Parket bij de Hoge Raad, 09-09-2014, ECLI:NL:PHR:2014:2058, 13/00037
Parket bij de Hoge Raad, 09-09-2014, ECLI:NL:PHR:2014:2058, 13/00037
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 september 2014
- Datum publicatie
- 17 december 2014
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2058
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3632, Gevolgd
- Zaaknummer
- 13/00037
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag, art. 1:37 Algemene douanewet (Adw). 1. Begrip ‘vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken’ a.b.i. art. 1:37.1 Adw. 2. Afwijzing verzoek om geldelijke tegemoetkoming o.g.v. art. 33c.2 Sr. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1996:ZD0454. Het middel berust in de eerste plaats op de opvatting dat van een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken i.d.z.v. art. 1:37.1 Adw louter sprake kan zijn indien het een vervoermiddel betreft dat over verborgen ruimtes beschikt en aldus “tot het verbergen van goederen [is] ingericht”. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel in zoverre faalt. Ook v.zv. het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rb dat het schip moet worden aangemerkt als een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken i.d.z.v. art. 1:37.1 Adw, faalt het. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat de Rb o.m. heeft vastgesteld dat in het schip een constructie is aangebracht welke geschikt is - en i.c. ook daadwerkelijk is gebruikt - om ongezien vanonder de waterlijn goederen, i.c. een grote hoeveelheid cocaïne, in de voorpiek van het schip te brengen. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1998:ZD1210. In het licht van hetgeen namens klaagster is aangevoerd omtrent de waarde van het schip en hetgeen de Rb daaromtrent zelf heeft vastgesteld, heeft de Rb de afwijzing van voormeld verzoek niet toereikend gemotiveerd. Nadere toelichting behoeft immers waarom klaagster door het aan de Staat vervallen van het inbeslaggenomen schip niet onevenredig is getroffen i.d.z.v. art. 33c.2 Sr, bij welke beoordeling - naast de waarde van het schip - de draagkracht als bedoeld in art. 24 Sr. dient te worden betrokken.
Conclusie
|
Nr. 13/00037 B Zitting: 9 september 2014 (aanvullende conclusie) |
Mr. Knigge Conclusie inzake: [klaagster] |
1. De Rechtbank Middelburg heeft bij beschikking van 13 november 2012 een namens [klaagster] ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 1:37 van de Algemene Douanewet (Adw) ongegrond verklaard en voorts afgewezen hetgeen meer of anders is verzocht.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster beroep in cassatie ingesteld. 1
3. Mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. In mijn conclusie van 1 april jl. concludeerde ik tot niet-ontvankelijkheid van klaagster in het ingestelde cassatieberoep in verband met het overschrijden van de voor indiening van een schriftuur vastgestelde wettelijke termijn. De Hoge Raad heeft bij monde van zijn rolraadsheer besloten klaagster, bij uitzondering, toch ontvankelijk in het beroep te achten en mij gevraagd om aanvullend te concluderen. Aan dat verzoek voldoe ik thans. 2
5 De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer het volgende vastgesteld. Op 1 augustus 2012 is in Terneuzen door de Belastingdienst op grond van art. 1:37, eerste lid, Adw beslag gelegd op het binnenvaartschip ‘[A]’. Eerder was op dit schip al beslag gelegd, namelijk op 26 november 2009, en wel in het kader van een vervolging van klaagster in verband met een verdenking van medeplegen/medeplichtigheid van/aan de invoer van cocaïne. Klaagster is in de strafzaak die op deze eerdere inbeslagneming volgde door de Rechtbank veroordeeld, waarbij het schip werd verbeurdverklaard. Door het Hof is klaagster vrijgesproken en is de teruggave van de ‘[A]’ gelast aan klaagster.
