Hoge Raad, 16-02-2021, ECLI:NL:HR:2021:203, 19/01813
Hoge Raad, 16-02-2021, ECLI:NL:HR:2021:203, 19/01813
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 februari 2021
- Datum publicatie
- 16 februari 2021
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:203
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1255
- Zaaknummer
- 19/01813
Inhoudsindicatie
Kraken van een gebouw (art. 138a Sr). Middelen over 1. Begrip ‘right to home’ a.b.i. art. 8 EVRM en 2. verwerping verweer dat sprake is geweest van strafrechtelijke ontruiming a.b.i. art. 551a Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01836 en 12 andere zaken, waarin de conclusie nog volgt.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01813
Datum 16 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 maart 2019, nummer 22-001934-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. van Lunen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van acht uren, subsidiair vier dagen hechtenis is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.