Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 14-04-2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:7, P-2021/03104
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 14-04-2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:7, P-2021/03104
Gegevens
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 14 april 2023
- Datum publicatie
- 25 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2023:7
- Zaaknummer
- P-2021/03104
Inhoudsindicatie
Onderzoek Avestrus: oud minister in Aruba veroordeeld voor passieve ambtelijke omkoping en verduistering. Vrijspraak van oplichting, misbruik van functie en witwassen. Gevangenisstraf 12 maanden waarvan 6 voorwaardelijk en ontzetting van rechten.
Uitspraak
Parketnummer: P-2021/03104
Uitspraak: 14 april 2023 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres 1].
1 Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden mrs. D. Illes en D. Kock (hierna steeds: “de raadsman”), advocaten in Aruba.
De officieren van justitie mrs. T. Rethmeijer en W.E.M. van Erp (hierna steeds: “de officier van justitie”) hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot:
- -
-
een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest;
- -
-
ontzetting van het bekleden van ambten en het passief kiesrecht voor de duur van 10 jaren.
De raadsman heeft bepleit dat het Gerecht de inleidende dagvaarding partieel nietig zal verklaren, althans dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging, althans dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken.
2 Tenlastelegging
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 (pagina’s doorgenummerd) aan dit vonnis gehecht en geldt als hier overgenomen.
De verdenkingen komen er - kort en zakelijk weergegeven - op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten:
-
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
-
Medeplegen van oplichting;
-
Passieve omkoping (al dan niet met plichtsverzuim), meermalen gepleegd;
-
Misbruik van functie, meermalen gepleegd;
-
Verduistering;
-
(Gewoonte)witwassen.
3. Formele voorvragen
Geldigheid dagvaarding
De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde partieel nietig zal worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van de volgende delen:
Feit 3
(a)
het verstrekken dan wel wijzigen van opties op (commerciële) erfpachtrechten en/of het uitvaardingen van Ministeriele beschikking waarbij een optie voor een erfpacht wordt verstrekt en/of het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpacht door verdachte als Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening, althans het Land Aruba,
(b)
het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan voormelde (rechts)personen en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en/of zijn medeverdachte(n) en voormelde (rechts)personen waarin hij en/of zijn medeverdachte(n) niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief waren/konden zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij en/of zijn medeverdachte(n) die giften, beloften en/of diensten niet hadden aangenomen of gevraagd.
Feit 4
waardoor aan genoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven) en/of andere medeverdachte(n) telkens een of meer optierecht(en) werd(en) verleend en/of gewijzigd en/of een erfpachtrecht werd(en) verstrekt en/of waardoor deze perso(o)n(en) en/of bedrijven onrechtvaardig en/of aanzienlijk werd(en) verrijkt
onvoldoende specifiek en begrijpelijk is.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Ten aanzien van het onder feit 3 a en feit 4 ten laste gelegde: De tenlastelegging onder de feiten 3 en 4 is toegespitst op respectievelijk verschillende omkopings- misbruik van functie gevallen. De steller van de tenlastelegging heeft per geval aangegeven uit welk zaaksdossier de verdenking ter zake van omkoping en misbruik van functie voortvloeit. Uit die zaaksdossiers blijkt steeds voldoende op welke optierechten, erfpachtrechten of wijzigingen van een erfpachtovereenkomst de verdenking ziet. Het Gerecht is daarom van oordeel dat - bezien in het licht van de inhoud van het strafdossier – de tenlastelegging voldoende specifiek en feitelijk is en wel zodanig dat het voor de verdachte duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren.
Ten aanzien van het onder feit 3 b ten laste gelegde: Uit de tenlastelegging volgt dat verdachte onder meer wordt verweten dat hij giften heeft aangenomen in de periode dat [naam 4]en [naam 5] verzoeken/aanvragen met betrekking tot erfpachtrechten hebben ingediend en dat hij aan hen in de ten last gelegde periode een voorkeursbehandeling zou hebben gegeven. Het verweer van de raadsman dat er geen reden was voor verdachte om giften aan te nemen om, zodoende, de relatie met die personen in stand te houden, vat het Gerecht op als een bewijsverweer en ziet niet op de geldigheid van de dagvaarding. Naar het oordeel van het Gerecht is de tenlastelegging, ook ten aanzien van dit onderdeel, voldoende duidelijk en specifiek en wist verdachte waartegen hij zich moet verdedigen.
Het voorgaande voert het Gerecht tot de slotsom dat de verweren met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding worden verworpen en dat de dagvaarding geldig is.
