Hoge Raad, 03-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, 14/06346
Hoge Raad, 03-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, 14/06346
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 juni 2016
- Datum publicatie
- 3 juni 2016
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:1046
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:73, Gevolgd
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4352, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 14/06346
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 83, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 84, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 90, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 91, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 92, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 98, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 236, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 237, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 30, Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025], Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 23, Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 35
Inhoudsindicatie
Goederenrecht. Eigendomsvoorbehoud, pandrecht. Kan de verkrijger van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken een geldig pandrecht vestigen op zijn voorwaardelijk eigendomsrecht (art. 3:92 BW)? Voldoening restant-koopsom na faillissement van de koper. Kan het pandrecht worden uitgewonnen (art. 35 lid 2 Fw)? Staat contractueel verpandingsverbod aan vestiging pandrecht in de weg (art. 3:83 BW)?
Uitspraak
3 juni 2016
Eerste Kamer
14/06346
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
De coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ZUID-HOLLAND MIDDEN U.A.,gevestigd te Delft,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Rabobank en [verweerder].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 400314/HA ZA 11-2204 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 november 2011 en 12 september 2012;
b. de arresten in de zaak 200.122.224/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 april 2013 en 2 september 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 2 september 2014 heeft Rabobank beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Rabobank mede door mr. B.M.H. Fleuren en voor [verweerder] mede door mr. F.I. van Dorsser.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt:
– in het principaal beroep tot vernietiging, en
– in het voorwaardelijk incidenteel beroep tot verwerping.
De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 25 maart 2016 op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
-
i) Kwekerij Revadap B.V. (hierna: Revadap) heeft in 2008 ten behoeve van door haar beoogde paprikateelt Meteor Systems B.V. (hierna: Meteor) opdracht gegeven tot het vervaardigen en leveren van een teeltsysteem, bestaande uit aan staaldraden opgehangen stalen teeltgoten met opvangbakken en een druppelbevloeiingssysteem (hierna: het teeltsysteem). Het teeltsysteem is geplaatst in een gedeelte van de kas van Revadap.
- -
-
ii) De overeengekomen prijs van omstreeks € 600.000,-- is door Revadap grotendeels voldaan, maar een restbedrag van € 120.000,-- heeft zij onbetaald gelaten.
- -
-
iii) De tussen Revadap en Meteor toepasselijke Algemene verkoopvoorwaarden hielden in dat de eigendom van het geleverde pas op Revadap zou overgaan nadat deze aan Meteor al het door haar verschuldigde zou hebben voldaan.
- -
-
iv) In december 2008 sloot Revadap met Rabobank een financieringsovereenkomst waarbij zij de bank een aantal zekerheden verstrekte, waaronder:
- een recht van eerste hypotheek op haar perceel tuinland met bedrijfsruimte, glasopstanden en verder toebehoren;
- een pandrecht op alle huidige en toekomstige inventaris en voorraden en op alle ten tijde van de registratie van de pandakte (30 december 2008) bestaande rechten en vorderingen op derden of die worden verkregen uit op dat ogenblik bestaande rechtsverhoudingen tussen Revadap en derden.
(v) De op de financieringsovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden voor verpanding van de bank bepalen onder meer:
“Ingeval enige zaak of enig vermogensrecht waarop het pandrecht betrekking heeft of dient te hebben onder opschortende voorwaarde aan de pandgever is overgedragen, strekt dat pandrecht zich uit tot de voorwaardelijke eigendom van die zaak, respectievelijk tot het voorwaardelijk recht met betrekking tot dat vermogensrecht.”
- -
-
vi) Op 24 november 2009 is Revadap in staat van faillissement verklaard met benoeming van [verweerder] tot curator.
- -
-
vii) In overleg met de curator heeft Rabobank aan Meteor ter voldoening van haar restantvordering op Revadap met rente en kosten € 135.000,-- betaald, waartegenover Meteor finale kwijting heeft verleend en haar eigendomsvoorbehoud heeft prijsgegeven. De curator heeft daaraan zijn medewerking verleend, echter onder verschillende voorbehouden, onder meer ten aanzien van de aanspraken van de boedel op de overwaarde van het teeltsysteem (waarmee wordt bedoeld: het verschil tussen het bedrag waarvoor het teeltsysteem is meeverkocht en de aan Meteor gedane slotbetaling van € 135.000,--).
- -
-
viii) In december 2009 heeft de curator met toestemming van de rechter-commissaris en in overleg met Rabobank de onderneming van Revadap verkocht. De koopprijs is betaald aan Rabobank als eerste hypotheekhouder. Ook daaraan heeft de curator zijn goedkeuring gehecht, eveneens onder voorbehoud van de aanspraak van de boedel op de overwaarde van het teeltsysteem dat met de onderneming verkocht was.
- -
-
ix) Op 24 januari 2010 heeft de curator Rabobank gesommeerd € 110.920,--, althans € 77.000,-- aan de boedel te voldoen terzake van de overwaarde van het teeltsysteem. Aan die sommatie heeft de bank niet voldaan. De curator heeft van de rechter-commissaris geen machtiging gekregen de bank in rechte aan te spreken, maar heeft met toestemming van de rechter-commissaris de gepretendeerde vordering op de bank aan zichzelf in persoon verkocht en gecedeerd.
