Home

Hoge Raad, 07-01-2020, ECLI:NL:HR:2020:3, 18/00841

Hoge Raad, 07-01-2020, ECLI:NL:HR:2020:3, 18/00841

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 januari 2020
Datum publicatie
7 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:3
Formele relaties
Zaaknummer
18/00841

Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen t.a.v. inleidende dagvaarding. Betekening aan verdachte in het buitenland (Colombia) en de vraag of van verdachte een feitelijke woon- of verblijfplaats in NL bekend is. HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00841

Datum 7 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 22 februari 2018, nummer 21/001326-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2020.