Bevoegdheid Gerecht
Het Gerecht stelt vast dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
Ontvankelijkheid officier van justitie
De raadsman heeft verweren gevoerd strekkende tot de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.
a. a) De raadsman heeft, zo begrijpt het Gerecht, betoogd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden als vrijspraak volgt voor de verdenkingen uit het zaaksdossier [naam hotel], omdat het feitencomplex in die zaak vergelijkbaar is met andere aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
b) De raadsman heeft verder nog bepleit dat een deel van de tenlastelegging onder feit 3 is verjaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de giften van [bedrijf 13] (betaling verjaardagsfeest) gedaan op 21 januari 2012, [bedrijf 1] gedaan op 18 juni 2013 en 20 augustus 2013 en de [bedrijf 2]. gedaan op 28 augustus 2013 buiten de verjaringstermijn van 6 jaren vallen en dat daarom het recht op vervolging, op grond van artikel 386 (oud) Wetboek van Strafrecht van Aruba (hierna: SrA), is komen te vervallen.
Het Gerecht overweegt als volgt.
a. a) De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de verdenkingen die voortkomen uit het zaaksdossier [naam hotel], omdat volgens hem onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten (passieve omkoping en misbruik van functie). Dat laat onverlet dat de officier van justitie van mening kan zijn dat in andere zaken/deeldossiers dat bewijs en die overtuiging er wel is. Het is het Gerecht geenszins gebleken dat sprake is van een identiek feitencomplex of dat het Openbaar Ministerie gelijke gevallen anders heeft behandeld, zodat het niet ontvankelijkheidsverweer van de raadsman in zoverre wordt verworpen.
b) Aan de verdachte is onder feit 3 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode 8 maart 2010 tot en met 14 februari 2014 schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping met plichtsverzuim ex art. 379 (oud) Wetboek van Strafrecht van Aruba (hierna: SrA). Over de periode 15 februari 2014 tot en met 19 oktober 2019 (verdachte was minister van ROII tot het najaar van 2017, dus gaat het Gerecht ervan uit dat 19 oktober 2017 wordt bedoeld) wordt hem, onder de nieuwe wetgeving ter zake: artt. 2:350 Sr en 2:351 SrA, het verwijt gemaakt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping al dan niet met plichtsverzuim.
De maximumstraf voor overtreding van 379 (oud) SrA is vier jaren gevangenisstraf. De maximumstraf voor overtreding van 2:350 SrA is vier jaren gevangenisstraf en de maximumstraf voor overtreding van 2:351 SrA is zes jaren gevangenisstraf.
Ingevolge de artikelen 72 (oud) en 1:145 SrA verjaart het recht tot strafvervolging, voor zover hier van belang, in zes jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld en in twaalf jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan drie (later: doch niet meer dan tien jaren) is gesteld. Volgens de artikelen 73 (oud) en 1:146 SrA vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd.
Het Gerecht beschouwt als eerste daad van vervolging de datum van het door de rechter-commissaris afgegeven bevel d.d. 24 september 2019 strekkende tot een huiszoeking bij verdachte.
Het Gerecht stelt vast dat voor de verdenking op grond van artikel 379 (oud) SrA een verjaringstermijn van 12 jaren geldt. De verjaringstermijn is ingegaan op 9 maart 2010 en is gestuit op 24 september 2019. Dat wil zeggen dat geen verjaring is ingetreden ten aanzien van de verdenking op grond van 379 (oud) SrA.
Ten aanzien van de verdenking op grond van artikel 2:350 SrA geldt een verjaringstermijn van 6 jaren. De verjaringstermijn is aangevangen op 16 februari 2014 en de verjaring is gestuit op 24 september 2019. Ook de verdenking op grond van 2:350 SrA is derhalve niet verjaard.
De verdenking op grond van artikel 2:351 SrA verjaart na 12 jaren. De verjaringstermijn is aangevangen op 16 februari 2014 en gestuit op 24 september 2019. Het Gerecht stelt daarom vast dat ook de verdenking op grond van 2:351 SrA niet is verjaard.
Met inachtneming van het voorgaande concludeert het Gerecht dat de verdenkingen op grond van de artikelen 379 (oud), 2:350 en 2:251 SrA niet zijn verjaard. Het gevoerde verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid wordt derhalve verworpen.
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de strafvervolging.
