Hoge Raad, 20-01-2017, ECLI:NL:HR:2017:57, 15/02186
Hoge Raad, 20-01-2017, ECLI:NL:HR:2017:57, 15/02186
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 januari 2017
- Datum publicatie
- 20 januari 2017
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2017:57
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:917, Gevolgd
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:255, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 15/02186
Inhoudsindicatie
Internationaal publiekrecht. Immuniteit van jurisdictie van internationale organisatie (Europese Octrooi Organisatie) voor geschil met vakbonden. Toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) en recht op vrijheid van vakvereniging (art. 11 lid 1 EVRM). Voldoende waarborging van recht op collectieve actie en recht op collectief onderhandelen doordat vakbonden niet zelf, maar via werknemers en personeelsvertegenwoordigers in interne rechtsgang bij EOO en bij het Ambtenarengerecht van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILOAT) kunnen opkomen voor de bescherming van die fundamentele rechten? Vervolg van HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369.
Uitspraak
20 januari 2017
Eerste Kamer
15/02186
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
EUROPESE OCTROOI ORGANISATIE,gevestigd te München, Duitsland, alsmede Rijswijk,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. G.R. den Dekker,
e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Buitenlandse Zaken),zetelende te Den Haag,
gevoegde partij aan de zijde van EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben,
t e g e n
1. VAKBONDSUNIE VAN HET EUROPEES OCTROOIBUREAU (VEOB, afdeling Den Haag),zetelende te Rijswijk,
2. SUEPO (Staff Union of the European Patent Office),zetelende te DEN HAAG,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: mrs. R.S. Meijer en A. Knigge.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als EOO en VEOB c.s. en de gevoegde partij als de Staat.
1 Het geding
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad toegelaten dat de Staat zich kan voegen aan de zijde van EOO en de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.
Het arrest in het incident is aan dit arrest gehecht.
2 Het verdere verloop
De zaak is voor partijen mondeling en schriftelijk toegelicht door hun advocaten, voor de Staat mede door mr. G.C. Nieuwland.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging ven het bestreden arrest en tot afdoening door de Hoge Raad als vermeld in 2.20 van die conclusie.
De advocaten van partijen hebben ieder bij brief van 14 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) EOO is een rechtspersoon naar internationaal publiekrecht, die in 1973 is opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 1975, 108, en 1976, 101; hierna: EOV). Het EOV is op 7 oktober 1977 voor Nederland in werking getreden. EOO telt 38 deelnemende lidstaten (‘Verdragsluitende Staten’) en heeft haar zetel in München. Een van de organen van EOO, het Europees Octrooibureau, is gevestigd in München en heeft een onderdeel in Rijswijk.
(ii) In art. 4 EOV is het volgende bepaald:
“1. Bij dit Verdrag wordt een Europese Octrooiorganisatie, hierna te noemen de Organisatie, in het leven geroepen. De Organisatie krijgt administratieve en financiële zelfstandigheid.
2. De organen van de Organisatie zijn:
a. het Europees Octrooibureau;
b. de Raad van Bestuur.
3. De Organisatie heeft tot taak het verlenen van Europese octrooien. Deze taak wordt uitgevoerd door het Europees Octrooibureau onder toezicht van de Raad van Bestuur.”
(iii) Over voorrechten en immuniteiten is in art. 8 EOV het volgende bepaald:
“In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”
(iv) Art. 13 EOV heeft betrekking op geschillen tussen EOO en het personeel van het Europees Octrooibureau en luidt als volgt:
“1. Personeel of voormalig personeel van het Europees Octrooibureau, of hun rechtsopvolgers, kunnen, in geval van geschillen met de Europese Octrooiorganisatie, deze voorleggen aan het Ambtenarengerecht van de Internationale Arbeidsorganisatie, overeenkomstig het statuut van dit gerecht en binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Ambtenarenreglement, het Pensioenreglement of voortvloeiend uit de arbeidsvoorwaarden voor ander personeel.
2. Een beroep is slechts ontvankelijk, indien de belanghebbende alle rechtsmiddelen heeft uitgeput die hem ter beschikking staan op grond van het Ambtenarenreglement, het Pensioenreglement of de arbeidsvoorwaarden voor ander personeel.”
(v) Art. 3 van het bij het EOV behorende Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van EOO (Protocol on Privileges and Immunities; hierna: PPI) luidt als volgt:
“1. In het kader van haar officiële werkzaamheden, geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:
a) voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;
b) met betrekking tot een door derden ingediende civiele rechtsvordering ter zake van schade, die voortvloeit uit een ongeval dat is veroorzaakt door een aan de Organisatie toebehorend of namens haar gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;
c) met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een ingevolge artikel 23 gedane scheidsrechterlijke uitspraak.
