Hoge Raad, 06-07-2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, 13/05449
Hoge Raad, 06-07-2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, 13/05449
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 juli 2018
- Datum publicatie
- 6 juli 2018
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:1096
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:422, Gevolgd
- Zaaknummer
- 13/05449
Inhoudsindicatie
Aanbestedingsrecht. Vervolg op HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, NJ 2015/169 en HvJEU 14 december 2016, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206. Ernstige beroepsfout inschrijver, facultatieve uitsluitingsgrond art. 45 lid 3 Bao en art. 45 lid 2 Richtlijn 2004/18/EG. Volgens aanbestedingsvoorwaarden wordt een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, van de opdracht uitgesloten. Mag aanbestedende dienst niettemin van uitsluiting afzien op de grond dat uitsluiting disproportioneel zou zijn? Hoge Raad doet zelf de zaak af.
Uitspraak
6 juli 2018
Eerste Kamer
13/05449
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
CONNEXXION TAXI SERVICES B.V.,gevestigd te IJsselmuiden,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
1. de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, en verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,
2. Transvision B.V.,gevestigd te Gorinchem,
3. ROTTERDAMSE MOBILITEIT CENTRALE RMC B.V.,gevestigd te Rotterdam,
4. ZORGVERVOERCENTRALE NEDERLAND B.V.,gevestigd te Rotterdam,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Connexxion, de Staat en de Combinatie.
1 Het geding
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in deze zaak van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757;
b. het arrest in de zaak C-171/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 december 2016.
De arresten zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het verdere verloop van het geding
De zaak is voor partijen nader toegelicht door hun advocaten, voor Connexxion mede door mr. M.W.A. Schimmel en voor de Staat mede door mr. M.E.M.G. Peletier.
De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 3 september 2013 en tot verwerping van het incidentele beroep.
De advocaat van de Staat heeft bij brief van 11 mei 2018 op die conclusie gereageerd.
3 Verdere beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad verwijst naar de rov. 3.1–3.2.2 van zijn tussenarrest van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, NJ 2015/169 (hierna: het tussenarrest) voor de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, de vordering van Connexxion, de beslissing daarop van de voorzieningenrechter en het hof, en de relevante oordelen van het hof.
Voor zover thans van belang heeft de Hoge Raad in zijn tussenarrest onderdeel 1.a van het middel gegrond bevonden, maar geoordeeld dat het antwoord op de vraag of dat tot cassatie moet leiden, mede afhangt van het lot van onderdeel 2.
Naar aanleiding van onderdeel 2.a heeft de Hoge Raad onder meer de volgende prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJEU:
“1. a. Verzet het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, zich ertegen dat het nationale recht een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan?
b. Is hierbij van belang dat een aanbestedende dienst in de aanbestedingsvoorwaarden heeft opgenomen dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, terzijde wordt gelegd en niet in aanmerking komt voor verdere beoordeling?”
Het HvJEU heeft deze vragen bij arrest van 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206, als volgt beantwoord:
“1) Het Unierecht, in het bijzonder artikel 45, lid 2, van richtlijn 2004/18/EG (...), verzet zich er niet tegen dat een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of een gegadigde voor een overheidsopdracht die een ernstige beroepsfout heeft begaan, daadwerkelijk moet worden uitgesloten.
2) De bepalingen van richtlijn 2004/18, met name die van artikel 2 van deze richtlijn en van bijlage VII A, punt 17, daarbij, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een aanbestedende dienst besluit om een overheidsopdracht te gunnen aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op de grond dat de uitsluiting van deze inschrijver van de aanbestedingsprocedure in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, terwijl een inschrijver die een dergelijke beroepsfout heeft begaan volgens de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht zonder meer moest worden uitgesloten, zonder dat wordt nagegaan of deze sanctie al dan niet evenredig is.”
In deze zaak staat vast (a) dat in de aanbestedingsvoorwaarden van de aanbestedende dienst (het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; hierna: VWS) staat vermeld: “Een Inschrijving waarop een Uitsluitingsgrond van toepassing is wordt terzijde gelegd en komt niet in aanmerking voor verdere (inhoudelijke) beoordeling”, en (b) dat ingevolge het op deze aanbestedingsprocedure van toepassing zijnde ‘beschrijvend document’ onder meer een ernstige beroepsfout moet worden aangemerkt als een uitsluitingsgrond (rov. 3.1 onder (ii) en (iii) van het tussenarrest).
De zojuist bedoelde voorwaarden houden – zoals reeds besloten ligt in het tussenarrest van de Hoge Raad – onmiskenbaar in dat een inschrijver (zoals de Combinatie) die een ernstige beroepsfout heeft begaan, zonder meer van de opdracht wordt uitgesloten, derhalve zonder dat de beslissing tot uitsluiting nog door VWS op evenredigheid wordt getoetst.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen en op het hiervoor in 3.1.2 geciteerde antwoord onder 2) van het HvJEU, is geen andere conclusie mogelijk dan dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan de Combinatie te gunnen, hoewel was vastgesteld dat laatstgenoemde een ernstige beroepsfout had begaan. De daarop gerichte klachten van onderdeel 2.a, die opkomen tegen het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.7, zijn dan ook gegrond.
Uit het vorenstaande volgt dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte heeft geoordeeld dat grief 6 van de Combinatie en grief 1 van de Staat slagen. Die grieven waren gericht tegen het – juiste – oordeel van de voorzieningenrechter dat VWS, nadat was vastgesteld dat aan de zijde van de Combinatie sprake was van een ernstige beroepsfout, geen ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren.
De onderdelen 3-5 zijn gericht, kort gezegd, tegen de (wijze van) beoordeling door het hof in de rov. 3.8-3.10 van de toepassing van de evenredigheidstoets door VWS. Die beoordeling door het hof bouwt voort op het door onderdeel 2.a met succes bestreden, onjuiste uitgangspunt dat het VWS vrijstond een evenredigheidstoets uit te voeren hoewel was vastgesteld dat de Combinatie een ernstige beroepsfout had begaan. Dit brengt mee dat de klachten van de onderdelen 3.a en 4.a – die dit aan de orde stellen – eveneens gegrond zijn en dat Connexxion geen belang heeft bij behandeling van onderdeel 5.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.