Schorsing vervolging
Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Vrijspraak 1, 2, 3 (partieel), 4 en 6
Inleidende overwegingen
In de kern genomen gaat het strafrechtelijk onderzoek Avestrus over vermeende onregelmatigheden bij de uitgifte van optie- en erfpachtrechten tijdens het bewind van [verdachte], verdachte, in diens voormalige hoedanigheid van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu en later van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur (hierna steeds: ROII) in de periode 2009-2017. De verdenking is dat aan de AVP gelieerde personen en vrienden van verdachte een voorkeursbehandeling kregen bij het door middel van (een) aan hen gelieerde rechtspersoon/nen verkrijgen van optie/-erfpachtrechten. Uit een aantal van de voorliggende zaaksdossiers blijkt dat deze rechtspersoon/nen met die optie-/erfpachtrechten tegen hoge bedragen aan derden zijn verkocht, waardoor, volgens het Openbaar Ministerie en aan de AVP gelieerde personen, [verdachte] en zijn vrienden aanzienlijk financieel voordeel hebben genoten.
Alvorens in te gaan op de concrete beschuldigingen aan het adres van de verdachte acht het Gerecht het dienstig om het uitgifteproces van optie-/erfpachtrechten tijdens het bewind van [verdachte] als minister weer te geven.
Burgers en ondernemers die in aanmerking wensten te komen voor een erfpachtrecht op domeingrond moesten zich volgens artikel 4 Landsverordening uitgifte eigendommen (LUE), met een verzoekschrift wenden tot de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid. Ingevolge artikel 25a jo. 25c LUE werd een optie op een erfpachtrecht verleend onder de voorwaarden door de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid in elk afzonderlijk geval te stellen. Het optierecht gaf de optiehouder het recht een eerste keuze te hebben om een erfpachtovereenkomst met het Land te sluiten voor een bepaald perceel. De betreffende minister, [verdachte] (na een herverdeling van portefeuilles), was op grond van de LUE eindverantwoordelijk en bevoegd om (commerciële) optie-/erfpachtrechten op domeingrond uit te geven.
In 2006 is de Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling (LRO) afgekondigd met als doel het gebruik van de grond en ruimte in Aruba beter te kunnen sturen. In deze Landsverordening werd de mogelijkheid geboden om een Ruimtelijk Ontwikkelingsplan (ROP) in te voeren, waarin de overheid de gewenste ontwikkeling voor de komende 10 jaar aan kon geven. In 2009 is het eerste ROP vastgesteld. Het Gerecht stelt vast dat noch in de LRO, noch in het ROP 2009 zelf wordt voorgeschreven aan welke eisen moest worden voldaan om in aanmerking te komen voor een optie-/erfpachtrecht.
In de ambtsperiode van [verdachte] als minister was de Directie Infrastructuur en Planning (DIP) als ambtelijke organisatie belast met het in behandeling nemen en het begeleiden van het proces rondom de uitgifte van erfpachtrechten. De DIP heeft in 2006 een brochure opgesteld waarin onder meer de voorwaarden voor het in aanmerking komen van een optierecht zijn weergegeven. Daarin is voor zover relevant opgenomen dat aanvragers hun verzoek moesten richten aan de minister van Onderwijs, Sociale Zaken en Infrastructuur, [verdachte] (na wederom een herverdeling van portefeuilles), door tussenkomst van de directeur van de DIP. Verder wordt in deze brochure weergegeven aan welke voorwaarden een aanvraag voor een optierecht moet voldoen en welke eisen worden gesteld in de optieperiode.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het Gerecht af dat in de praktijk verzoeken om een erfpachtrecht via twee routes bij de DIP terechtkwamen:
- -
-
route 1: burgers/ondernemers wendden zich met een verzoekbrief direct tot (het kantoor van) de minister, die zijn aantekening op de brief zette en de verzoekbrief vervolgens doorstuurde naar de DIP.
- -
-
route 2: burgers/ondernemers vulden bij het kantoor van de DIP een aanvraagformulier voor een erfpachtrecht in.
Nadat de aanvraag, al dan niet door tussenkomst van de minister, bij de DIP was ingevuld of ingekomen, ving de pre-optie fase aan. Volgens het beleid van de DIP moest de aanvrager in deze fase aan een zevental voorwaarden voldoen:
- -
-
een beschrijving van het project (op twee a4-tjes);
- -
-
type project;
- -
-
de grootte van het benodigde terrein;
- -
-
locatie voorkeur;
- -
-
gemoeide investering;
- -
-
wijze van financiering;
- -
-
eventuele schetstekeningen.
