Home

Hoge Raad, 04-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:120, 22/03475

Hoge Raad, 04-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:120, 22/03475

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 februari 2025
Datum publicatie
4 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:120
Formele relaties
Zaaknummer
22/03475

Inhoudsindicatie

Gewoonte maken van bezit van kinderporno (meermalen gepleegd), art. 240b.2 (oud) Sr. 1. Strafvermindering o.g.v. vormverzuim n.a.v. onrechtmatige doorzoeking van woning, computer en telefoon van verdachte, art. 359a Sv. Heeft hof verzuimd aan te geven in hoeverre het de straf heeft verminderd i.v.m. geconstateerd vormverzuim? 2. Toelaatbaarheid toezichtsopdracht aan reclassering t.a.v. naleving van bijzondere voorwaarde m.b.t. het zich onthouden van gedragingen die verband houden met kinderporno, art. 14c.6 Sr.

Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hoewel Rb in de door hof overgenomen overwegingen wel heeft aangegeven dat en waarom er strafvermindering moet plaats vinden, bevatten overgenomen overwegingen Rb en uitspraak hof geen overwegingen waarin expliciet tot uitdrukking wordt gebracht in hoeverre straf i.v.m. vormverzuim wordt verminderd. Daarom kan uit ’s hofs uitspraak niet worden afgeleid of, en zo ja in welke mate, opgelegde straf i.v.m. vormverzuim is verminderd. Vergelijking tussen opgelegde straf en door OM geformuleerde eis biedt geen grond om aan te nemen dat mate van strafvermindering in uitspraak besloten ligt. In hoger beroep vorderde AG immers gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 239 dagen voorwaardelijk, terwijl hof met bevestiging van strafoplegging Rb een gevangenisstraf heeft opgelegd van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Ad 2. Door hof in zijn arrest opgenomen toezichtsopdracht aan reclassering voldoet aan de in HR:2025:118 genoemde eisen v.zv. deze ertoe strekken te voorkomen dat bij controles een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op persoonlijke levenssfeer van verdachte. In dat verband verdient opmerking dat door hof gegeven invulling van toezicht betrekking heeft op een aan verdachte i.h.k.v. zijn veroordeling opgelegde verplichting, die is beperkt tot de aan voorwaardelijke veroordeling verbonden proeftijd en direct verband houdt met het tegengaan van met bewezenverklaarde vergelijkbare gedragingen gedurende die proeftijd. Daarbij heeft hof duidelijke beperkingen aangebracht in frequentie van onaangekondigde controles. Daarnaast heeft hof bepaald dat controle er niet toe strekt min of meer volledig beeld te krijgen van persoonlijk leven van verdachte en dat daarbij persoonlijke levenssfeer van verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. Mede in verband hiermee heeft hof bepaald dat controle uitsluitend is gericht op vraag of verdachte (overeenkomstig gestelde gedragsvoorwaarde) kinderpornografisch materiaal vermijdt. In dat verband is ook van belang dat bij onaangekondigde (desgewenst mede door deskundige politiefunctionaris uitgevoerde) controles door reclassering gebruik kan worden gemaakt van technisch hulpmiddel dat indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03475

Datum 4 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 september 2022, nummer 20-002587-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft aangegeven in hoeverre het de straf heeft verminderd in verband met het geconstateerde vormverzuim.

3.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.8.

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

5 Overwegingen naar aanleiding van het vierde cassatiemiddel

6 Beslissing