Zoals gezegd is de ‘[A]’ op 1 augustus 2012 wederom in beslag genomen. Als grondslag voor de inbeslagneming vermeldt de kennisgeving (zo volgt uit de beschikking van de Rechtbank) het volgende:
“Bij onderzoek door ambtenaren van de politie en de douane is er een verborgen ruimte in de voorpiek van het schip geconstateerd. In de voorpiek is er op de bodem, onder de vloerplaten een constructie aangebracht. De constructie bestaat uit een metalen bak tussen de gebruikelijke spanten, waarbij in de bodem van het schip een gat is gemaakt. Aan de constructie is een ontluchtingspijp gemaakt, waardoor het drukverschil in de metalen bak en de waterspiegel gelijk blijft. De aangebrachte constructie is afgesloten door middel van een stalen plaat, die is vastgeschroefd. Het gat in de bodem van het schip is zodanig gemaakt dat een persoon onder de waterspiegel ongezien in en uit het ms. [A] kan komen. Via deze constructie kunnen er onder de waterspiegel goederen ongezien aan boord van de ms. [A] gebracht worden. De gehele constructie is verborgen onder de normale aanwezige vloerplaten. De normaal aanwezige spanten, die voor stabiliteit zorgen van de voorpiek en voor de ligging van de vloerplaten, zijn voor de helft vervangen door de geplaatste bak. Uit onderzoek naar de bouw van het schip is vastgesteld dat de voorpiek van het oorspronkelijke schip anders is dan de thans aangetroffen voorpiek. Het voornoemde motorschip is kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken."
Namens klaagster is verzocht om opheffing van het beslag op de ‘[A]’ met het verzoek tot teruggave aan klaagster.3 Subsidiair heeft klaagster verzocht om toekenning van een geldelijke vergoeding. De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en het subsidiaire verzoek afgewezen waarbij de Rechtbank onder meer het volgende heeft overwogen.
“Ad B. De rechtbank heeft het beklag te beoordelen aan de hand van het criterium of [A] kan worden aangemerkt als "een vervoermiddel, dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken" (zie Hoge Raad 25 maart 2003 LJN AF4209).Uit het inspectierapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat blijkt dat in de boegschroefruimte van [A], voor de boegschroef een tank is gemaakt van 8 mm staal, afmetingen LxBxH: 2000x1000x750 m/m. De volledige bovenzijde is afneembaar. Deze kan worden gebout met bouten op steek van ongeveer 90 m/m. Ten tijde van het onderzoek lag de bovenzijde los. Aan boord zijn slechts vier bouten aangetroffen. Aan de voorzijde is een ontluchting naar het dek gemaakt met een diameter van 200 m/m. In het vlak is een gat gebrand (kennelijk te water liggend, is zeer slecht uitgevoerd) van een kleine 800x800 m/m. Op de afbeeldingen van de foto's, die zijn opgenomen in het dossier van de belastingdienst, heeft de rechtbank waargenomen dat de bovenzijde van die constructie, gezien vanaf de trap naar de voorpiek, opgaat in de normale vloerplaten van het schip en dat er geen vrije toegang tot die constructie is. Deze constructie, door klaagster 'duikluik' genoemd, is volgens de vonnissen en arresten van de strafzaken tegen klaagster, haar partner en de medeverdachten, gebruikt om ongezien -vanonder de waterlijn- een grote hoeveelheid cocaïne in de voorpiek van [A] te brengen. Uit de verklaring van [betrokkene] blijkt verder dat de partner van klaagster eerder op soortgelijke wijze via een soortgelijke constructie verdovende middelen aan boord heeft gebracht in een soortgelijk schip genaamd '[B]'. Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat het binnenvaartschip [A] geschikt was gemaakt om ongezien contrabande aan boord te brengen en dat het schip naar uiterlijke verschijningsvormen kan worden aangemerkt als een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.De Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft vastgesteld dat het schip in de huidige staat niet meer voldoet aan de eisen van het certificaat van onderzoek (SI 1568) en dat het schip om weer aan de eisen van het certificaat van onderzoek te voldoen, hersteld zal moeten worden en na die reparatie door een expert gekeurd zal moeten worden alvorens er een nieuw certificaat afgegeven kan worden. Onder deze omstandigheden zou in deze procedure alleen tot een geclausuleerde teruggave van het schip aan klaagster beslist kunnen worden. Een dergelijke