Hoge Raad, 08-09-2017, ECLI:NL:HR:2017:2269, 16/02741
Hoge Raad, 08-09-2017, ECLI:NL:HR:2017:2269, 16/02741
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 september 2017
- Datum publicatie
- 8 september 2017
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2017:2269
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1274
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:427, Gevolgd
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:481
- Zaaknummer
- 16/02741
Inhoudsindicatie
Insolventierecht. IPR. Toepasselijk recht op zgn. Peeters/Gatzen-vordering. Valt Peeters/Gatzen-vordering onder het bereik van de EEX-Vo (Brussel I) of de EG-Insolventieverordening? Is art. 13 EG-Insolventieverordening (analoog) van toepassing? Moet rekening worden gehouden met ter plaatse van de beweerde onrechtmatige daad geldende veiligheidsvoorschriften en gedragsregels (art. 17 Rome II)? Prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Uitspraak
8 september 2017
Eerste Kamer
16/02741
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
mr. Remco Johannes Maria Cornelis ROSBEEK, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [A] B.V. en [betrokkene 1] in privé,kantoorhoudende te Maastricht Airport, gemeente Beek,
EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel,
t e g e n
de vennootschap naar Belgisch recht BNP PARIBAS FORTIS N.V.,gevestigd te Brussel, België,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. F.E. Vermeulen en mr. R.J. van Galen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en Fortis.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
-
het vonnis in de zaak 169356/HA ZA 12-86 van de rechtbank Maastricht van 1 augustus 2012;
-
de arresten in de zaak HD 200.114.408/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2013 en 9 juli 2013;
c. het vonnis in de zaak C/03/169356/HA ZA 12-86 van de rechtbank Limburg van 10 september 2014;
d. de arresten in de zaak HD 200.157.894/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 april 2015 en 16 februari [de Hoge Raad leest:] 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 16 februari 2016 heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. Fortis heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van 4 juni 2013 en 16 februari 2016. De cassatiedagvaarding, de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de curator mede door mr. T.V.J. Bil.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt ertoe dat de Hoge Raad zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep, alvorens verder te beslissen het HvJEU zal verzoeken uitspraak te doen over de onder 4.1 van deze conclusie genoemde vragen van uitlegging en het geding zal schorsen totdat het HvJEU naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
De advocaat van Fortis heeft bij brief van 26 mei 2017 op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was gerechtsdeurwaarder vanaf 2002 tot aan de ontzetting uit zijn ambt. [betrokkene 1] heeft vanaf 2002 ten behoeve van zijn deurwaarderskantoor bij Fortis in België een zichtrekening (betaalrekening) aangehouden. De zichtrekening werd door de deurwaarderspraktijk van [betrokkene 1] gebruikt voor incasso’s op Belgische debiteuren.
(ii) [betrokkene 1] heeft in 2006 [A] B.V. opgericht, waarvan hij enig aandeelhouder en enig bestuurder was. De vennootschap legde zich toe op de uitoefening van de deurwaarderspraktijk. Bij de oprichting van [betrokkene 1] B.V. werd het vermogen van de voordien door [betrokkene 1] als eenmanszaak gedreven deurwaarderspraktijk, waaronder de zichtrekening bij Fortis, ingebracht in de vennootschap. [A] B.V. heeft ten behoeve van haar deurwaarderspraktijk bij Coöperatieve Rabobank Sittard-Geleen U.A. (hierna: Rabobank) een kwaliteitsrekening in de zin van art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet aangehouden. Daarop werden gelden van circa 200 klanten van de deurwaarderspraktijk gehouden.
(iii) In de periode van 23 tot en met 26 september 2008 heeft [betrokkene 1] via telebankieren in totaal € 550.000,-- van de kwaliteitsrekening bij Rabobank overgeboekt naar de zichtrekening bij Fortis.
(iv) Op 1 en 3 oktober 2008 heeft [betrokkene 1] in contanten in totaal € 550.000,-- opgenomen van de zichtrekening bij Fortis.
