Hoge Raad, 09-07-2024, ECLI:NL:HR:2024:1012, 24/00387
Hoge Raad, 09-07-2024, ECLI:NL:HR:2024:1012, 24/00387
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 juli 2024
- Datum publicatie
- 9 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1012
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:376
- Zaaknummer
- 24/00387
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Aanspraak op proceskostenvergoeding voor administratiefberoepsfase in Wet Mulder zaken indien na opleggen van sanctie, maar terwijl beroepsprocedure aanhangig is, sanctiebedrag zoals dat is toegepast door ambtenaar die bevoegd is tot oplegging van administratie sanctie, is gewijzigd door regelgever. Hof heeft daarover overwogen dat aan die wijziging met terugwerkende kracht toepassing moet worden gegeven en dat grond bestaat voor proceskostenvergoeding omdat sprake is van “aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”.
Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat indien, nadat gedraging is verricht waarvoor aan betrokkene administratieve sanctie wordt opgelegd, wijziging in regelgeving t.a.v. toe te passen sanctiebedrag plaatsvindt die voor betrokkene gunstiger is, gewijzigd sanctiebedrag moet worden toegepast. Op beslissing die rechter o.g.v. art. 13a Wahv neemt over veroordeling in kosten die belanghebbende i.v.m. behandeling van administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, is o.m. art. 7:28.2 Awb van toepassing. Daaruit volgt dat voor veroordeling in kosten van betrokkene beslissend is of van “aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” sprake is.
In geval dat voor betrokkene gunstige wijziging in regelgeving t.a.v. toe te passen sanctiebedrag plaatsvindt nadat gedraging door betrokkene is verricht, maar voordat administratieve sanctie door ambtenaar wordt opgelegd, is sprake van “aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” als die ambtenaar bij die oplegging niet uitgaat van gunstiger sanctiebedrag.
Van “aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” is echter niet sprake in geval dat op moment van oplegging van administratieve sanctie door de tot oplegging bevoegde ambtenaar is uitgegaan van juiste, want op dat moment o.g.v. regelgeving geldende sanctiebedrag, terwijl pas daarna (t.t.v. administratiefberoepsprocedure dan wel beroepsprocedure) a.g.v. na die oplegging in werking getreden verandering van regelgeving een voor overtreder gunstige wijziging in toe te passen sanctiebedrag heeft plaatsgevonden, waardoor aanleiding bestaat tot verlaging van sanctiebedrag. Proceskostenvergoeding a.b.i. art. 13a Wahv blijft dan achterwege, tenzij andere grond bestaat voor zo’n veroordeling. ‘s Hofs op dit punt andersluidende oordeel geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Van belang is nog dat hier geschetst geval zich onderscheidt van geval waarin door rechter wordt geoordeeld dat t.t.v. oplegging van administratieve sanctie door bevoegde ambtenaar is uitgegaan van onjuiste uitleg of toepassing van wet.
N.a.v. HR:2020:563, dat door hof in overwegingen is betrokken, merkt HR tot slot op dat overweging in dat arrest dat, mede gelet op eigenstandig karakter Wahv, rechter bij toepassing van art. 13a Wahv grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt, betrekking heeft op beantwoording van vraag of betrokkene geheel of gedeeltelijk in gelijk is gesteld en, in samenhang daarmee, wat redelijkerwijs toe te kennen bedrag is ter vergoeding van proceskosten. Positieve beantwoording van vraag of betrokkene geheel of gedeeltelijk in gelijk is gesteld brengt echter niet z.m. meer met zich dat ook sprake is van “aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”. HR:2020:563 leidt daarom niet tot andere uitkomst.
Volgt vernietiging in het belang van de wet.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00387 CW
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2023, nummer Wahv 200.267.420/01, ECLI:NL:GHARL:2023:6369, in de zaak
van
[betrokkene],
hierna: de betrokkene.
1 De uitspraak van het hof
Op 28 juli 2023 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) de beslissing van de kantonrechter alsmede de beslissing van de officier van justitie vernietigd, de beschikking gewijzigd waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, en de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene.
2 Het cassatieberoep
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van het bestreden arrest. Onder 1.1 wordt de aanleiding van de vordering als volgt omschreven:
“Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden, van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369, en betreft de vraag in hoeverre op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een proceskostenvergoeding moet worden toegekend ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Meer specifiek gaat het om de vraag of er ook een vergoeding voor de proceskosten in de administratief beroepsfase moet worden toegekend indien na het opleggen van de sanctie het boetebedrag is verlaagd door de wetgever. Het hof beantwoordt die vraag in positieve zin. Verschillende kantonrechters geven op dat punt ‐ gemotiveerd ‐ blijk van een opvatting die lijnrecht staat tegenover die van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dat maakt gelet op de belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling een uitspraak hierover van de Hoge Raad mijns inziens wenselijk. Op de achtergrond speelt daarbij de discussie die al sinds jaar en dag gevoerd wordt over het optreden in (ook) WAHV-zaken van particuliere bureaus die namens betrokkenen procederen tegen opgelegde verkeersboetes en daarbij de proceskostenvergoeding incasseren.”
