Hoge Raad, 24-11-2017, ECLI:NL:HR:2017:3019, 16/04671
Hoge Raad, 24-11-2017, ECLI:NL:HR:2017:3019, 16/04671
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 november 2017
- Datum publicatie
- 24 november 2017
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2017:3019
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:986, Gevolgd
- Zaaknummer
- 16/04671
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Pensioenrecht. Bedrijfstakpensioenfonds spreekt gewezen bestuurder aan voor niet afgedragen premies (art. 23 Wet Bpf 2000). Mocht hof ervan uitgaan dat gewezen bestuurder de administratie buiten de procedure heeft gehouden? Art. 2:10 BW. Ziet melding van betalingsonmacht ook op toekomstige premieverplichtingen? Aansluiting bij HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6635, NJ 2007/164.
Uitspraak
24 november 2017
Eerste Kamer
16/04671
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en het bedrijfstakpensioenfonds.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/05/240005 HA ZA 13-128 van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2013 en 25 september 2013;
b. de arresten in de zaak 200.136.022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 augustus 2015 en 26 april 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 25 augustus 2015 en 26 april 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding, het anticipatie-exploot en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor het bedrijfstakpensioenfonds mede door mr. E. Lutjens.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt in het principaal beroep tot vernietiging en in het incidenteel beroep tot verwerping.
De advocaat van het bedrijfstakpensioenfonds heeft bij brief van 21 september 2017 op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] is tot 18 november 2010 (middellijk) bestuurder geweest van Kantrans Logistiek B.V. (hierna: Kantrans). Kantrans viel onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds. PVF Achmea was belast met de incasso van de aan het bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde premies.
(ii) In een brief van 4 december 2009 heeft [eiser] namens Kantrans aan PVF Achmea gemeld dat Kantrans wegens verslechterende marktomstandigheden niet in staat was de aan het bedrijfstakpensioenfonds per 1 december 2009 verschuldigde premies te betalen. Daarin meldde [eiser] tevens dat Kantrans kostenreducerende maatregelen had genomen en deed hij een voorstel voor een betalingsregeling.
(iii) In de loop van 2010 heeft Kantrans nog betalingen ten gunste van het bedrijfstakpensioenfonds verricht.
(iv) Kantrans is op 19 juli 2011 failliet verklaard.
In dit geding vordert het bedrijfstakpensioenfonds betaling door [eiser] van onbetaald gebleven premies over de jaren 2008 tot en met 2010 ter hoogte van € 75.665,88. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door Kantrans verschuldigde bijdragen aan het bedrijfstakpensioenfonds. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe, voor zover in cassatie van belang, in zijn eindarrest het volgende overwogen:
“2.9 (...) [eiser] heeft aldus de stelling van het Pensioenfonds, dat deze transactie erop was gericht een (lege) schuldenvennootschap buiten het bereik van schuldeisers naar het buitenland te verplaatsen en dat sprake was van een sterfhuis/katvangerconstructie, onvoldoende gemotiveerd/onderbouwd betwist. Ook ontbreekt zoals hiervoor is overwogen de − volgens de eigen stellingen van [eiser] aanwezige − notariële vastlegging van de overdracht van de administratie. Uit de overgelegde notariële akte, waaronder ook artikel 3 van die akte, kan die overdracht niet worden opgemaakt. Aldus gaat het hof er vanuit dat anders dan [eiser] heeft gesteld geen notariële vastlegging heeft plaatsgevonden en houdt het hof het (als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd betwist) ervoor dat de administratie van Kantrans Logistiek B.V. niet is overgedragen aan [betrokkene 1] en deze (kennelijk) buiten deze procedure is gehouden.
De onder 2.9 vermelde feiten en omstandigheden komen (...) erop neer dat het bestuur van [eiser] erop was gericht om in de opgezette concernstructuur Kantrans Logistiek B.V. leeg te houden, daarvan de administratie te laten verdwijnen en Kantrans Logistiek B.V. uiteindelijk met schulden naar het buitenland te verplaatsen. (...)”