Home

Parket bij de Hoge Raad, 19-05-1999, AD3053 AG3392, OK 69-I

Parket bij de Hoge Raad, 19-05-1999, AD3053 AG3392, OK 69-I

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 mei 1999
Datum publicatie
2 april 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:1999:AD3053
Formele relaties
Zaaknummer
OK 69-I

Inhoudsindicatie

Faillissement en enquêterecht; bevoegdheid curator moedervennootschap tot verzoeken enquête bij failliete dochter. Bevoegdheid bestuurders failliete vennootschap tot vertegenwoordiging vennootschap in enquêteprocedure. Kennisgeving als bedoeld in art. 2:349 BW.

Conclusie

Nr. 69-1

Derde kamer A

(verzoek enquête)

Parket, 22 december 1998

Mr. Mok

Conclusie inzake

[verzoekster] B.V.

tegen

Mr. C.F.W.A. HAMM q.q.

Edelhoogachtbaar college,

1 INLEIDING

1.1.

Het onderhavige cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 20 november 1997, waarbij deze een enquête heeft bevolen.

Het verzoek tot deze enquête is gedaan door verweerder in cassatie, mr. Hamm. Deze is curator in de faillissementen van [verzoekster] B.V. (verzoekster van cassatie, hierna:[verzoekster]), van [A] B.V. ([A]) en van vijf andere (Nederlandse) besloten vennootschappen. [verzoekster] is houdster van alle aandelen van de "dochters", t.w. [A] en de vijf andere vennootschappen .

1.2.

De ondernemingskamer heeft de curator niet ontvankelijk verklaard, voor zover deze zijn verzoek heeft gedaan als curator van de onderscheiden Nederlandse dochters. Op het verzoek van Hamm in diens kwaliteit van curator van [verzoekster] heeft zij een enquête bevolen, met aanwijzing van een enquêteur.

De enquête moet betrekking hebben op de bedoelde zes Nederlandse dochters, niet op [verzoekster] en evenmin op buitenlandse dochters van [verzoekster]1.

1.3.

Het onderhavige (namens [verzoekster] ingediende) cassatierekest telt twee klachten (middel- onderdelen).

Namens de zes Nederlandse dochters is eveneens beroep in cassatie tegen de beschikking van de ondernemingskamer ingesteld. Het desbetreffende rekest behelst drie klachten, waarvan de eerste twee grotendeels gelijkluidend zijn2 aan de twee namens [verzoekster] voorgestelde klachten.

1.4.

De administratie van de Hoge Raad heeft aan beide beroepschriften hetzelfde nummer (69) toegekend. Ik heb er, omdat de zaken enigszins van elkaar verschillen, de voorkeur aan gegeven aan elk van beide zaken een conclusie te wijden. Die met betrekking tot het namens de zes dochters ingediende cassatieberoep heb ik aangeduid met het nummer 69-II, de onderhavige met het nummer 69-1.

2 FEITEN

2.1.

Tot 1994 werd de internationale transportonderneming De Haan uitgeoefend door de ven-nootschap De Haan's Expeditie B.V.

In genoemd jaar vond een wijziging van de ondernemingsstructuur plaats door de oprichting van zes werkmaatschappijen (de dochters), [A] B.V., [B] B.V., [C] B.V., [D] B.V., [E] B.V. en [F] B.V. De activiteiten (in Nederland) van de groep zijn sindsdien uitgeoefend door deze werkmaatschappijen.

2.2.

Naast deze Nederlandse vennootschappen bestond [H] uit een achttal buitenlandse rechtspersonen, gevestigd in Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië en Malta. De omzet van de groep bedroeg ongeveer f 55.000.000, -- per jaar, de groep had ongeveer 200 werknemers in dienst.

Het statutair bestuur van [verzoekster] bestond sinds 1995 uit [betrokkene 1] (van wie twee broers in dat jaar als bestuurders zijn teruggetreden), en de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Laatstgenoemden waren beiden bestuurder van zowel [verzoekster] als van alle dochters3.