De stelling van het Openbaar Ministerie is dat in de voorliggende zaaksdossiers is afgeweken van het door de DIP opgestelde beleid. Aanvragers in de zaaksdossiers hebben, middels een door hun opgerichte rechtspersoon, een verzoekbrief zonder tussenkomst van de directeur van de DIP bij de minister ingediend, die zonder enige controle “akkoord” schreef op het verzoek tot verkrijging van een optierecht op de erfpacht. De directeur van de DIP, medeverdachte [medeverdachte 1], stelde vervolgens, en wederom zonder beoordeling van de aan een aanvraag in de pre-optie fase gestelde voorwaarden, een positief advies op voor de uitgifte van een optierecht. [Verdachte] tekende vervolgens de optiebeschikking, zodat de aanvragers over een optierecht op domeingrond konden beschikken.
Door de verdediging is aangevoerd dat de toen zittende regering een ‘open door policy’ hanteerde om de economische ontwikkeling van Aruba te stimuleren. Burgers en ondernemers konden bij bewindslieden terecht met hun verzoeken. De verdediging heeft daarnaast de kleinschaligheid van Aruba benadrukt, en daarbij opgemerkt dat direct contact tussen bewindslieden en burgers niet ongebruikelijk was.
[Verdachte] heeft bij de politie en op de terechtzitting met klem ontkend dat hij aan bepaalde personen een voorkeursbehandeling gaf. Naar eigen zeggen gaf hij op alle aanvragen/verzoeken die bij hem binnenkwamen akkoord en had bij hem iedereen een gelijke kans om een erfpachtrecht te verkrijgen. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat zijn akkoord op een verzoekbrief niet moet worden opgevat als een instructie aan de DIP om een optierecht uit te geven. Zijn akkoord moest, aldus nog steeds de verklaring van [verdachte], worden opgevat als een opdracht aan de DIP om te bezien of het mogelijk was een optie-/erfpachtrecht uit te geven op het door de verzoeker aangevraagde perceel.
Vrijspraak van oplichting (feiten 1 & 2) en misbruik van functie (feit 4)
In het navolgende worden de overwegingen van het Gerecht die ten grondslag liggen aan de vrijspraken van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten weergegeven. Vanwege de feitelijke en juridische samenhang van voornoemde feiten, worden deze gezamenlijk besproken.
Onder de feiten 1, 2 en 4 zijn onder meer de verdenkingen die voortkomen uit de zaaksdossiers [naam 1], [naam 2] en [naam 3] ten laste gelegd. Kort samengevat wordt verdachte onder de feiten 1 en 2 verweten dat hij samen met anderen het Land Aruba heeft opgelicht door zich voor te doen als een betrouwbare en integere minister. Hij zou, aldus de tenlastelegging, samenzweringen hebben gesmeed met andere ambtenaren en bevriende en/of aan de AVP gelieerde personen, die als doel hadden het Land door middel van het geven van een onjuiste voorstelling van zaken te bewegen tot afgifte van optie- en erfpachtrechten op domeingrond. De rol van verdachte zou erin hebben bestaan dat hij als minister, en dus als bevoegd orgaan om optie-/erfpachtrechten uit te geven, steeds zonder enige controle akkoord gaf op de verzoeken van zijn vrienden of aan de AVP gelieerde personen.
Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, als spin in het web, deelnam aan de samenzweringen die als doel hadden het Land op te lichten bij de uitgifte van erfpachtrechten. Volgens de officier van justitie was verdachte ervan op de hoogte dat zijn vrienden en/of aan de AVP gelieerde personen, middels door hen opgerichte rechtspersonen, aanvragen voor erfpachtrechten hebben ingediend en was hij er eveneens van op de hoogte dat die personen niet voornemens waren zelf een project te ontwikkelen, maar dat zij voor ogen hadden het te verkrijgen optie-/erfpachtrecht met grote winst aan derden te verkopen. Verdachte heeft dit gefaciliteerd door akkoord te geven op hun verzoeken en zou daar – in het geval van [naam 2] – ook zelf financieel van hebben geprofiteerd.
Dat verdachte wist van het frauduleuze handelen van zijn bevriende aanvragers van optie-/erfpachtrechten, en daar ook zelf aan deelnam, blijkt volgens de officier van justitie uit, met name, het volgende:
- in de zaaksdossiers [naam 1, 2, en 3] heeft verdachte steeds, in afwijking van het beleid (van de DIP) en zonder enige controle, akkoord gegeven op de verzoeken tot een optie-/erfpachtrecht;
- -
-
de verklaring van verdachte dat hij niet wist wie achter de rechtspersonen [naam 1, 2, en 3] schuilgingen is, gelet op de nauwe banden tussen verdachte en de bij die betrokken rechtspersonen vrienden, ongeloofwaardig;
- -
-
uit omstandigheden, waaronder de snelheid waarmee de verzoeken van [naam 1,2, en 3] in behandeling zijn genomen en hebben geleid tot de uitgifte van een optie-/erfpachtrecht, volgt dat verdachte een voorkeursbehandeling heeft gegeven aan die rechtspersonen;
- -
-
uit de getuigenverklaringen van mevrouw [getuige 1] blijkt dat verdachte een geldbdrag heeft aangenomen van medeverdachte [medeverdachte 2] in ruil voor de uitgifte van een erfpachtrecht aan [naam 2].