3 De overwegingen van het hof
Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder meer overwogen:
“18. Met betrekking tot het verzoek om een proceskostenvergoeding overweegt het hof het volgende.
19. De kantonrechter heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd. De kantonrechter heeft daartoe gewezen op het arrest van het hof van 1 mei 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:3197).
20. Bij arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft het hof, naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:563), de maatstaf ter vaststelling wanneer een betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is hersteld herzien. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
‘Het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een op basis van de Wahv opgelegde sanctie dient er in het algemeen op te zijn gericht die sanctie ongedaan te maken dan wel het te betalen bedrag te verlagen. Een ander doel kan zijn het aankaarten van vermeende fouten in de sanctiebeschikking om te bewerkstelligen dat de beschikking op grond daarvan wordt vernietigd of gewijzigd. Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat een betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld wanneer de inleidende beschikking wordt vernietigd of wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag, de omschrijving van de gedraging en/of de feitcode. In dergelijke gevallen zijn door de betrokkene terecht rechtsmiddelen aangewend in de procedure waaraan de sanctiebeschikking ten grondslag ligt zodat in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten.’
21. De betrokkene is met de matiging van het sanctiebedrag in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep in het gelijk gesteld. Dat betekent dat aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
22. Met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding, in het bijzonder de vraag of de in administratief beroep gemaakte proceskosten (ook) voor vergoeding in aanmerking komen, overweegt het hof het volgende. Ingevolge artikel 20d, vierde lid, van de Wahv junctis de artikelen 13a van de Wahv en 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het (administratief) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
23. Vastgesteld kan worden dat sprake is van herroeping van het bestreden besluit, nu -voor zover hier van belang- het bedrag van de bij inleidende beschikking opgelegde sanctie wordt gematigd.
24. Met betrekking tot de vraag of sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid overweegt het hof dat in de Wahv de ambtenaar die de sanctie oplegt veelal een betrokkene niet hoeft te horen voordat hij een sanctie oplegt en daarnaast niet de bevoegdheid heeft om de hoogte van het bedrag van de sanctie af te stemmen op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en/of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. De ambtenaar dient toepassing te geven aan de door de regelgever vastgestelde tarieven. Eerst in administratief beroep kan de officier van justitie op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv beoordelen of oplegging van een sanctie wel billijk is en overgaan tot bedoelde afstemming. Daartoe dient een betrokkene derhalve rechtsmiddelen aan te wenden.
25. Een strikte uitleg van het begrip “aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” zou aldus meebrengen dat in veel gevallen een rechtzoekende de kosten die hij heeft gemaakt voor de noodzakelijkerwijs in te stellen rechtsmiddelen om in het gelijk te worden gesteld, niet vergoed kan krijgen. Het hof acht dit, in aanmerking genomen dat het hier de oplegging van punitieve sancties betreft, niet juist en zal daarom aan dit begrip een uitleg geven die past bij de wijze waarop de wetgever vorm heeft gegeven aan de oplegging van sancties op grond van de Wahv. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat bij de toepassing van de Wahv behoefte bestaat aan een eenvoudige en voorspelbare regeling met betrekking tot het vergoeden van proceskosten.
26. De uitleg die het hof geeft aan het begrip “aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” in de zin van artikel 20d, vierde lid, van de Wahv junctis de artikelen 13a van de Wahv en 7:28, tweede lid, van de Awb komt erop neer dat indien de betrokkene in het gelijk wordt gesteld doordat in administratief beroep, in beroep bij de kantonrechter of in hoger beroep, wordt bepaald dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd, dit voor de toekenning van de proceskostenvergoeding aan de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd wordt toegerekend. Dit betreft niet alleen de situatie dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht of de omstandigheden waarin de persoon van de betrokkene verkeert nopen tot de conclusie dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd, maar ook de situatie dat de regelgever hangende de beroepsprocedure de -door de ambtenaar toe te passen- sanctiebedragen heeft gewijzigd, welke wijziging, gelet op de regelgeving en jurisprudentie, genoemd in het arrest van het hof van 28 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2330) met terugwerkende kracht dient te worden toegepast.”