Hoge Raad, 13-02-2018, ECLI:NL:HR:2018:188, 16/03317
Hoge Raad, 13-02-2018, ECLI:NL:HR:2018:188, 16/03317
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 februari 2018
- Datum publicatie
- 14 februari 2018
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:188
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1522
- Zaaknummer
- 16/03317
Inhoudsindicatie
Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens art. 16 Besluit bodemkwaliteit. Verdachte heeft een analyseresultaat van een indicatieve partijkeuring van grond aan de gemeente Son en Breugel ter beschikking gesteld, terwijl zij redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat geen betrouwbaar beeld verschafte van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de grond. Falende bewijsklachten en klacht over toepassing van het onjuiste besluit. HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak
13 februari 2018
Strafkamer
nr. S 16/03317
EGI/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 december 2015, nummer 20/003528-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats].
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.F.M. Wasser, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het vierde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 2.200,-.
3 Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.