Parket bij de Hoge Raad, 18-10-2013, ECLI:NL:PHR:2013:1102, 12/05436
Parket bij de Hoge Raad, 18-10-2013, ECLI:NL:PHR:2013:1102, 12/05436
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 oktober 2013
- Datum publicatie
- 28 maart 2014
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:1102
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:736, Gevolgd
- Zaaknummer
- 12/05436
Inhoudsindicatie
Overschrijding redelijke termijn (ORT). Art. 6 EVRM. Art. 13 EVRM. Stelplicht ter zake van immateriële schade bij schadevordering wegens ORT. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360. Dient vordering wegens ORT in civiele procedure te worden ingesteld in een afzonderlijke procedure tegen de Staat? EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 (Mifsud/Frankrijk); EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (Depauw/België). Griffierecht. Art. 4, lid 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken. Hoogte van vergoeding immateriële schadevergoeding. Richttermijnen voor redelijke duur?
Onteigening; schadeloosstelling wegens vervallen erfdienstbaarheid (art. 44 en 59 lid 3 Ow). Maatstaf van art. 5:79 BW: verzet redelijk belang van rechthebbende zich tegen opheffing? Moeten daarbij andere belangen dan die van de gerechtigde worden betrokken?
Conclusie
12/05436
mr. J.C. van Oven
Zitting 18 oktober 2013
CONCLUSIE inzake:
[eiser 1], en tien anderen
eisers tot cassatie
(mr. J.F. de Groot)
tegen
de gemeente De Bilt
verweerster in cassatie
(mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink)
Verweerster in cassatie (hierna ook: de Gemeente) heeft twee percelen grond, die reeds haar eigendom waren, onteigend teneinde die percelen te zuiveren van een daarop rustende erfdienstbaarheid (art. 59 lid 3 Ow). Diverse eigenaren van heersende erven (waaronder eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s.) zijn in de procedure tussengekomen teneinde aanspraak te maken op schadeloosstelling wegens het verval van de erfdienstbaarheid. De rechtbank heeft de schadeloosstelling voor de tussengekomen partijen (hierna: de interveniënten) in afwijking van het advies van deskundigen bepaald op nihil omdat de erfdienstbaarheid niet bestand zou zijn geweest tegen een opheffingsvordering op de voet van art. 5:79 BW en bij zodanige opheffing geen vergoeding zou zijn toegekend. Het cassatiemiddel klaagt over dit oordeel. Het laakt daarnaast het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat tot het toekennen van een vergoeding van (immateriële) schade als gevolg van de omstandigheid dat de procedure niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in art 6 EVRM is afgewikkeld. Tenslotte keert het middel zich tegen het oordeel van de rechtbank dat van de door de interveniënten gemaakte kosten van juridische en deskundige bijstand slechts de helft voor vergoeding in aanmerking komt.
1 Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie
Bij vonnis van 22 juli 2009 heeft de rechtbank Utrecht vervroegd de onteigening uitgesproken ten name en ten behoeve van de Gemeente van:
- het perceel kadastraal bekend gemeente Maartensdijk, sectie [A] nr. [001], ter grootte van 01.77.20 ha (grondplannummer 1), en
- het perceel kadastraal bekend gemeente De Bilt, sectie [B], nr. [002], ter grootte van 05.92.90 ha, (grondplannummer 2).
In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank negentien partijen (waaronder [eiser] c.s.) als tussenkomende partijen (hierna: interveniënten) toegelaten. De rechtbank bepaalde het aan de tussengekomen partijen te betalen voorschot op de schadeloosstelling op nihil en benoemde drie deskundigen teneinde de schadeloosstelling te begroten.
De opneming door de deskundigen van de te onteigenen percelen heeft plaatsgevonden op 15 september 2009.
Het vonnis van vervroegde onteigening is op 12 oktober 2009 in de openbare registers ingeschreven.