(v) Bij uitspraak van de Kamer van Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam van 16 december 2008 is [betrokkene 1] op verzoek van het Bureau Financieel Toezicht van de Gerechtsdeurwaarders in Nederland uit zijn ambt ontzet wegens de verduistering van de aan hem toevertrouwde gelden. [betrokkene 1] is door de strafrechter ter zake van onder meer verduistering veroordeeld tot gevangenisstraf.
(vi) Op 23 juni 2009 is [A] B.V. failliet verklaard. Op 2 maart 2010 is [betrokkene 1] zelf failliet verklaard. Deze faillissementen worden geconsolideerd afgewikkeld.
In deze procedure vordert de curator veroordeling van Fortis tot betaling van € 550.000,--. De curator heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat Fortis onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [A] B.V. en [betrokkene 1], door zonder slag of stoot, en zonder te voldoen aan haar wettelijke verplichtingen, mee te werken aan de opnames in contanten door [betrokkene 1], waardoor de schuldeisers in beide faillissementen schade hebben geleden.
De rechtbank heeft zich bij tussenvonnis bevoegd verklaard van de vordering van de curator kennis te nemen. Het hof heeft dat vonnis bij tussenarrest van 4 juni 2013 bekrachtigd en daartoe overwogen dat de door de curator ingestelde vordering zijn grondslag uitsluitend vindt in de faillissementen van [betrokkene 1] en [A] B.V. en daarom onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: Insolventieverordening) valt.
Bij eindvonnis heeft de rechtbank Fortis veroordeeld € 550.000,-- aan de curator te betalen.
In hoger beroep tegen het eindvonnis heeft het hof bij tussenarrest van 16 februari 2016 overwogen dat, nu in zijn tussenarrest van 4 juni 2013 al is beslist over de rechtsmacht, dit (in beginsel) niet opnieuw kan gebeuren, maar dat de arresten van het HvJEU van 4 september 2014, C-157/13, ECLI:EU:C:2014:2145, NJ 2015/89 (Nickel & Goeldner Spedition/Kintra UAB) en van 11 juni 2015, C-649/13, ECLI:EU:C:2015:384 (Comité d’enterprise de Nortel Networks SA/Rogeau) zodanige steun bieden voor het standpunt van Fortis dat die beslissing onjuist is, dat het hof tussentijds cassatieberoep zal openstellen (rov. 2.5).
Het hof heeft vervolgens overwogen dat op schadeveroorzakend handelen, dat heeft plaatsgehad voor de inwerkingtreding van de Verordening Rome II op 11 januari 2009, de Wet Conflictrecht Onrechtmatige Daad (WCOD) van toepassing is. Op grond van art. 3 WCOD dient naar Belgisch recht over de vordering te worden beslist, nu het handelen van Fortis in België plaatshad. (rov. 2.6)
De vraag of een curator (in de zin van de Insolventieverordening) bevoegd is tot het instellen van een specifiek soort vordering, zoals een ‘Peeters/Gatzen-vordering’, moet worden beantwoord naar het recht dat het faillissement beheerst (art. 4 lid 2, aanhef en onder c, Insolventieverordening). In dit geval is dat Nederlands recht, volgens welk recht een curator een Peeters/Gatzen-vordering kan instellen. (rov. 2.12.3)
Naar het oordeel van het hof is in dit geval sprake van een Peeters/Gatzen-vordering. De gelden op de kwaliteitsrekening bij Rabobank behoorden op grond van art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet toe aan degenen ten behoeve van wie die gelden op de rekening zijn gestort. Deze gelden vallen dan ook niet in het faillissement van de deurwaarder of het deurwaarderskantoor. Nadat die gelden waren overgemaakt op de zichtrekening bij Fortis, zijn zij echter deel gaan uitmaken van het vermogen van het deurwaarderskantoor. Het in contanten opnemen van het vrijwel volledige saldo van de zichtrekening geschiedde dan ook ten nadele van alle schuldeisers van de geconsolideerde boedel. (rov. 2.12.4-2.12.5)