke gronden zou hebben aangevuld, faalt eveneens. Bij haar oordeel dat [verweerder 1] niet behoefde te begrijpen dat [eiser] de afrekening niet als een eindafrekening beschouwde, mocht de Rechtbank rekening houden met het bestaan van de regel van artikel 1638ii BW, ook al was door [verweerder 1] op die regel geen beroep gedaan.
3.3 De in de eerste helft van subonderdeel 3-a vervatte klacht kan evenmin tot cassatie leiden. In het door [verweerder 1] gedane beroep op de ondertekening door [eiser] van de verklaring met afrekening van 11 juli 1979 heeft de Rechtbank kennelijk besloten geacht de stelling van [verweerder 1] dat deze op grond van die ondertekening mocht vertrouwen dat [eiser] met de in de verklaring geformuleerde beëindiging van de arbeidsovereenkomst instemde.
De subsidiaire klacht van 3-a faalt om dezelfde redenen als waarom de klachten van onderdeel 2 falen.
3.4 De klacht van onderdeel 3-b, als uitgewerkt in onderdeel 3-c, is echter gegrond. Blijkens de rechtsoverwegingen 17 en 18 heeft de Rechtbank voor de vraag of door de ondertekening door [eiser] van de verklaring van 11 juli 1979 een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tot stand was gekomen, beslissend geacht of [verweerder 1] uit de ondertekening van de afrekening onder die verklaring niet zou hebben kunnen afleiden dat [eiser] niet akkoord ging met de afrekening als eindafrekening (en dus ook met beëindiging van de arbeidsovereenkomst) . Daarmee heeft de Rechtbank echter een onjuist criterium aangelegd. Wanneer, zoals hier, een werkgever aan een buitenlandse werknemer een verklaring die tevens een afrekening bevat, ter tekening voorlegt met het doel aldus tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te geraken, dan is het, wil hij de werknemer aan een zodanige beëindiging kunnen houden, niet voldoende dat hij uit de bereidheid van de werknemer tot het plaatsen van zijn handtekening onder de afrekening in de gegeven omstandigheden niet heeft kunnen afleiden dat deze niet akkoord ging met beëindiging. De werkgever zal er zich met redelijke zorgvuldigheid van moeten vergewissen, of de werknemer heeft begrepen dat zijn instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt gevraagd. Ook als [eiser] van dichtbij heeft meegemaakt dat andere Marokkaanse werknemers in het bedrijf van [verweerder 1] onder beëindiging van de dienstbetrekking voor enige maanden met vakantie naar Marokko zijn gegaan, onthief dat [verweerder 1] niet van bedoelde verplichting.
3.5 Subonderdeel 3-d klaagt erover, dat de Rechtbank in rechtsoverweging 20 mede aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd een "onbestreden gebleven" stelling van [verweerder 1] , die deze pas bij pleidooi in appel voor het eerst heeft aangevoerd. Deze klacht faalt. Wel brengen regels van goede procesorde mee dat de rechter feiten die eerst bij pleidooi zijn gesteld, terzijde kan laten op de grond dat de tegenpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren of dat zij een nader onderzoek nodig zouden maken waarvoor het geding geen gelegenheid meer biedt, maar er is geen reden aan te nemen dat de Rechtbank deze mogelijkheid zou hebben miskend, terwijl het niet gebruik maken ervan ook niet gemotiveerd behoefde te worden. Of de betreffende stelling van [verweerder 1] was opgenomen in een pleitnota en of deze dan tot de processtukken kan worden gerekend, doet voor de vraag of de Rechtbank met de bij pleidooi aangevoerde stelling rekening mocht houden niet ter zake.
3.6 Subonderdeel 4 is gebaseerd op de opvatting dat in een situatie als de onderhavige de werkgever de werknemer alleen dan aan diens - met zijn werkelijke wil niet overeenstemmende - verklaring mag houden, wanneer deze werkgever in gerechtvaardigd vertrouwen op die verklaring iets heeft gedaan of nagelaten, waaruit voor hem bij ongedaanmaking van de beëindiging van het dienstverband enig relevant nadeel zou zijn ontstaan. Aldus wordt echter miskend dat in geval van een tweezijdige rechtshandeling tot beëindiging van de wederzijdse verplichtingen uit een wederkerige overeenkomst, de bescherming van het gerechtvaardigde vertrouwen van de ene partij in de wilsverklaring van de andere partij niet van een dergelijke voorwaarde afhangt.
3.7 De gegrondheid van de subonderdelen 3-b en c brengt mee, dat het vonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven en dat verwijzing dient te volgen teneinde het bestaande hoger beroep op de grondslag van de grieven opnieuw te beoordelen.
4. Beslissing
De Hoge Raad :
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 27 november 1981;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder 1] in de kosten van het geding in cassatie, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] worden begroot op f 2.456,85 waarvan te betalen
1. aan de deurwaarder A.J.M. Rost te Gouda, wegens dagvaardingskosten: f 135,10,
2. aan de Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden de ingevolge artikel 863 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in debet gestelde griffierechten ten bedrage van f 150, -- ,
3. aan de deurwaarder H. Hermans te 's-Gravenhage, wegens afroepgelden ter rolle: f 21,75,
4. aan de advocaat Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt: f 2.150, -- , waarvan f 2.000, -- voor salaris en f 150, -- aan verschotten.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter, de vice-president Drion, en de raadsheren Haardt, Martens en Van den Blink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 14 januari 1983.