Het advies van de deskundigen dateert van 4 oktober 2011. De deskundigen hebben in hun advies de aan de interveniënten toekomende schadeloosstelling, kort gezegd, begroot op € 6.250 per heersend perceel.1
De Gemeente en de interveniënten hebben de zaak ter zitting van de rechtbank van 3 juli 2012 in aanwezigheid van de deskundigen bepleit.
De rechtbank heeft bij vonnis van 19 september 2012 de aan de interveniënten verschuldigde schadeloosstelling op nihil vastgesteld. Zij veroordeelde de Gemeente in de proceskosten aan de zijde van de interveniënten ter zake van rechtskundige bijstand tot een bedrag van € 23.631,83 en ter zake van overige deskundige bijstand tot een bedrag van € 7.678,40.
Tegen het vonnis van 19 september 2012 hebben de interveniënten bij akte houdende verklaring van cassatie van 2 oktober 2012 (tijdig)2 cassatieberoep ingesteld. Een deel van hen (te weten [eiser] c.s.) heeft de cassatieverklaring bij exploot van 13 november 2012 (tijdig)3 aan de Gemeente laten betekenen met dagvaarding in cassatie.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben de zaak op 15 februari 2013 schriftelijk toegelicht. Voor [eiser] c.s. is de zaak mede toegelicht door mr. D.J. de Jongh, advocaat te Amsterdam. De advocaat van [eiser] c.s. heeft gerepliceerd. De advocaten van de Gemeente hebben gedupliceerd.
2 Inleiding en kernpunten van het debat
De onteigening is uitgesproken op basis van het besluit van de raad van de gemeente De Bilt van 31 mei 2007, tot onteigening ingevolge art. 77 lid 1, aanhef en onder 1o (oud) Ow, goedgekeurd bij (Koninklijk) Besluit van 24 december 2007, no. 07.004215, Stcrt. 18 januari 2008, nr 13. De onteigening is geschied ter uitvoering van het op 7 september 2006 door de raad van de gemeente De Bilt vastgestelde bestemmingsplan “Bedrijvenpark Larenstein, herziening ex artikel 30 WRO” en met de uitdrukkelijke bedoeling de op het onteigende rustende erfdienstbaarheid te doen eindigen.4
Het bestemmingsplan ter uitvoering waarvan onteigend is, voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein en openbaar groen. Het deel van het plangebied dat voorheen in gebruik is geweest als mobilisatiecomplex van het Ministerie van Defensie is daartoe door gemeente De Bilt van Defensie gekocht.
Op het onteigende zullen, zo maak ik op uit het Besluit van 24 december 2007, zoveel mogelijk bedrijven worden ge(her)huisvest die elders in de gemeente De Bilt uit een oogpunt van ruimtelijke ordening en milieu niet langer kunnen worden gehandhaafd.
De erfdienstbaarheid die op de voet van art. 59 lid 3 Ow door de onteigening is vervallen is gevestigd in 1953. Het heersende erf bestond toen uit het na verkoop van de thans onteigende percelen aan de Staat (Ministerie van Defensie) resterende gedeelten van het landgoed van de baron van Boetzelaer van Asperen en Dubbeldam. De erfdienstbaarheid bestond eruit dat op de lijdende erven
geen gebouwen, opstallen, getimmerten en dergelijke ruimte- en beschutting gevende zaken mogen worden opgericht of gehouden, met uitzondering van de opstallen welke dienen als magazijncomplex voor militaire doeleinden in ’s lands belang en als huisvesting van toezichthoudend personeel.
De hiervoor bedoelde resterende gedeelten (de heersende erven) zijn later verkocht aan de gemeente De Bilt, waarna in de jaren ’60 en ’70 ter plaatse een woonwijk is verrezen, waarbij de heersende erven na verschillende splitsingen zijn opgedeeld in circa 800 kleine percelen, waaronder de percelen van [eiser] c.s.5 De erfdienstbaarheid bleef ingevolge art. 737 lid 1 (oud) BW voor ieder perceel verschuldigd (zie voor het huidige recht art. 5:76 BW).
