Home

Hoge Raad, 04-12-2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, 14/05367

Hoge Raad, 04-12-2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, 14/05367

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 december 2015
Datum publicatie
4 december 2015
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:3477
Formele relaties
Zaaknummer
14/05367

Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom; handelsnaam. Rol visuele waarneming bij vaststelling verwarringsgevaar. Art. 1019h Rv; kostencompensatie bij afwijzing verzoek? Valt art. 6 Handelsnaamwet onder het toepassingsbereik van art. 1019h Rv? Ambtshalve toetsing proceskosten (art. 237 Rv).

Uitspraak

4 december 2015

Eerste Kamer

14/05367

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[verweerster] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 2743182/251 EJ 14-51 van de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014;

b. de beschikking in de zaak HV 200.145.754/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 september 2014.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep met veroordeling van de wederpartij in de kosten op de voet van art. 1019h Rv.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tot vernietiging van het arrest van het hof voor zover bestreden in onderdeel 1 van het incidenteel cassatieberoep.

De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 1 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

-

i) [verzoekster] drijft sinds december 2003 onder de naam [A] een advocatenkantoor aan de [a-straat] te [plaats] . Vanaf een tijdstip gelegen voor 2010 is zij daarnaast de handelsnaam [verzoekster] gaan gebruiken. Vanaf medio 2013 treedt zij uitsluitend onder die naam naar buiten.

-

ii) Op 1 september 2010 heeft [verweerster] haar advocatenkantoor gevestigd te [plaats] in de nabijheid van het kantoor van [verzoekster] . Aanvankelijk gebruikte [verweerster] voor haar website de domeinnaam www. [B] .nl en als e-mailadres info@ [B] .nl. Na overleg tussen partijen wordt de domeinnaam www. [B] .nl alleen nog gebruikt om gebruikers van zoekmachines via een tussenscherm te leiden naar een website met de domeinnaam www. [C] .nl.

-

iii) [verweerster] gebruikt een logo, bestaande uit de gestileerde hoofdletters [hoofdletters] in het wit op een rode achtergrond, terwijl onder het rode vlak in lichtgrijze letters het onderschrift “ [verweerster] ” staat. Dit logo is door [verweerster] als woord/beeldmerk gedeponeerd.

3.2.1

In dit geding verzoekt [verzoekster] op de voet van art. 6 Hnw [verweerster] te veroordelen tot het zodanig wijzigen en gewijzigd houden van haar handelsnaam dat daarin in elk geval niet meer voorkomen de woorden ‘ [verweerster] ’, noch woord- of letterverbindingen of uitingen die daarmee in hoofdzaak overeenstemmen, en tot het staken en gestaakt houden, althans het wijzigen en gewijzigd houden, van de domeinnaam www. [B] .nl en de e-mailadressen @ [B] .nl.

3.2.2

De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen op de grond dat [verweerster] de naam ‘ [verweerster] ’ eerder gebruikte dan [verzoekster] haar dienovereenkomstige naam.

3.2.3

Het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] haar naam juist eerder gebruikte dan [verweerster] de naam ‘ [verweerster] ’, maar de beschikking van de kantonrechter desalniettemin bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen.

Aan de orde is of [verweerster] nog steeds ‘ [verweerster] ’ als handelsnaam gebruikt, hetzij door gebruik van het logo, hetzij door nog steeds gebruik te maken van de domeinnaam www. [B] .nl of e-mailadressen (rov. 3.6.1).

[verweerster] heeft het gebruik van ‘ [B] ’ als handelsnaam weersproken, waarbij zij heeft vermeld dat zij inmiddels de handelsnaam [verweerster] Advocaten voert, waar mogelijk steeds in combinatie met haar logo, dat de domeinnaam www. [B] .nl evenmin actief wordt gebruikt en de thans in gebruik zijnde email-adressen niet meer de oude domeinnaam bevatten (rov. 3.6.2).

De door [verzoekster] respectievelijk [verweerster] gebruikte logo’s lijken niet op elkaar en roepen geen beeld op van dezelfde of aan elkaar gelieerde ondernemingen (rov. 3.7.2).

Het voorgaande wordt niet anders wanneer de gevelbelettering van [verweerster] in ogenschouw wordt genomen. Uit de foto’s blijkt dat ook steeds het onderschrift staat vermeld, namelijk op het linker raam (onder het rode vlak) en ook onder de hoofdbelettering aan de binnenzijde. Het logo wordt aldus ter identificatie in totaliteit gebruikt op de gevel van het kantoorpand, net zoals op het briefpapier en op de website, dus steeds met het onderschrift.

Weliswaar lijkt [verweerster] ook vervolgvellen te gebruiken met het logo zonder het onderschrift, maar de kans dat een argeloze deelnemer aan het maatschappelijk verkeer, met de door [verzoekster] aangevoerde ‘vage herinnering’, hiermee onverhoeds wordt geconfronteerd en in verwarring wordt gebracht acht het hof zo niet nihil, dan toch te verwaarlozen. Vervolgvellen zullen eerst ter kennis komen van klanten nadat het contact al is gelegd. (Rov. 3.7.3)

Voor zover het gaat om het gebruik van de domeinnaam www. [B] .nl acht het hof geen gebruik als handelsnaam meer aan de orde, maar slechts gebruik als een (oud) adres. Hetzelfde geldt voor het (mogelijke) gebruik van de oude emailadressen met daarin de aanduiding ‘ [B] ’: door het nog bereikbaar zijn via die adressen is van gebruik als handelsnaam geen sprake. (Rov. 3.8)

Een proceskostenveroordeling moet op de voet van art. 1019h Rv worden vastgesteld. Het hof zal evenwel in beide instanties de kosten compenseren, aangezien beide partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld: [verzoekster] is in 2011 terecht in actie gekomen tegen het toenmalige gebruik van de handelsnaam ‘ [verweerster] ’ door [verweerster] , maar in dit geding worden haar vorderingen afgewezen. Art. 1019h Rv en art. 14 Handhavingsrichtlijn staan niet aan kostencompensatie in de weg. (Rov. 3.10.1-3.10.4)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

6 Proceskosten in cassatie

7 Beslissing