2. Eigendommen en activa van de Organisatie, ongeacht waar deze zich bevinden, zijn vrij van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging.
3. Eigendommen en activa van de Organisatie zijn eveneens vrij van elke vorm van administratieve of voorlopige gerechtelijke dwang, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zou zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij motorvoertuigen zijn betrokken, die toebehoren aan de Organisatie of namens deze worden gebruikt, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.
4. In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.”
(vi) VEOB is een vakbondsunie van het Europees Octrooibureau. VEOB is een vereniging naar Nederlands recht zetelend te Rijswijk. Het lidmaatschap van VEOB staat open voor hen die als werknemer van het Europees Octrooibureau bij de vestiging te Rijswijk werkzaam zijn of waren.
(vii) SUEPO is een overkoepelende vakbond voor werknemers van EOO en kent vier afdelingen: Den Haag (VEOB), München, Berlijn en Wenen.
(viii) VEOB c.s. hebben namens hun leden vanaf maart 2013 stakingen afgekondigd. In maart, mei, juni en juli 2013 hebben daadwerkelijk stakingen plaatsgevonden.
(ix) De arbeidsvoorwaarden van het personeel van EOO zijn neergelegd in de ‘Service Regulations for Permanent Employees’ (hierna: het Dienstreglement). Het Dienstreglement voorziet in een speciale procedure voor het beslechten van geschillen tussen EOO en (voormalige) personeelsleden van EOO. Een personeelslid van EOO dat het niet eens is met een jegens hem genomen besluit kan daartegen op grond van het Dienstreglement opkomen door middel van een interne beroepsprocedure. Deze interne beroepsprocedure houdt in dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt bij de president van EOO. Indien de president het bezwaar niet honoreert, wordt de zaak voorgelegd aan het Internal Appeals Committee, welke commissie advies uitbrengt aan de president. De president beslist vervolgens naar aanleiding van dit advies of alsnog aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen. Tegen de beslissing van de president staat beroep open bij de International Labour Organisation Administrative Tribunal te Genève (hierna: ILOAT) op grond van art. 13 EOV.
(x) Met ingang van 1 juli 2013 heeft EOO het Dienstreglement aangevuld met bepalingen over stakingen, doordat daarin een nieuw art. 30a en een nieuw art. 65 lid 1 onder c zijn opgenomen, die, voor zover van belang, luiden:
“Article 30a (...)
Right to strike
(1) All employees have the right to strike.
(2) A strike is defined as a collective and concerted work stoppage for a limited duration related to the conditions of employment.
(3) A Staff Committee, an association of employees or a group of employees may call for a strike.
(4) The decision to start a strike shall be the result of a vote by the employees.
(5) A strike shall be notified in advance to the President of the Office. The prior notice shall at least specify the grounds for having resort to the strike as well as the scope, beginning and duration of the strike.
(...)
(8) Strike participation shall lead to a deduction of remuneration.
(9) The President of the Office may take any appropriate measures, including requisitioning of employees, to guarantee the minimum functioning of the Office as well as the security of the Office's employees and property.
(10) The President of the Office may lay down further terms and conditions for the application of this Article to all employees; these shall cover inter alia the maximum strike duration and the voting process.
(...)
Article 65 (..)
Payment of remuneration
(1) (...)
(a) Payment of remuneration to employees shall be made at the end of each month for which it is due.
(...)
(c) (...) the monthly amount shall be divided into twentieths to establish the due deduction for each day of strike on a working day.”
(xi) De nieuwe regels zijn nader uitgewerkt in een door de president van EOO uitgevaardigde ‘Circular on Strikes’ (Circular 347).
(xii) VEOB c.s. stellen zich op het standpunt dat EOO door de invoering van de nieuwe regels in het Dienstreglement het recht op staking te zeer beperkt en het vakbondswerk belemmert, alsmede dat EOO hen ten onrechte niet toelaat tot collectieve onderhandelingen.
In het onderhavige kort geding hebben VEOB c.s. gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat EOO wordt geboden – in elk geval voor wat betreft het personeel werkzaam bij de vestiging Rijswijk – (i) de schendingen van het recht op staking en van het recht op collectief onderhandelen te beëindigen evenals de schendingen van het recht van vergadering en vereniging en de schendingen van de maatschappelijke zorgvuldigheid, (ii) de werking van art. 30a en 65 lid 1 onder c van het Dienstreglement te schorsen, (iii) VEOB c.s. te erkennen als sociale partners met het recht op collectieve onderhandelingen (inclusief staking), althans EOO te gebieden om VEOB c.s. toe te laten tot collectieve onderhandelingen; en voorts (iv) dat EOO wordt verboden het overleg over nieuwe collectieve afspraken te voeren of voort te zetten zonder toelating van VEOB c.s.