De percelen van [eiser] c.s. liggen alle aan de [a-straat] in De Bilt, ten oosten van het onteigende. Tussen die percelen en de oostelijke erfgrens van het voormalig defensieterrein ligt een strook grond van circa 40 à 55 meter breed, die geen onderdeel uitmaakt van het onteigende. Over de desbetreffende strook grond loopt, direct grenzend aan het voormalig defensieterrein (het dienend erf) een geasfalteerd fietspad met aan beide zijden een bomenrij, het zogenoemde "[de b-straat]".6
De rechtbank heeft het advies van de deskundigen als volgt samengevat (rov. 2.9):
De deskundigen overwegen in hun advies dat voorafgaande aan de onteigening de eigenaren van de heersende erven alle ontwikkelingen op het onteigende konden verhinderen behoudens het oprichten van magazijnen voor militaire doeleinden en van opstallen tot huisvesting van toezichthoudend personeel. Door de onteigening vervalt deze bevoegdheid. Deskundigen zijn van oordeel dat door dit gevolg van de onteigening de percelen van interveniënten, welke alle liggen aan de [a-straat], enige waardevermindering ondergaat. Deskundigen hebben, teneinde de waardevermindering te taxeren, zich een oordeel gevormd omtrent de onderhandse verkoopwaarde van de percelen van interveniënten voorafgaande en na de onteigening. Aan de hand van verkregen marktinformatie van percelen aan de [a-straat] hebben deskundigen zich een beeld gevormd omtrent het prijspeil voor en na de peildatum. Deskundigen overwegen dat er ten tijde van de peildatum aan de [a-straat] bij lange na niet voldoende transacties zijn om daaruit de reactie van de markt op het wegvallen van de erfdienstbaarheid te kunnen bepalen. Bovendien zullen de algemene bewegingen in de markten, met welke deskundigen rekening hebben kunnen houden, een grotere invloed hebben op de waardeontwikkeling dan het wegvallen van de erfdienstbaarheid, aldus de deskundigen. Uitgaande van hun op kennis en ervaring gebaseerd intuïtief inzicht taxeren de deskundigen de schade die interveniënten lijden als gevolg van het wegvallen van de erfdienstbaarheid op een bedrag van € 6.250,- (circa 1% van het prijsniveau op de peildatum), met uitzondering van het perceel [a-straat] 35, dat een geringere oppervlakte heeft en een mindere waarde heeft door haar ligging ten opzichte van naburige flats. Andere heersende erven dan die welke liggen in het lint waarin de percelen van interveniënten liggen ondergaan naar het oordeel van de deskundigen geen waardevermindering.
De Gemeente heeft de visie van de deskundigen bestreden en (onder meer) erop gewezen dat de schade van de eigenaren van de heersende percelen bepaald zal moeten worden door een vergelijking te maken van de waarde van hun perceel met en zonder erfdienstbaarheid en dat krachtens art. 44 Ow daarbij rekening dient te worden gehouden met hetgeen te verwachten is omtrent de wijziging of opheffing van hun recht op basis van de art. 5:78 en 5:79 BW. Een redelijk handelend koper en verkoper zullen volgens de Gemeente in hun prijsonderhandeling niet ervan uitgaan dat zij de wijziging van het onteigende in bedrijfsterrein kunnen tegenhouden met een beroep op de erfdienstbaarheid.7
De interveniënten hebben een eigen deskundige in het veld gebracht, de heer W. Roest, die tot de conclusie kwam dat zelfs bij een conservatieve benadering, de prijzen van de woningen aan de [a-straat] met een bedrag van € 80.000 per woning (extra) zijn gedaald. Bij gelegenheid van de pleidooien hebben de interveniënten de rechtbank voorts nog verzocht de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van door hen geleden immateriële schade als gevolg van de bijzonder lange duur van de procedure. Het recht op behandeling van hun zaak binnen een redelijke termijn, zoals volgt uit art. 6 EVRM, is volgens hen geschonden.8
3 Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de schadeloosstelling
De rechtbank stelde voorop dat bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens het vervallen van een erfdienstbaarheid ingevolge het bepaalde in art. 44 Ow rekening moet worden gehouden met hetgeen te verwachten is omtrent de wijziging of opheffing krachtens de art. 5:78 en 5:79 BW. Opheffing op grond van het bepaalde in art. 5:78 achtte de rechtbank op overgangsrechtelijke gronden buiten de orde. Wijziging op grond van die bepaling achtte zij evenmin aan de orde. Een toets aan het bepaalde in art 5:79 moest naar het oordeel van de rechtbank wel plaatsvinden, waarbij zij rekening ermee hield dat dit artikel op grond van art. 68a Overgangswet NBW onmiddellijke werking heeft (rov. 2.12).
Vervolgens boog de rechtbank zich over de vraag waarop een denkbeeldige opheffingsvordering op de voet van art. 5:79 zou zijn uitgelopen. Waar de rechtbank niet aanneemt dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid (vóór de onteigening) reeds onmogelijk was geworden, heeft de rechtbank onderzocht of de interveniënten nog een redelijk belang hadden bij de erfdienstbaarheid. Bij de beantwoording van die vraag “zal het enerzijds gaan om het belang van interveniënten als eigenaren van de heersende erven en anderzijds het belang van de Gemeente De Bilt als eigenaar van de dienende erven” (rov. 2.13).
Met betrekking tot die wederzijdse belangen en de afweging daarvan overwoog de rechtbank in de rov. 2.14-2.17 als volgt:
2.14
In dit verband acht de rechtbank van belang dat het oorspronkelijk gaat om een erfdienstbaarheid uit 1953 die destijds gevestigd is ten behoeve van de toenmalige verkoper, die kennelijk aantasting van het karakter van zijn omliggende eigendommen (landgoederen) vreesde. Op de heersende erven is in de jaren ’60 een woonwijk ingericht, waartoe zij na verschillende splitsingen en hernummeringen verworden zijn tot circa 800 kleine percelen. Bij die uitgifte, die door Gemeente De Bilt is gedaan, is nagelaten de erfdienstbaarheid door te halen. In zoverre is de kennelijke bedoeling van de eigenaar van de oorspronkelijke heersende erven – behoud van het landelijke karakter – door voormelde ontwikkelingen vrijwel onmogelijk gemaakt. Immers door de opsplitsing in circa 800 kleine bebouwde kavels, hebben de diverse eigenaren nagenoeg alle zicht op of te maken met de bebouwing van buren, overburen en/of daarbij behorende tuinen of garages.
Voor interveniënten, ligt dit – aan de achterzijde van hun woningen – gezien de ligging van hun percelen aan de rand van de woonwijk iets genuanceerder. Hun tuinen grenzen aan de ( ... ) strook grond met daarop [de b-straat], welke strook in de vigerende bestemming een groene bufferzone vormt tussen de heersende en de dienende erven. De rechtbank heeft op de ter zitting getoonde foto’s kunnen zien dat interveniënten door de bomen langs [de b-straat] en het daarvoor gelegen groene struikgewas (nagenoeg) geen zicht hebben op het achterliggende dienende erf, dat inmiddels wordt ingericht als bedrijventerrein. Nu bedoelde bomen en struikgewas loofgewassen betreffen, hebben interveniënten volgens de deskundigen tijdens de wintermaanden wel enig zicht op het achterliggende bedrijventerrein, waarmee zij naar het oordeel van de rechtbank – anders dan alle andere eigenaren van de heersende erven – in enige beperkte mate belang hebben bij de erfdienstbaarheid.