In dit geding vordert [verweerder] dat Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van in hoofdsom € 110.920,-- dan wel € 77.000,--. Hij voert daartoe aan dat, nadat Rabobank het restantbedrag voor het teeltsysteem aan Meteor had voldaan en daarmee het eigendomsvoorbehoud was vervallen, het teeltsysteem in de boedel is gevallen. Na de overdracht van de onderneming heeft Rabobank ten onrechte een door haar verondersteld zekerheidsrecht op het teeltsysteem geëffectueerd. De boedel heeft een vordering jegens de bank terzake van de overwaarde, welke vordering aan [verweerder] is gecedeerd.
Rabobank heeft als verweer aangevoerd dat zij een pandrecht op het teeltsysteem had, althans dat het teeltsysteem als hecht verbonden bestanddeel van het bedrijfsgebouw ingevolge art. 3:4 lid 2 BW onder haar hypotheekrecht viel.
De rechtbank heeft de verweren van Rabobank verworpen en Rabobank veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 110.920,-- vermeerderd met wettelijke rente.
Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Met betrekking tot het beroep van Rabobank op haar pandrecht heeft het onder meer het volgende overwogen:
“3.4 (...) Met een beroep op artikel 3:92 lid 1 BW stelt [Rabobank] dat Revadap als koper onder eigendomsvoorbehoud niet een toekomstig goed, te weten het eigendomsrecht, heeft verkregen, maar dat zij terstond een goed, te weten een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, heeft gekregen en dat daarop het pandrecht van de bank is gevestigd. Dit standpunt komt erop neer dat de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud een goederenrechtelijke positie wordt toegekend die kan worden aangemerkt als een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde waarover hij kan beschikken. Het eigendomsrecht wordt aldus gesplitst in een door de vervreemder behouden eigendomsrecht onder de ontbindende voorwaarde en een aan de verkrijger toegekend eigendomsrecht onder de opschortende voorwaarde van volledige voldoening van het aan de vervreemder nog verschuldigde.
Dit standpunt wordt inderdaad door vele rechtsgeleerde schrijvers verdedigd, door anderen daarentegen bestreden. Het hof sluit zich bij deze laatsten aan. De wet omschrijft in artikel 5:1 BW de eigendom als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben en, omdat slechts één recht het meest omvattende kan zijn, is het hof van oordeel dat daaruit voortvloeit dat in de visie van de wetgever op een zaak slechts één eigendomsrecht kan bestaan. Dat eigendomsrecht kan gedeeld zijn tussen een aantal mede-eigenaren, maar dan als in beginsel gelijkwaardige gerechtigden tot hetzelfde eigendomsrecht. Ook kan het recht onvolledig zijn door beperkingen die het recht de eigenaar oplegt in de wijze waarop hij zijn eigendomsrecht mag gebruiken, of door het bestaan van beperkte rechten op de zaak, maar een splitsing zoals de bank die bepleit, wordt in de wet niet voorzien.
Dat doet ook artikel 3:92 lid 1 BW niet. Die bepaling voorziet wel in een voorwaardelijke overdracht van de zaak en deze geeft de koper onder eigendomsvoorbehoud wel een sterkere positie dan die welke toekomt aan de koper aan wie de zaak nog niet (voorwaardelijk of onvoorwaardelijk) overgedragen is, maar dat betekent nog niet dat de koper ook terstond het (of een) recht van eigendom verwerft en hij verwerft ook niet een beperkt recht op de zaak (wat de bank trouwens ook niet gesteld heeft) of een vorderingsrecht. Het is immers niet duidelijk welk vorderingsrecht dat zou moeten zijn tenzij een vorderingsrecht tot overdracht, maar dat kan het ook niet zijn want wat de vervreemder daartoe diende te verrichten, heeft hij al verricht. Volgens artikel 3:84 BW zijn andere rechten dan eigendom, beperkte rechten of vorderingsrechten slechts vatbaar voor overdracht (en ingevolge artikel 3:98 BW dus ook voor verpanding) als de wet dat bepaalt, maar voor de positie van de koper onder eigendomsvoorbehoud bepaalt de wet dat niet.
Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat het onder eigendomsvoorbehoud aan Revadap geleverde teeltsysteem voor haar slechts een toekomstige zaak was. Als men haar positie aanduidt als een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, is dat slechts juist in de zin van een eigendomsrecht dat zij kon verwachten te verwerven na vervulling van de voorwaarde, maar niet eerder. Dat sluit niet uit dat zij op het teeltsysteem een pandrecht vestigde want toekomstige zaken zijn ook vatbaar voor overdracht of voor verpanding, maar de levering geschiedt dan bij voorbaat en verkrijgt pas werking nadat de voorwaarde vervuld is. Toen echter verkeerde Revadap in staat van faillissement en had zij haar beschikkingsbevoegdheid verloren. Artikel 35 lid 2 Fw brengt dan met zich dat het ten gunste van de bank gevestigde pandrecht in de boedel viel en door de bank niet meer kon worden ingeroepen.”
Ook het beroep van Rabobank op haar hypotheekrecht heeft het hof verworpen. Aan het door [verweerder] voorwaardelijk ingestelde beroep kwam het hof niet toe.