Standpunt verdediging De raadsman heeft bepleit dat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat voor de aantijging dat verdachte deel uitmaakte van samenzweringen die tot doel hadden het Land op te lichten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de verzoeken uit de zaaksdossiers [naam 1, 2, en 3], niet anders behandelde dan alle andere verzoeken die bij hem binnenkwamen. Zijn akkoord op de verzoekbrieven moet niet worden gezien als een instructie aan de DIP om een optie-/erfpachtrecht uit te geven, maar moet worden gezien als een opdracht aan de DIP om onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een optierecht uit te geven. Verdachte plaatste op alle verzoeken die bij hem binnenkwamen, ongeacht de (politieke) achtergrond van een aanvrager de notitie “akkoord” of iets van gelijke strekking, zodat van een voorkeursbehandeling geen sprake kan zijn. De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat de getuigenverklaringen van mevrouw [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar zijn om deze tot het bewijs te kunnen bezigen.
Oordeel Gerecht
Bij vonnissen van heden worden de aandeelhouders (medeverdachten: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]) van de rechtspersonen [naam 1,2 en 3], die betrokken waren bij het initiële verzoek om een erfpachtrecht, veroordeeld ter zake van oplichting. Het Gerecht heeft in hun zaken vastgesteld dat zij in de aanvraagprocedure valse inlichtingen hebben verstrekt, althans een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven, en daardoor het Land hebben bewogen tot afgifte van optie- en erfpachtrechten. Zij hebben bij het Land de indruk gewekt dat zijzelf een project op de aangevraagde domeingrond wilde ontwikkelen terwijl zij reeds in de optie fase in onderhandeling waren met derden om de aandelen van de rechtspersonen, die over optierechten beschikten of zouden gaan beschikken, met groot financieel voordeel te verkopen.
Het Gerecht stelt voorop dat hard of rechtstreeks bewijs dat verdachte wist van het frauduleuze handelen van zijn veronderstelde bevriende en/of aan de AVP gelieerde aanvragers, en dat hij daarin een faciliterende rol had, zich niet in het dossier bevindt. Dat wil zeggen dat zich in het dossier geen verklaringen bevinden waarin uit eerste hand is verklaard dat verdachte zich als spin in het web schuldig heeft gemaakt aan oplichting of misbruik van functie, zoals ten laste is gelegd. Noch bevinden zich in het dossier objectieve bewijsmiddelen waarin de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde samenzwering wordt bevestigd. Het Gerecht heeft daarom aan de hand van (verdachte) omstandigheden te beoordelen of het, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, niet anders kan zijn dan dat verdachte deel uitmaakte van samenzweringen die tot doel hadden het Land op te lichten bij de uitgifte van optie-/erfpachtrechten.
Het Gerecht is van oordeel dat er verdachte omstandigheden zijn, maar dat die niet van dusdanig gewicht zijn dat het Gerecht buiten gerede twijfel tot het oordeel kan komen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting en misbruik van functie.
Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
In de zaaksdossiers [naam 1,2, en 3] is telkens op basis van één enkel A4, met daarop een summiere beschrijving van het project en het verzoek om een erfpachtrecht, een optierecht uitgegeven. Verdachte heeft in al deze gevallen zijn akkoord op een verzoekbrief geschreven en de verzoekbrief vervolgens doorgestuurd naar de DIP. Die gang van zaken roept, vindt ook het Gerecht, vragen op, te meer nu is gebleken dat in de praktijk, althans in ieder geval in de gevallen van voornoemde zaaksdossiers, dergelijke optierechten een aanmerkelijke financiële waarde vertegenwoordigden.
Aantekeningen “akkoord” en “dezerzijds geen bezwaren”
Over de aantekeningen die verdachte op de verzoekbrieven plaatste is door alle betrokkenen veel gezegd. Naar het oordeel van het Gerecht laat de letterlijke tekst van de aantekening “akkoord” weinig ruimte over voor interpretatie. De meest gangbare uitleg is dan ook dat verdachte opdracht gaf aan de DIP om (minstgenomen) het betreffende verzoek in behandeling te nemen. Dat dit ook zo door de DIP is opgevat, volgt uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] (voormalig directeur DIP) en getuige [getuige 2] (voormalig coördinator IC/TRN).
[Medeverdachte 1] verklaarde bij de rechter-commissaris – voor zover relevant - het volgende:
“Als de minister een beslissing nam “dezerzijds akkoord” dan werd het in behandeling genomen. Dan kwam de optieprocedure.” 1
[Getuige 2] verklaarde bij de rechter-commissaris – voor zover relevant – het volgende:
‘’Maar voor mij betekende het “akkoord, gaarne uw medewerking” een instructie, ik moest daar dan wat mee doen. Voor mij was het wel degelijk een instructie en niet alleen kijken of hij (het Gerecht begrijpt de aanvrager) geholpen kon worden.” 2
Het Gerecht constateert dat de verklaringen van verdachte, enerzijds, en de oud-medewerkers van de DIP, anderzijds, hierover uiteenlopen. Het Gerecht heeft evenwel de vraag te beantwoorden of verdachte met de aantekening beoogde de aanvrager een voorkeursbehandeling te geven, althans het door DIP opgestelde beleid te omzeilen. Het Gerecht overweegt hierover dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden die op het tegendeel wijzen.
In lijn met wat verdachte heeft verklaard lijkt het er namelijk op dat alle verzoekbrieven die door tussenkomst van de minister bij de DIP terechtkwamen, door de minister werden voorzien van een aantekening met de strekking “akkoord” of “dezerzijds geen bezwaren”. [Medeverdachte 1] verklaarde hierover bij de rechter-commissaris:
“Er waren verschillende aantekeningen van de minister. Ze kwamen wel vaak op hetzelfde neer: “graag akkoord” of “dezerzijds geen bezwaren”. 3
Daarnaast heeft de verdediging een lijst overgelegd met alle verzoeken die in de periode 2009-2017 langs de verdachte zijn gegaan. Uit deze lijst leidt het Gerecht af dat verdachte, zoals hij ook zelf heeft verklaard, op (bijna) alle verzoeken die bij hem binnenkwamen “akkoord” gaf. Een springend voorbeeld is het door de verdediging aangehaalde verzoek van [naam 6]. Hij vroeg, in tijd ongeveer gelijk met de aanvraag namens [naam 1], middels een verzoekbrief aan de minister om een erfpachtrecht op een terrein aan de [straatnaam 1]. Deze verzoekbrief werd, net als de verzoekbrief van [naam 1] die op hetzelfde terrein zag, door verdachte geaccordeerd met de aantekening: “akkoord cfm, gaarne uw medewerking”. Uit het dossier is gebleken dat [naam 6] geen optierecht heeft gekregen en [naam 1] wel. Het Gerecht concludeert hieruit dat aan de aantekening “akkoord” van verdachte op een verzoekbrief niet zonder meer de betekenis kan worden ontleend dat verdachte opdracht gaf aan de DIP om een optierecht uit te geven.
Daarnaast dient nog de vraag te worden beantwoord in hoeverre door of vanwege de aantekening van verdachte het beleid van de DIP, en dan in het bijzonder in de pre-optiefase, werd omzeild. Hierover zijn verschillende oud werknemers van de DIP bevraagd. Uit hun verklaringen destilleert het Gerecht dat de voorwaarden die de DIP in de praktijk stelde in de pre-optiefase niet streng werden nageleefd. Zo verklaarde getuige [getuige 2], bij de rechter-commissaris hierover het volgende:
“In de pre optiefase waren we niet zo streng. In de optiefase waren we wat strenger”
...
“In de pre optiefase waren we iets makkelijker, je hoefde bijvoorbeeld nog geen keiharde bankbrief te hebben. Later wel” 4
Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard over de omvang van de beoordeling van de voorwaarden in de pre optiefase door DIP. Hij verklaarde hierover:
“Pas in de optiefase werd echt serieus gekeken naar de aanvraag. In de aanvraagtermijn was dat niet het geval” 5
Het Gerecht trekt hieruit conclusie dat hoewel de DIP beleid/voorwaarden had opgesteld voor het in aanmerking komen van een optierecht, het verkrijgen van een optierecht zonder aan die voorwaarden te hebben voldaan, niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat een voorkeursbehandeling is gegeven. Het Gerecht overweegt voorts dat nu niet kan worden vastgesteld dat de ten laste gelegde gedragingen van verdachte hebben bijgedragen aan een voorkeursbehandeling, en bovendien niet kan worden bewezen dat verdachte wist van het frauduleuze handelen van zijn veronderstelde bevriende en/of aan de AVP gelieerde aanvragers van de erfpachrechten, niet ter zake doet of verdachte wetenschap had van welke personen schuilgingen achter de rechtspersonen [naam 1,2, en 3]
De officier van justitie heeft ten slotte nog aangevoerd dat uit de getuigenverklaring van mevrouw [getuige 1] volgt dat verdachte een geldbedrag heeft aangenomen van medeverdachte [medeverdachte 2] (uiteindelijk belanghebbende van [naam 2]) in ruil voor een optie-/erfpachtrecht ten behoeve van [naam 2]. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat verdachte wist en financieel profiteerde van het frauduleuze handelen van medeverdachte [medeverdachte 2]. Het Gerecht is van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige 1], zoals in paragraaf 4.3 van dit vonnis zal worden overwogen, op onderdelen onvoldoende betrouwbaar is om deze te kunnen bezigen voor het bewijs. Bij die stand van zaken kan haar verklaring dan ook niet bijdragen aan het bewijs voor de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde samenzwering.
