Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 07-02-2024, ECLI:NL:OGEAA:2024:8, AUA202103317, AUA202103318 en AUA202302310
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 07-02-2024, ECLI:NL:OGEAA:2024:8, AUA202103317, AUA202103318 en AUA202302310
Gegevens
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 7 februari 2024
- Datum publicatie
- 8 februari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2024:8
- Zaaknummer
- AUA202103317, AUA202103318 en AUA202302310
Inhoudsindicatie
In een aantal zaken betreffende een viertal hotels is uitspraak gedaan in één of meer problemen in de grondbelasting. Het betreft de onderwerpen tarief, waarde en ontheffing ex artikelen 35/37 van de Landsverordening grondbelasting (LGB). Alle beroepen zijn ongegrond verklaard. Een bijzonderheid is de Immateriële schadevergoeding: In beginsel is in alle vier de zaken sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Bij constatering dat de redelijke termijn is overschreden, dient het Gerecht echter te volstaan met die constatering. De wet- en regelgeving in Aruba voorziet namelijk niet De wet- en regelgeving van Aruba voorziet namelijk niet in de mogelijkheid tot het toekennen van een (immateriële) schadevergoeding door de rechter. In Hoge Raad, 19 januari 2024, 21/01999, ECLI:NL:HR:2024:50 heeft de Hoge Raad in een Curaçaose zaak in vergelijkbare zin geoordeeld. Indien belanghebbende in aanmerking wenst te komen voor een immateriële schadevergoeding zal zij zich tot de burgerlijke rechter dienen te richten, omdat deze daartoe exclusief bevoegd is. Het Gerecht wijst het verzoek tot een immateriële schadevergoeding dan ook af. Een andere bijzonderheid betreft de bevoegdheidskwestie: de belastingrechter heeft zich bevoegd verklaard om uitspraak te doen in de beroepen ingesteld tegen de door de Inspecteur afgewezen verzoeken op grond van de artikelen 35 en 37 LGB.
Uitspraak
Uitspraak van 7 februari 2024
BBZ nrs. AUA202103317, AUA202103318 en AUA202302310
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], gevestigd te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Aruba,
de Inspecteur.
1 PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn ter zake van de onroerende zaken [adres] (hierna: de onroerende zaak) op respectievelijk 31 mei 2019, 1 juni 2020 en 31 mei 2021 aanslagen grondbelasting voor de jaren 2019, 2020 en 2021 opgelegd naar een waarde van Afl. 148.000.000, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van elk Afl. 888.000.
Op respectievelijk 6 juni 2019, 30 juli 2020 en 15 juli 2021 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021.
Belanghebbende heeft op 30 maart 2021 een verzoek ingediend om gedeeltelijke ontheffing van de grondbelasting over het jaar 2020 ex artikel 37 LGB (hierna: het ontheffingsverzoek ex art. 37).
Belanghebbende heeft op 31 maart 2021 een verzoek ingediend om gedeeltelijke ontheffing van de grondbelasting over het jaar 2020 ex artikel 35 (hierna: het ontheffingsverzoek ex art. 35).
Belanghebbende heeft op 9 november 2021 (2019 en 2020) en 28 juni 2023 (2021) beroepen ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen grondbelasting 2019, 2020 en 2021. Daarbij is tweemaal Afl. 150 aan griffierecht betaald.
De Inspecteur heeft op 15 april 2022 (2019 en 2020) en 13 oktober 2023 (2021) verweerschriften ingediend.
Belanghebbende heeft op 6 november 2023 een reactie op het verweerschrift ingediend.
De Inspecteur heeft op 9 november 2023 uitspraken gedaan op de ontheffingsverzoeken van belanghebbende ex artikel 35 en 37 en de verzoeken afgewezen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2023 te Oranjestad. Namens belanghebbende zijn verschenen [A], [B], [C], [D] en [E], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [F] en [G].
Beiden partijen hebben pleitnota’s voorgedragen en overgelegd.
Het onderzoek ter zitting is niet gesloten, maar op verzoek van partijen aangehouden om belanghebbende de gelegenheid te geven nadere gegevens te verstrekken.
Op 13 december 2023 heeft belanghebbende het Gerecht en de Inspecteur laten weten af te zien van het verstrekken van nadere informatie en verzocht om een uitspraak op basis van de reeds aanwezige gegevens.
Nadat van beide partijen de bevestiging is ontvangen dat het onderzoek kan worden gesloten, heeft het Gerecht op 14 december 2023 het onderzoek gesloten.
2 FEITEN
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft twee percelen en een opstal.
3 GESCHIL
In geschil is of de per 1 januari 2019 ingevoerde wettelijke verhoging van het belastingtarief voor de grondbelasting van 0,4% naar 0,6% en het tegelijkertijd laten vervallen van de belastingvrije waarde rechtmatig is, en zo niet of de aanslagen 2019, 2020 en 2021 naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
Belanghebbende is van mening dat de aanslagen die zijn opgelegd, vernietigd dienen te worden, althans verminderd dienen te worden door uit te gaan van een belastingtarief van 0,4%. De Inspecteur stelt dat de aanslagen in stand moeten blijven.
Niet in geschil is dat de belastbare waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2019 Afl. 148.000.000 bedraagt en dat het vijfjarige tijdvak, als bedoeld in artikel 14, lid 2, van de Landsverordening grondbelasting (LGB) loopt van 2017 tot en met 2021.
In geschil is voorts de belaste waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2020 en 2021. Volgens belanghebbende bedraagt de belastbare waarde voor de jaren 2020 en 2021, naar het Gerecht begrijpt respectievelijk Afl. 74.000.000 en Afl. 76.612.000. De Inspecteur verdedigt voor beide jaren een belastbare waarde van Afl. 148.000.000, zijnde de waarde met inachtneming waarvan de aanslagen LGB voor de jaren 2020 en 2021 zijn opgelegd. Voor beide jaren is in geschil het antwoord op de vraag of door de Covid-19 pandemie al dan niet sprake is van een gehele of gedeeltelijke vernieling, als bedoeld in artikel 37 LGB (2020), respectievelijk artikel 24, lid 1, onderdeel e LGB (2021). Voor het jaar 2020 is bovendien in geschil of al dan niet sprake is van gedurende een tijdvak van minstens zes achtereenvolgende maanden ongebruikt en onverhuurd gebleven zijn van een gebouw of afzonderlijk gebruikte gedeelten van gebouwen met hun aanhorigheden, zoals bedoeld in artikel 35 LGB.