beslissing zou aansluiten bij het volgens de inspecteur genoemde doel van de inbeslagneming ex artikel 1:37 Adw dat het schip in originele staat wordt terug gebracht en de wens van klaagster om het schip weer in de vaart te (laten) brengen. De rechtbank zal echter niet tot teruggave van het schip beslissen omdat zij van oordeel is dat de bepaling van artikel 1:37 lid 8 Adw daartoe voor klaagster alsnog de mogelijkheid biedt. Klaagster kan de teruggave verzoeken aan de Minister van Financiën en ingeval van diens positieve beslissing op het verzoek zal er vanwege de minister voldoende toezicht zijn op reparatie van het schip. Het beklag zal mitsdien ongegrond worden verklaard. Ad C.Reeds in het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor toekenning van een geldelijke tegemoetkoming aan klaagster. Het is evident dat klaagster door de inbeslagneming van [A] (met een waarde van tussen de EUR 20.000,00 en EUR 30.000,00) in haar vermogenspositie wordt getroffen. De vraag is echter of dit een onevenredige benadeling is. De rechtbank acht in dit verband met name de vraag van belang of klaagster met de mogelijkheid van inbeslagneming van het schip rekening had kunnen houden.
Hoewel blijkens het arrest van het gerechtshof te Amsterdam het bewijs van het opzet van klaagster op het medeplegen van de invoer van cocaïne ofwel de medeplichtigheid daaraan in strafrechtelijke zin niet ondubbelzinnig uit de stukken blijkt - en met name de wetenschap van klaagster dat het zou gaan om cocaïne -, staat voor de rechtbank voldoende vast dat klaagster ten tijde van het handelen door haar partner kennis had van het doel dat haar partner met het gebruik van het duikluik had, namelijk om het schip in te richten of toe te rusten om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. De rechtbank vindt steun in dat oordeel doordat klaagster volgens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak heeft verklaard dat zij als eigenaar van [A] gekend werd in eventuele beslissingen over aanpassingen van dat schip, zo ook met het voornemen van haar partner om in dat schip een zogenaamd duikluik aan te brengen in combinatie met de omstandigheid dat haar partner eerder voor het smokkelen van verdovende middelen in een binnenvaartschip met eenzelfde constructie is veroordeeld. Gelet hierop diende klaagster onverlet het arrest van het gerechtshof te Amsterdam in klaagsters strafzaak, rekening te houden met de straffen en maatregelen die gebruikelijk in dit type van strafzaken plegen dan wel kunnen worden opgelegd en toegepast, en kan niet worden gezegd dat zij onevenredig in haar vermogen is getroffen door deze inbeslagneming.
Onder deze omstandigheden en rekening houdend met de mogelijkheid dat de Minister van Financiën het schip alsnog aan klaagster kan teruggeven is thans geen plaats voor een geldelijke tegemoetkoming aan klaagster.”
6 Het wettelijk kader
In onderhavige zaak is de inbeslagneming gebaseerd op art. 1:37 Adw, welk artikel luidt:
“1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen. 2. Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen. 3. Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad. In geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling in het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels. 4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd. 5. De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen. 6. De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan. 7. Artikel 552d van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. 8. Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.”
7 Het eerste middel
Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de ‘[A]’ een vervoermiddel is dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.
In de toelichting op het middel wordt, met een beroep op de wetsgeschiedenis, betoogd dat het moet gaan om vervoermiddelen met geheime bergplaatsen. Daarbij wordt betoogd dat het in het schip aangebrachte ‘duikluik’ volgens het oordeel van de Rechtbank geschikt was gemaakt om heimelijk contrabande aan boord te brengen, maar niet om die contrabande daarin te verbergen. De stiekem aan boord gebrachte goederen konden bij wijze van spreken open en bloot op het dek rondslingeren. Om het aan boord van het schip verbergen van de goederen ging het dus bij het ‘duikluik’ niet.
