Home

Parket bij de Hoge Raad, 01-04-2014, ECLI:NL:PHR:2014:1057, 13/00037

Parket bij de Hoge Raad, 01-04-2014, ECLI:NL:PHR:2014:1057, 13/00037

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 april 2014
Datum publicatie
17 december 2014
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:1057
Formele relaties
Zaaknummer
13/00037

Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 1:37 Algemene douanewet (Adw). 1. Begrip ‘vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken’ a.b.i. art. 1:37.1 Adw. 2. Afwijzing verzoek om geldelijke tegemoetkoming o.g.v. art. 33c.2 Sr. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1996:ZD0454. Het middel berust in de eerste plaats op de opvatting dat van een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken i.d.z.v. art. 1:37.1 Adw louter sprake kan zijn indien het een vervoermiddel betreft dat over verborgen ruimtes beschikt en aldus “tot het verbergen van goederen [is] ingericht”. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel in zoverre faalt. Ook v.zv. het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rb dat het schip moet worden aangemerkt als een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken i.d.z.v. art. 1:37.1 Adw, faalt het. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat de Rb o.m. heeft vastgesteld dat in het schip een constructie is aangebracht welke geschikt is - en i.c. ook daadwerkelijk is gebruikt - om ongezien vanonder de waterlijn goederen, i.c. een grote hoeveelheid cocaïne, in de voorpiek van het schip te brengen. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1998:ZD1210. In het licht van hetgeen namens klaagster is aangevoerd omtrent de waarde van het schip en hetgeen de Rb daaromtrent zelf heeft vastgesteld, heeft de Rb de afwijzing van voormeld verzoek niet toereikend gemotiveerd. Nadere toelichting behoeft immers waarom klaagster door het aan de Staat vervallen van het inbeslaggenomen schip niet onevenredig is getroffen i.d.z.v. art. 33c.2 Sr, bij welke beoordeling - naast de waarde van het schip - de draagkracht als bedoeld in art. 24 Sr. dient te worden betrokken.

Conclusie

Nr. 13/00037 B

Zitting: 1 april 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank te Middelburg heeft bij beschikking van 13 november 2012 een namens [klaagster] ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 1:37 van de Algemene Douanewet ongegrond verklaard en voorts afgewezen hetgeen meer verzocht is.

2. Mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik zal deze middelen niet bespreken nu ik zal concluderen tot niet-ontvankelijkheid van klager in het ingestelde beroep. Ik licht dat als volgt toe.

3. Op 29 januari 2013 is de aanzegging als bedoeld in art. 447 lid 3 Sv in persoon aan betrokkene uitgereikt. De mededeling betekening is op 11 februari 2013 verzonden.1 De in art. 447 lid 5 Sv gestelde termijn om een schriftuur in te dienen, liep af op 28 februari 2013. Blijkens de afdruk op de per fax ingediende schriftuur is deze op 1 maart 2013 om 00:08:22 beginnen binnen te komen.2 Dat betekent dat de schriftuur te laat is ingekomen en de betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn beroep.3 Slechts in geval van bijzondere de betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, kan dit anders zijn. De mededeling van de raadsman in onderhavige zaak dat hij om 23:54 reeds een faxbericht heeft verzonden en hij een foutmelding ontving bevat mijns inziens niet een dergelijke omstandigheid.4

4. Nu klager niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 447 lid 5 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt ertoe klager niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG