Hoge Raad, 13-07-2021, ECLI:NL:HR:2021:1129, 20/03057
Hoge Raad, 13-07-2021, ECLI:NL:HR:2021:1129, 20/03057
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 juli 2021
- Datum publicatie
- 14 juli 2021
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1129
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:712
- Zaaknummer
- 20/03057
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. zich ophouden op openbare weg teneinde drugs te koop aan te bieden (art. 2.7.2 APV Amsterdam 2008). Dubbel verstek. Aanwezigheidsrecht, art. 36g.1.c Sv. Dient vermelding adres van moeder van verdachte in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b. te worden aangemerkt als adresopgave a.b.i. art. 36g.1.c Sv, zodat afschrift van oproeping voor nadere tz. in h.b. naar dat adres had moeten worden verzonden? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Vermelding van adres in schriftelijke bijzondere volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als opgave door verdachte van adres in de zin van art. 36g.1.c Sv, waar hij afschrift van dagvaarding of oproeping wil ontvangen. Oproeping voor nadere tz. in h.b. is uitgereikt aan medewerker van OM, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Er is geen afschrift van die oproeping verzonden naar adres in volmacht. Hof heeft blijkens p-v van nadere tz. in h.b. slechts vastgesteld dat oproeping op rechtsgeldige wijze is betekend en geen vaststellingen gedaan omtrent het (niet) toezenden van het afschrift. Uit p-v van die tz. blijkt niet dat hof zich ervan heeft vergewist of zich omstandigheid voordeed a.b.i. art. 36g.3 Sv, terwijl stukken hiervoor geen aanwijzing bevatten. Uit p-v van tz. blijkt evenmin dat hof de vraag onder ogen heeft gezien of kon worden aangenomen dat verdachte van dag van nadere tz. op de hoogte was dan wel geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Gelet hierop is ’s hofs beslissing om verstek te verlenen (en niet onderzoek ttz. te schorsen) niet z.m. begrijpelijk.
Volgt vernietiging en terugwijzing.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03057
Datum 13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2020, nummer 23-003126-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2020 tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen hiervoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1-3.6.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2021.