Art. 1:37 Adw is de indirecte voortzetting van het bij Wet van 19 juli 1934, Stb. 403 in de Wet van 4 april 1870, Stb. 61 ingevoegde art. 10bis. De steller van het middel citeert de MvT, waarin gesteld wordt dat uitbreiding van bevoegdheden nodig is om de toegenomen “grensfraude”, die “nog geen teekenen van vermindering” vertoont, in bedwang te houden. Een van de problemen waartegen het wetsvoorstel zich keerde, was dat de automobielen die de smokkelaars gebruiken, in een aantal gevallen zijn toegerust “met middelen van afweer tegen de den ambtenaren ten dienste staande dwangmiddelen”. Dergelijke voertuigen moesten onmiddellijk “aangehaald” (in beslag genomen) kunnen worden, ook als er op dat moment niet mee wordt gesmokkeld. Er was geen gegronde reden waarom de overheid in zo’n geval “zou moeten wachten tot het oogenblik dat met het voertuig een strafbaar feit wordt gepleegd”. “Hetzelfde geldt trouwens”, zo vervolgt de MvT, “van voertuigen, die tot het verbergen van goederen zijn ingericht, bij voorbeeld door geheime bergplaatsen in de benzine-reservoirs, achter de zittingen of in den kap e.d. en in het algemeen van alle voorwerpen, die tot het eene of andere doel kunnen dienen”.4
Op deze passage baseert de steller van het middel dat “aan het ambtelijk toezicht onttrekken van goederen” synoniem is aan “verbergen van goederen”. Een aanvullend beroep had daarbij kunnen worden gedaan op de MvT op een bij wetsvoorstel 21504 voorgestelde wijziging van art. 213 AWDA (dat de opvolger was van het genoemde art. 10bis).5 Daarin wordt gesproken van “vervoermiddelen met geheime bergplaatsen”. Gewezen had ook kunnen worden op een beschikking van de Rechtbank Almelo van 2 november 1977, NJ 1978/649. Het ging daarin om een oplegger waarvan de bodem zodanig was aangepast (losse kokerbalken en planken), dat de laadruimte van onderop kon worden bereikt. Dit terwijl het om een oplegger ging waarvan de laadruimte op grond van een TIR-certificaat verzegeld placht te zijn. Volgens de Rechtbank was van een voertuig dat kennelijk ingericht of toegerust was om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken geen sprake. De Rechtbank was weliswaar van oordeel dat, als de laadruimte was verzegeld, door de geheime toegang “onttrekking van goederen aan het ambtelijk toezicht mogelijk zou zijn”, maar achtte beslissend dat de verzegeling geen “onderdeel van het voertuig als zodanig” is. Een geheime toegang, zo meen ik te mogen begrijpen, levert geen geheime bergplaats op.
Ik zou menen dat de casus waarover de Rechtbank Almelo had te oordelen, nu juist laat zien dat het vervoermiddel ook op andere wijze dan door het aanbrengen van geheime bergplaatsen kan worden ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Men kan zich afvragen waarom de wetgever, als hij enkel het oog had op het verbergen van goederen, die terminologie niet bezigde en in plaats daarvan voor een omslachtige formulering koos. Het antwoord ligt in de toelichting op het genoemde art. 10bis besloten. Het ging de wetgever niet om de methode, maar om het doel (“alle voorwerpen, die tot het eene of andere doel kunnen dienen”). Dat de wetgever in de toelichting op art. 10bis alleen over verbergen sprak, is geen sterk argument, omdat het aanbrengen van geheime bergplaatsen nu eenmaal de meest voor de hand liggende – en mogelijk destijds ook de enige waarmee de douane werd geconfronteerd – methode is om goederen aan het toezicht te onttrekken. Voor ongeveer hetzelfde geld had de steller van het middel kunnen betogen dat onder vervoermiddelen in art. 1:37 Adw geen vaartuigen vallen omdat in de toelichting op art. 10bis alleen van automobielen werd gesproken.
De rechtsklacht van het middel faalt derhalve. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dat behoeft geen nadere toelichting.
Het middel faalt.