EOO heeft zich primair beroepen op de haar krachtens art. 3 PPI toekomende immuniteit van jurisdictie.
De voorzieningenrechter heeft het beroep van EOO op immuniteit van jurisdictie verworpen, en de vorderingen van VEOB c.s. afgewezen.
Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd. Naar het oordeel van het hof komt EOO geen beroep op immuniteit van jurisdictie toe. Het hof heeft (i) EOO geboden om VEOB c.s. onbelemmerde toegang tot het e-mailsysteem van EOO te geven, (ii) EOO verboden om toepassing te geven aan art. 30a leden 2 en 10 van het Dienstreglement, en (iii) EOO geboden om VEOB c.s. toe te laten tot collectieve onderhandelingen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.
In het onderhavige geval is de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten “manifestly deficient”. Het ontbreken van een rechtsgang voor VEOB c.s. bij ILOAT of in enige andere door EOO opengestelde rechtsgang betekent dat art. 13 EVRM wordt geschonden indien de Nederlandse rechter VEOB c.s. geen rechtsingang zou bieden voor hun op art. 11 EVRM gebaseerde vorderingen. (rov. 3.7) De mogelijkheid van individuele werknemers van EOO om bij EOO en bij ILOAT te kunnen opkomen tegen beperkingen van hun stakingsrecht, kan niet worden beschouwd als een effectief middel ter handhaving van het door art. 11 EVRM gewaarborgde recht op collectieve actie en op collectief onderhandelen (rov. 3.8). EOO had ervoor kunnen kiezen zelf een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in het leven te roepen (rov. 3.9). Mede ook gelet op bijkomende omstandigheden, is het beroep van EOO op haar immuniteit disproportioneel. De Nederlandse rechter is dan ook bevoegd om van de vorderingen van VEOB c.s. kennis te nemen. (rov. 3.10)
Wat betreft de vorderingen van VEOB c.s. is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitgangspunt (rov. 4.5). Voorts hebben de vorderingen van VEOB c.s. die ertoe strekken dat zij worden erkend en toegelaten als onderhandelingspartner, een spoedeisend karakter (rov. 4.7).
De door EOO opgelegde maatregelen met betrekking tot de interne communicatiekanalen zijn disproportioneel (rov. 5.2-5.3). Door art. 30a lid 2 en lid 5 Dienstreglement wordt een staking, waarvan de duur niet vooraf bekend of bekend gemaakt is, ten onrechte onmogelijk gemaakt (rov. 5.7). Ook de beperking van het stakingsrecht tot ‘work stoppage’, waarmee een andere collectieve actie a priori wordt uitgesloten, is onjuist, evenals de voorwaarde dat de collectieve actie betrekking moet hebben op arbeidsvoorwaarden (rov. 5.8-5.9).
EOO dient VEOB c.s. toe te laten tot collectieve onderhandelingen, maar de vordering van VEOB c.s. dat zij door EOO moeten worden erkend als sociale partners, is wegens gebrek aan belang niet toewijsbaar. Nu het hier een kort geding betreft is het ook niet passend EOO te dwingen tot een erkenning waartegen zij bezwaar maakt. (rov. 5.14)
Het middel klaagt primair dat het hof ten onrechte het beroep van EOO op de haar toekomende immuniteit van jurisdictie heeft verworpen, en voert daartoe onder meer het volgende aan.
De mogelijkheid van de leden van VEOB c.s. om in de interne rechtsgang bij EOO en bij ILOAT op te komen tegen jegens hen getroffen maatregelen, alsook tegen de aan de maatregelen ten grondslag liggende besluiten, is een redelijk alternatief middel om de (primair) voor die leden uit art. 11 lid 1 EVRM voortvloeiende rechten effectief te kunnen beschermen.
Het hof heeft voorts miskend dat de personeelsvertegenwoordigers van EOO bij ILOAT kunnen opkomen voor de belangen van al het personeel. Die mogelijkheid is eveneens een redelijk alternatief middel om de op grond van art. 11 lid 1 EVRM ingeroepen rechten effectief te kunnen beschermen.
Gelet op het bestaan van deze redelijke alternatieve middelen voor de effectieve bescherming van de door VEOB c.s. ingeroepen rechten, is het hof ten onrechte tot de slotsom gekomen (i) dat de bescherming van de fundamentele rechten bij EOO “manifestly deficient” is, (ii) dat indien de Nederlandse rechter in dit geval voor VEOB c.s. geen rechtsgang zou bieden, het door art. 13 EVRM gewaarborgde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt geschonden en (iii) dat de verlening van de immuniteit waarop EOO zich beroept, disproportioneel is bij gebreke van een redelijke alternatieve rechtsgang voor VEOB c.s.