Hoge Raad, 26-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1726, 22/02642
Hoge Raad, 26-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1726, 22/02642
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 november 2024
- Datum publicatie
- 26 november 2024
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1726
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:923
- Zaaknummer
- 22/02642
Inhoudsindicatie
Belaging ex-partner en kinderen, meermalen gepleegd (art. 285b.1 Sr) en handelen in strijd met gedragsaanwijzing (art. 184a.1 Sr). Wrakingsverzoek na sluiting onderzoek ttz. maar voor einduitspraak, art. 512 en 513 Sv. Had hof einduitspraak mogen doen, nu verdachte na sluiting van onderzoek ttz. maar vóór einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend?
Verzoek tot wraking van zittingsrechter(s) kan niet meer worden ingediend nadat einduitspraak is gedaan. Een voorafgaand aan uitspraak maar na sluiting van onderzoek ttz. schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan als het bij gerecht is ingekomen op zodanig tijdstip dat betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis kon(den) nemen. Als verzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, maar daarop door wrakingskamer niet kan worden beslist vóór tijdstip waarop uitspraak is bepaald, moet zittingsrechter (i.v.m. art. 345.3 Sv) onderzoek ttz. in afwachting van beslissing van wrakingskamer heropenen en schorsen (vgl. HR:2010:LJN BJ9926). Uit overwegingen wrakingskamer blijkt dat wrakingsverzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, te weten 2 dagen vóór einduitspraak. Aangenomen moet worden dat betrokken rechters daarvan kennis konden nemen voordat einduitspraak werd gedaan. Dit brengt mee dat hof onderzoek ttz. in afwachting van beslissing van wrakingskamer had moeten heropenen en schorsen en nog geen einduitspraak had mogen doen. Dit hoeft echter wegens gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Immers, als hof na indiening van wrakingsverzoek wel in afwachting van beslissing van wrakingskamer was overgegaan tot heropening en schorsing, zou dat (nu wrakingskamer de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat verzoek niet is gedaan zodra daarin genoemde feiten en omstandigheden aan verdachte bekend zijn geworden, en tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstond) niet tot andere einduitspraak van hof hebben geleid.
Volgt verwerping.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02642
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2022, nummer 21-002685-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. Scholte, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof geen einduitspraak had mogen doen, omdat de verdachte na sluiting van het onderzoek, maar vóór die einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend.
De stukken houden onder meer in dat op de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 het onderzoek op de terechtzitting gesloten is verklaard en dat het hof op 13 juli 2022 einduitspraak heeft gedaan. Bij brief van 11 juli 2022 heeft de verdachte verzocht om wraking van de raadsheren die de strafzaak tegen hem behandelden.
Op 23 augustus 2022 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het verzoek van de verdachte tot wraking niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing houdt onder meer in:
“Op grond van artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.
Verzoeker stelt in zijn wrakingsverzoek dat de hiervoor bedoelde samenstelling van het hof vooringenomen, niet onpartijdig en niet onafhankelijk is gebleken, hetgeen zich heeft geuit door het niet toepassen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), verbod van foltering, onmenselijke behandeling of vernedering of bestraffing van verzoeker en diens kinderen.
De wrakingskamer is van oordeel dat, gelet op de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, niet gesteld kan worden dat het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan hem bekend zijn geworden. Immers de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022 en het wrakingsverzoek is op 11 juli 2022 ingediend. Verzoeker is om die reden niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mrs. Smit, Melssen en Geeve.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de wrakingskamer aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek niet toe en kan worden volstaan met een schriftelijke afdoening van het verzoek.”
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.”
- artikel 513 leden 1, 2, 3 en 5 Sv:
“1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
5. Geschiedt het verzoek ter terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst.”
Een verzoek tot wraking van de zittingsrechter(s) kan niet meer worden ingediend nadat einduitspraak is gedaan. Een voorafgaand aan de uitspraak maar na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan als het bij het gerecht is ingekomen op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis kon(den) nemen. Als een verzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, maar daarop door de wrakingskamer niet kan worden beslist vóór het tijdstip waarop de uitspraak is bepaald, moet de zittingsrechter (in verband met artikel 345 lid 3 Sv) het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer heropenen en schorsen. (Vgl. HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926).
Uit de onder 2.2.2 weergegeven overwegingen van de wrakingskamer blijkt dat het wrakingsverzoek in dit opzicht tijdig is ingediend, te weten twee dagen vóór de einduitspraak. Aangenomen moet worden dat de betrokken rechters daarvan kennis konden nemen voordat de einduitspraak werd gedaan. Dit brengt mee dat het hof het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer had moeten heropenen en schorsen en nog geen einduitspraak had mogen doen.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Dit hoeft echter wegens gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Immers, als het hof na de indiening van het wrakingsverzoek wel in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer was overgegaan tot heropening en schorsing, zou dat – nu de wrakingskamer de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat dat verzoek niet is gedaan zodra de daarin genoemde feiten en omstandigheden aan de verdachte bekend zijn geworden, en tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstond – niet tot een andere einduitspraak van het hof hebben geleid.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).