Home

Hoge Raad, 16-06-2000, AA6233, C98/300HR

Hoge Raad, 16-06-2000, AA6233, C98/300HR

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juni 2000
Datum publicatie
13 augustus 2001
Annotator
ECLI
ECLI:NL:HR:2000:AA6233
Formele relaties
Zaaknummer
C98/300HR

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

16 juni 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/300HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de stichting STICHTING SINT WILLIBRORD PSYCHIATRISCH CENTRUM,

gevestigd te Heiloo,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: voorheen mr. T.H. Tanja-van den Broek

thans mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 17 december 1984 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Sint Willibrord - gedagvaard voor de Rechtbank te Alkmaar en gevorderd, Sint Willibrord te veroordelen om aan [verweerder] ƒ 440.771,-- te betalen.

Sint Willibrord heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 april 1987 [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 12 januari 1989 de vordering van [verweerder] afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Hij heeft zijn vordering verminderd tot een bedrag van ƒ 384.028,04.

Na twee tussenarresten van 6 februari 1992 en 27 mei 1993 heeft het Hof bij tussenarrest van 18 mei 1995 een deskundigenonderzoek bevolen en daartoe vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft het Hof bij tussenarrest van 27 februari 1997 een nader deskundigenonderzoek bevolen. Bij eindarrest van 25 juni 1998 heeft het Hof beide bestreden vonnissen vernietigd en opnieuw rechtdoende Sint Willibrord veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 384.011,31 met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 april 1984 en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De arresten van het Hof van 27 februari 1997 en 25 juni 1998 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de twee laatstvermelde arresten van het Hof heeft Sint Willibrord beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Sint Willibrord heeft bij op 31 maart 2000 bij de Hoge Raad ingekomen brief op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.

[De patiënt] is op 10 september 1982 op vrijwillige basis opgenomen in het door Sint Willibrord geëxploiteerde psychiatrisch centrum. Hij zou op 17 november 1982 worden ontslagen. In de nacht van 16 op 17 november 1982 verbleef [de patiënt] buiten de inrichting. Hij is die nacht, na een telefonisch contact, naar de inrichting gekomen waar hij met het verpleegkundig nachthoofd en twee andere verpleegkundigen heeft gesproken. [De patiënt] was toen dronken. Hij heeft te kennen gegeven terug te willen naar zijn hotel. De verpleegkundigen hebben vastgesteld dat hij een sleutel van zijn hotelkamer had, alsmede een bewijs van inschrijving en betaling. [De patiënt] is per taxi vertrokken. Hij is niet naar het hotel waar hij zich had ingeschreven gegaan, maar naar een ander hotel. Dit bleek te zijn gesloten. [De patiënt] heeft daarop aangebeld bij het huis van [verweerder]. Diens zoon heeft de voordeur geopend, waarop [de patiënt] het huis is binnengegaan. [De patiënt] heeft het huis enige tijd later in brand gestoken.

[Verweerder] heeft hierdoor schade geleden die slechts gedeeltelijk door verzekering was gedekt.

3.2 [Verweerder] heeft in dit geding veroordeling van Sint Willibrord gevorderd tot vergoeding van de door hem geleden schade ten bedrage van ƒ 440.071,--. De Rechtbank heeft bij haar eindvonnis de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft [verweerder] zijn vordering verminderd tot ƒ 384.028,04. Het Hof heeft, na bij zijn arrest van 6 februari 1992 te hebben geoordeeld dat het noodzakelijk was dat een deskundigenbericht zou worden ingewonnen, bij zijn arrest van 18 mei 1995 een deskundige benoemd. Nadat de deskundige de hem voorgelegde vragen had beantwoord heeft het Hof bij zijn arrest van 27 februari 1997 aanvullende vragen gesteld. Nadat de deskundige ook deze vragen had beantwoord, heeft het Hof bij zijn eindarrest Sint Willibrord veroordeeld tot betaling van ƒ 384.011,31. Daartoe heeft het Hof, kort weergegeven, geoordeeld dat de verpleegkundigen in dienst van Sint Willibrord niet hebben gehandeld met de zorgvuldigheid die van redelijk handelende verpleegkundigen in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Het verweer van Sint Willibrord dat causaal verband tussen dit handelen van de verpleegkundigen en de brand ontbreekt, heeft het Hof verworpen.