Conclusie
Het Gerecht komt recapitulerend tot de conclusie dat het wettig en overtuigend bewijs voor dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting en misbruik van functie in de zaken [naam 1,2, en 3], ontbreekt.
Met betrekking tot de vermeende misbruik van functie in de zaken [naam 4], [nm 7] en [naam 8] overweegt het Gerecht dat op gelijke gronden zoals hiervoor vermeld niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk zijn functie in die zin heeft misbruik dat hij tot doel had enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen.
Partiële vrijspraak van passieve ambtelijke omkoping (feit 3)
Onder feit 3 is aan verdachte een aantal omkopingsgevallen ten laste gelegd. In de tenlastelegging is opgetekend dat de omkopingsverdenkingen voortkomen uit de zaaksdossiers: [naam 2], [naam 7], [naam stichting] en [naam hotel]. Het Gerecht komt niet tot een bewezenverklaring voor de ten laste gelegde omkopingsverwijten die hun grondslag vinden in de zaaksdossiers: [naam hotel] en [naam 2], zodat verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.
Het Gerecht overweegt hiertoe als volgt.
[naam hotel]
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte een gift heeft aangenomen van [naam 9]/[naam hotel] en dat verdachte derhalve moet worden vrijgesproken.
Het Gerecht constateert met de officier van justitie en de verdediging dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit blijkt dat verdachte een gift/belofte/dienst heeft aangenomen van [naam 9]/[naam hotel]. Het Gerecht zal daarom de verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
[Naam 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een (aanzienlijk) contant geldbedrag heeft aangenomen van medeverdachte [medeverdachte 2] in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [naam 2] (in het requisitoir wordt in dit verband ook gesproken over [naam 1]), rechtspersonen waarvan medeverdachte [medeverdachte 2] de ultimate benificiary owner was. De officier van justitie heeft in het kader van deze verdenking aangevoerd dat de getuigenverklaringen van mevrouw [getuige 1] voldoende betrouwbaar zijn om deze voor het bewijs te kunnen gebruiken.
De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting stellig ontkend een geldbedrag, of een andere gift, te hebben ontvangen van [medeverdachte 2] in relatie tot de uitgifte van optie-/erfpachtrechten. In het verlengde daarvan hebben de raadslieden van de verdachte bepleit dat de verklaring van getuige [getuige 1] op belangrijke onderdelen wordt weersproken door de inhoud van het strafdossier en dat het dossier verder geen bewijsmiddelen bevat waaruit blijkt dat verdachte een geldbedrag van [medeverdachte 2] heeft aangenomen.
In de overwegingen met betrekking tot de vrijspraak van oplichting heeft het Gerecht reeds uiteengezet waarom niet zonder gerede twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 2] een voorkeursbehandeling heeft gegeven en dat hij heeft gefaciliteerd dat zij, op onrechtmatige gronden, financieel voordeel heeft genoten van de verkoop van de optie-/erfpachtrechten middels haar rechtspersonen. Het Gerecht zal – ten overvloede – nog enkele overwegingen wijden aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van mevrouw [getuige 1].
Getuige [getuige 1] heeft een aantal jaren gewerkt voor medeverdachte [medeverdachte 2], min of meer als personal assistent. Zij heeft verschillende verklaringen afgelegd, waarvan haar verklaring bij de rechter-commissaris het duidelijkst is. Zij verklaart – kort samengevat en voor zover relevant - in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] een grote envelop met geld gebracht te hebben naar de woning van verdachte om deze te overhandigen aan diens echtgenote. Volgens getuige [getuige 1] had het geld betrekking op de opbrengst van de verkoop van terreinen. De envelop die zij bracht was groot, bruin en dik.