2.15
Bij vaststelling van de belangen van interveniënten weegt de rechtbank voorts mee dat het bestaan van de erfdienstbaarheid eerst in 2004 is opgedoken. In het kader van de tussen Gemeente De Bilt en de Staat (Domeinen) destijds gesloten koopovereenkomst is een erfdienstbaarhedenonderzoek gedaan. Daarbij bleek van het bestaan van de erfdienstbaarheid, waarvan vervolgens op voorlichtingsbijeenkomsten melding is gemaakt. Interveniënten hebben niet weersproken dat in geen van de leveringsakten met betrekking tot de heersende erven specifiek melding is gemaakt van deze erfdienstbaarheid. Gesteld noch gebleken is dat in de transacties met betrekking tot de huidige heersende percelen de erfdienstbaarheid ooit een rol heeft gespeeld en medebepalend is geweest in de prijsvorming. Daaruit kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat de waarde van deze erfdienstbaarheid voor de eigenaren van de heersende erven tot de aanloop van deze procedure nimmer onderkend is, althans zich niet vertaald heeft in het prijsniveau van de woningen.
2.16
Daar staat tegenover het algemene belang van Gemeente De Bilt om ter plaatse een bedrijventerrein te kunnen realiseren, welk belang op zichzelf door interveniënten niet ter discussie is gesteld en evident is.
Op grond van het voorgaande neemt de rechtbank in haar verdere oordeel tot uitgangspunt dat de civiele rechter bij afweging van de belangen in het kader van een opheffingsvordering ex artikel 5:79 BW tot het slotoordeel zal komen dat interveniënten geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid en dat het ook niet aannemelijk is dat het redelijk belang voor interveniënten nog zal terugkeren en in het verlengde daarvan de erfdienstbaarheid zal opheffen. Het uitgangspunt van de deskundigen in hun advies dat voorafgaand aan de onteigening de eigenaren van de heersende erven alle ontwikkelingen op het onteigende konden verhinderen, behoudens het oprichten van magazijnen voor militaire doeleinden en van opstallen tot huisvesting van toezichthoudend personeel, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onjuist.
Met betrekking tot de vragen of “de civiele rechter” aan de opheffing een schadeloosstelling zou koppelen (vlg. art. 5:81 BW) en welke schadeloosstelling aan de tussenkomende partijen moet worden toegekend overwoog de rechtbank vervolgens:
2.18
Dat de civiele rechter aan de opheffing een schadeloosstelling zou koppelen ligt naar het oordeel van de rechtbank evenmin in de rede. De deskundigen hebben weliswaar geoordeeld dat als gevolg van de onteigening sprake is van enige waardevermindering van de percelen van interveniënten en hebben deze waardevermindering op basis van intuïtief inzicht getaxeerd op € 6.250,- per interveniënt, echter de rechtbank ziet geen aanleiding deskundigen hierin te volgen. De rechtbank is van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de percelen van interveniënten als gevolg van het vervallen van de erfdienstbaarheid enige waardevermindering hebben ondergaan. Ook in dit kader hecht de rechtbank belang aan het feit dat de oorspronkelijke situatie, waarin de erfdienstbaarheid destijds is gevestigd ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse rigoureus is gewijzigd en dat de eigenaren van he heersende erven tot de aanloop van deze procedure de erfdienstbaarheid, laat staan een daaraan te koppelen waarde nimmer hebben onderkend; in ieder geval is een dergelijke waarde nimmer relevant gebleken in de prijsvorming en daarmee niet verdisconteerd in het prijsniveau van de woningen. Nu bij gebrek aan bekendheid met de erfdienstbaarheid tot de aanloop van deze procedure nimmer enige waarde aan de erfdienstbaarheid is toegekend, ligt het evenmin voor de hand om aan het vervallen van de erfdienstbaarheid wel waardevermindering toe te kennen. Weliswaar bood de erfdienstbaarheid een instrument om privaatrechtelijk te ageren tegen voorgenomen ontwikkelingen op het dienende erf, echter zoals hiervoor reeds is overwogen zou een dergelijke actie uiteindelijk resulteren in de opheffing van de erfdienstbaarheid. Een redelijk handelend koper en verkoper zullen naar het oordeel van de rechtbank met dit onbeduidende recht bij de bepaling van de prijs geen rekening houden.
2.19
Op grond van voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de slotsom dat de aan interveniënten toe te leggen schadeloosstelling op nihil gesteld dient te worden. ( ... )