Het middel keert zich tegen ’s Hofs tussenarrest van 27 februari 1997 en tegen zijn eindarrest. Het bestrijdt uitsluitend de overwegingen met betrekking tot het causaal verband tussen het handelen van de verpleegkundigen en de brand.

3.3 Onderdeel A 1.a verwijt het Hof dat het in rechtsoverweging 2.12 van zijn arrest van 27 februari 1997 zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of de door [verweerder] geleden schade aan Sint Willibrord is toe te rekenen, van belang is of een psychiater, indien door de verpleging geraadpleegd, zou hebben besloten [de patiënt] te laten vertrekken, en dat het Hof van dit eindoordeel is afgeweken in rov. 4.5 van zijn eindarrest waar het overweegt dat, nu vaststaat dat geen onderzoek door een psychiater heeft plaatsgehad, het gegeven dat de schade mogelijk toch was ontstaan indien een dergelijk onderzoek wel had plaatsgehad, de toerekening van de onderhavige schade aan Sint Willibrord niet uitsluit. Het onderdeel berust op de opvatting dat het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof in zijn arrest van 27 februari 1997 een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was en dat het het Hof niet vrijstond daarop bij zijn eindarrest terug te komen.

Het onderdeel faalt omdat het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat het in rechtsoverweging 2.12 van het arrest van 27 februari 1997 neergelegde oordeel niet een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel inhield. Dit kan, nu het Hof aldus een eerder in deze zaak gewezen eigen arrest uitlegde, als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.

3.4 Ook onderdeel A 1.b. gaat ervan uit dat het Hof in zijn rov. 4.5 van het eindarrest is teruggekomen op een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel in zijn arrest van 27 februari 1997. Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen volgt dat zulks niet het geval is. Het onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel A 2. bestrijdt ’s Hofs oordeel in rov. 4.5 van zijn eindarrest. Het onderdeel strekt ten betoge dat in een geval als het onderhavige, waarin één of meer verplegers van een psychiatrische inrichting een fout op verpleegkundig vlak maken, terwijl niet is uitgesloten dat ook zonder deze fout de later ingetreden schade zou zijn veroorzaakt, rechtens pas tot aansprakelijkheid voor de schade kan worden geconcludeerd, wanneer is aangetoond en vastgesteld dat de schade als gevolg van de fout is ingetreden, althans dat er sprake is van een aanmerkelijke of gerede kans dat de schade als gevolg van de fout is ingetreden. Het onderdeel faalt omdat het miskent dat, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 26 januari 1996, nr. 15893, NJ 1996, 607, indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan.

3.6 De beide subonderdelen van onderdeel B zijn gericht tegen ’s Hofs oordeel in zijn rov. 4.6 van zijn eind-arrest dat de door Sint Willibrord als 'hoogst uitzonderlijke en ongewone samenloop van toevalligheden' gekwalificeerde gang van zaken niet zodanig onwaarschijnlijk is dat de schade in redelijkheid niet meer aan Sint Willibrord kan worden toegerekend.

Het Hof heeft kennelijk aangenomen dat de verpleegkundigen in dienst van Sint Willibrord, door [de patiënt] te laten gaan, een verhoogd gevaar voor enigerlei schade aan derden in het leven hebben geroepen. Door, daarvan uitgaande, te oordelen als hiervoor is weergegeven, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarop stuiten de klachten van onderdeel B alle af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Sint Willibrord in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.827,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 juni 2000.