Op grond van het dossier stelt het Gerecht vast dat er op 21 januari 2016 inderdaad, al dan niet via medeverdachte [medeverdachte 2], telefonisch contact is geweest tussen getuige [getuige 1] en de echtgenote van verdachte. De getuige heeft hierover verklaard dat zij gebeld heeft, omdat zij niet precies wist waar de woning van verdachte was. De verdediging ontkent het contact en de ontmoeting tussen [getuige 1] en de echtgenote van verdachte niet, doch heeft een geheel andere lezing, namelijk zou getuige [getuige 1] lootjes hebben opgehaald bij de echtgenote van verdachte. De officier van justitie hecht geen geloof aan deze alternatieve lezing
Het Gerecht overweegt als volgt.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard niet in de bewuste envelop te hebben gekeken, doch ervan overtuigd te zijn dat er geld in de envelop zat. Door de verdediging is daar tegenin gebracht dat niet uit te sluiten valt dat in de envelop lootjes zaten. Het Gerecht kan niet zonder meer aan dat verweer voorbij gaan en is van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige 1] met de nodige behoedzaamheid moet worden beoordeeld.
Het Gerecht stelt voorop dat de verklaringen die getuige [getuige 1] bij de Landsrecherche en later bij de rechter-commissaris niet geheel consistent zijn. Voorts stelt het Gerecht vast dat de verklaring van getuige [getuige 1] op onderdelen steun vindt in het dossier, maar op essentiële punten wordt weersproken door objectieve bevindingen van de Landsrecherche. Het Gerecht leidt uit die bevindingen af dat het moment waarop getuige [getuige 1] het - naar eigen zeggen - geld naar de woning van verdachte bracht zich niet zonder meer verhoudt met de data waarop geld is overgemaakt naar medeverdachte [medeverdachte 2] in verband met de verkoop van de aandelen in [naam 2]. Dit doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige.
Weliswaar kan worden toegegeven dat de gang van zaken bevreemding opwekt, doch in aanmerking genomen dat dit het enige bewijsmiddel zou zijn in het dossier waaruit volgt dat medeverdachte [medeverdachte 2] geld heeft gegeven aan verdachte in relatie tot de uitgifte van domeingronden, de niet geheel verklaarbare tijd waarin een en ander zich zou hebben afgespeeld, de alternatieve lezing van de verdediging en het feit dat zelfs de getuige niet met absolute zekerheid kan verklaren wat er in de envelop zat, acht het Gerecht de verklaring van [getuige 1] niet bruikbaar voor het bewijs.
De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde voor zover de tenlastelegging ziet op de passieve omkoping door medeverdachte [medeverdachte 2].
Vrijspraak van feit 6 (witwassen)
De witwasbeschuldiging bestaat uit het volgende verwijt. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij tezamen en in vereniging met een ander van in de tenlastelegging genoemde voorwerpen, die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn van misdrijf, de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en verplaatsing heeft verhuld of verborgen, dan wel heeft verhuld of verborgen wie de rechthebbende van die die voorwerpen was, dan wel deze voorwerpen voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Ten aanzien van feit 3 wordt bewezen verklaard dat verdachte giften (een hekwerk en een Vectra gymapparaat), in de vorm van steekpenningen, heeft aangenomen van medeverdachte [naam 7/medeverdachte 6]. Dit brengt echter niet met zich dat deze voorwerpen ‘daardoor’ uit misdrijf afkomstig zijn. Voorwerpen kunnen namelijk slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van de witwasartikelen als zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in de witwasartikelen genoemde delictsgedragingen (ECLI:NL:HR:2021:1033). Met de verwerving door verdachte van deze voorwerpen was de passieve omkoping voltooid. Eerst vanaf dat moment zijn deze voorwerpen dan ook afkomstig uit omkoping.
Voor zover ten laste is gelegd dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen geldt dat verhullings-handelingen in het kader van witwassen pas enige betekenis hebben na voltooiing van het brondelict. Toegespitst op deze zaak kan worden betoogd dat verdachte door bij de aankoop van de betreffende voorwerpen de bedrijven en bankrekeningen van een ander te gebruiken een bijdrage heeft geleverd aan het verhullen van de steekpenningen. Na voltooiing van het brondelict (de passieve omkoping) hebben door verdachte echter geen verhullings-handelingen plaatsgevonden. Dientengevolge kan niet worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander de criminele herkomst van de voorwerpen heeft verhuld noch dat hij heeft verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen en wie die voorwerpen voorhanden had, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het witwassen.