2.3.

Op 6 januari 1997 heeft de rechtbank te Dordrecht zowel [verzoekster] als de dochters in staat van faillissement verklaard onder benoeming, zoals bleek, van mr Hamm, tot curator van al deze vennootschappen.

3 VERLOOP PROCEDURE

3.1.

Bij verzoekschrift gedateerd 3 juli 1997, bij het hof ingekomen op 7 juli 1997, heeft de curator de ondernemingskamer verzocht een enquête te gelasten teneinde het beleid en de gang van zaken te onderzoeken met betrekking tot de werkmaatschappijen4.

3.2.

Op grond van een aantal in het verzoekschrift omschreven omstandigheden meende de curator dat er reden was te betwijfelen of binnen de groep kon worden gesproken van behoorlijk uitgeoefend ondernemerschap.

De bevoegdheid tot het instellen van dit verzoek baseerde de curator op het feit dat hij (tevens) curator was van [verzoekster]. Zijns inziens kwamen hem daarom ook de (bestuurs-)bevoegdheden van de aandeelhouder van de werkmaatschappijen toe, waaronder de bevoegdheid tot het indienen van het onderhavige verzoek op grond van art. 2:345 io. 2:346, sub b, BW5.

3.3.

Nadat het hof de oproeping van bestuurders, commissarissen en eventuele andere beleidsbepalers binnen de vennootschappen had gelast (proces-verbaal van de zitting van 28 augustus 1997), hebben alle Nederlandse De Haan vennootschappen (dat wil zeggen [verzoekster] en de zes dochters) een verweerschrift doen indienen en ter zitting van 9 oktober 1997 mondeling verweer doen voeren door hun raadsman.

Deze laatste verklaarde te handelen in opdracht van de heren [betrokkene 3] en [betrokkene 2], die nog steeds in functie waren als statutair bestuurders van alle betrokken rechtspersonen6.

3.4.

De verweerders betoogden, voor zover van belang, dat de curator niet-ontvankelijk was in zijn verzoek omdat zowel uit de Faillissementswet als uit de bepalingen van het BW met betrekking tot het enquêterecht volgde dat hem niet de bevoegdheid tot het instellen van een enquête toekwam7.

Voorts betoogden zij dat de curator niet had voldaan aan het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW (schriftelijk kenbaar maken van bezwaren aan het bestuur)8. Zij verzochten de inhoudelijke behandeling van de door de curator aan zijn verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden aan te houden, zodat zij zich daarop nog (nader) konden voorbereiden9.

3.5.

De curator betoogde dat hij naar zijn oordeel wel degelijk ontvankelijk was in zijn verzoek, dat uit deze ontvankelijkheid voortvloeide dat de vennootschappen juist niet-ontvankelijk waren, en dat de bestuurders van de vennootschappen als belanghebbenden niet waren verschenen10.

3.6.

De Ondernemingskamer, die, zoals al bleek, het verzoek van de curator heeft toegewezen, voor zover hij dit had ingesteld in zijn hoedanigheid van curator van [verzoekster]11 en het betrekking had op de werkmaatschappijen12, oordeelde dat moest worden aangenomen dat alle Nederlandse vennootschappen verschenen waren13.

3.7.

De ondernemingskamer heeft het beroep op art. 2:349, lid 1, BW verworpen (ro. 3.8). ...... Hetzelfde deed zij met het verzoek van de vennootschappen om de zaak aan te houden teneinde hun de gelegenheid te geven zich nader voor te bereiden op hun inhoudelijke verweer tegen het verzoek (ro. 3.9). Volgens de ondernemingskamer hadden de vennootschappen hun inhoudelijke verweer, voor zover mogelijk, reeds voorgedragen ter zitting van 9 oktober 199714.

3.8.

[verzoekster] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld15. Het beroep steunt op een middel waarin twee onderdelen zijn te onderscheiden.

4 BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL

5 CONCLUSIE