Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2016, ECLI:NL:PHR:2016:316, 15/00042
Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2016, ECLI:NL:PHR:2016:316, 15/00042
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 maart 2016
- Datum publicatie
- 12 mei 2016
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:316
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:772, Gevolgd
- Zaaknummer
- 15/00042
Inhoudsindicatie
Conclusie
|
Nr. 15/00042 Zitting: 8 maart 2016 |
Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
-
De verdachte is bij arrest van 21 november 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 en 2 primair ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden.
-
Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/05898, 14/06312, 15/00042, 15/00045 en 15/01530. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
-
Namens de verdachte heeft mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.
-
Inleidend schets ik in het kort de feitelijke gang van zaken zoals door het hof is vastgesteld:
Feit 1 (zaak Asperge)
Degenen die in de onderhavige zaak Asperge, die deel uitmaakt van het onderzoek 'Jasmijn', in beeld komen, zijn de hoofverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en vooral ook de verdachte. [medeverdachte 1] is kennelijk bevriend met zowel de verdachte als met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] is een neef van de verdachte. De verdachte (‘ [verdachte] ’) zou de grote organisator zijn van onder meer een transport van ongeveer 1650 kilo cocaïne in ronde blikken paprika en platte blikken asperges, in drie containers verscheept vanuit Peru, waar de verdachte zijn bedrijf [A] heeft, naar de Rotterdamse haven. Op 1 november 2005 komt het motorschip ' [B] ' de haven van Rotterdam binnen. De douane ontdekt de contrabande op 8 en 9 november. De cocaïne wordt vervolgens in beslag genomen, met uitzondering van een blik met 303 gram cocaïne; dit blik wordt teruggeplaatst en onder controle gehouden. Op 10 november vliegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op verzoek van [medeverdachte 3] naar Nederland om te helpen uitpakken. Op 11 november arriveert de verdachte in Nederland. Op dezelfde dag worden de containers overgebracht naar een loods in Zwanenburg. Op 12 november rijdt [medeverdachte 2] samen met enkele anderen naar die loods om de blikken cocaïne te scheiden van de andere blikken. [medeverdachte 2] had op de heenweg vreemd rijgedrag vertoond; richting aangeven naar links, en dan plotseling hard rechtdoor rijden, en soms hard, dan weer zacht rijden. In de loods keert [medeverdachte 2] zijn auto direct zodanig dat hij gelijk weer weg kan rijden. Met behulp van een briefje met kruisjes wordt gezocht naar bepaalde blikken, die daarna apart worden gezet. Op een bepaald moment zegt een zekere [betrokkene 3] , die een ruitjespapiertje met getekende lijnen en vakjes bij zich heeft, dat er iets niet klopt. Er wordt gebeld. Even later geeft [medeverdachte 2] het sein dat er gestopt moet worden. Allen verlaten de loods.
[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] zetten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af en praten samen na. Dan komt ter sprake dat het over cocaïne gaat, waarbij [betrokkene 3] zich hevig teleurgesteld toont. Later op de dag begeven de verdachte, die daarvoor besprekingen elders afbreekt, [medeverdachte 1] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zich naar de loods. [medeverdachte 1] heeft onderweg telefonisch contact met [medeverdachte 2] en zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij naar de loods gaat en dat [medeverdachte 2] opnieuw naar de loods moet komen. [medeverdachte 2] belt [betrokkene 3] en zegt dat de baas naar de loods komt. [medeverdachte 2] haalt [betrokkene 3] op en samen rijden ze naar de loods. [medeverdachte 2] beschikt over de sleutel en maakt de loods open. Vooral de verdachte en [medeverdachte 3] voeren in de loods een discussie en vragen aan elkaar: 'Hoe kan dat nou?, dit kan niet'. Men raakt geïrriteerd en er wordt druk getelefoneerd; de sfeer is gespannen. Er wordt gesproken over codes die niet kloppen. Op dat moment vindt een inval plaats en worden de betrokkenen aangehouden (zie uitvoeriger hierna onder 18).
Feit 2 (zaak Latas)
Nadat de verdachten zijn aangehouden, worden bij doorzoekingen diverse documenten en lijsten gevonden die zien op de huur van opslagplaatsen bij respectievelijk Shurgard en Devon. In die units, dan wel bij bedrijven die het vervoer zouden hebben geregeld, worden pallets aangetroffen met blikken asperges, paprika’s en sperziebonen. Er worden geen verdovende middelen gevonden. Wel kunnen verschillende pallets met groenten worden gelinkt aan drie transporten vanuit Peru. Sommige van de pallets zijn onaangetast, anderen zijn verpakt. De administratieve weg die de pallets zouden afleggen komt niet overeen met de werkelijkheid, de opslag en de lange duur tussen de binnenkomst van de pallets en het aantreffen daarvan. Dat tezamen met belangrijke overeenkomsten in modus operandi en de omstandigheid dat sommige pallets zijn weggegeven en rijp voor de vuilstort zijn, doet het vermoeden rijzen dat de groenten hebben gediend als dekmantel voor het binnen het Nederlands grondgebied (de Rotterdamse haven) brengen van eerdere transporten cocaïne vanuit Peru door de verdachte (zie uitvoerig hierna onder 21). Dit vermoeden wordt volgens het hof versterkt door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 4] .
5. Het eerste middel klaagt over de berechting van de verdachte buiten zijn aanwezigheid. Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht luidt dat het hof niet heeft gereageerd op ‘het uitdrukkelijk onderbouwde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het recht tot strafvervolging wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte’. De tweede klacht houdt in dat het hof ‘ten onrechte althans ontoereikend heeft gemotiveerd dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot de beslissing om niet de (al dan niet tijdelijke) uit- of overlevering van Peru naar Nederland te verzoeken heeft kunnen komen’.
6. Ik begin met een omstandigheid die niet geheel tot zijn recht komt in de schriftuur. De verdachte is op de terechtzitting van 10 november 2008 door het hof geschorst uit de voorlopige hechtenis (onder de bijzondere voorwaarden dat hij zijn paspoort bij het openbaar ministerie inleverde en zich niet buiten Nederland zou begeven). De zaak bevond zich toen nog in de pro-forma fase. Bij beslissing van 18 december 2009 werden de schorsingsvoorwaarden gewijzigd in die zin dat de verdachte zijn paspoort terugkreeg en zich buiten Nederland mocht begeven, zonder nadere beperkingen. Dit alles is door de voorzitter van de strafkamer op de terechtzitting van 25 november 2013 voorgehouden. Uit hetgeen verder op die terechtzitting is voorgevallen, blijkt ook dat de verdachte wist dat in Peru een aanhoudingsbevel tegen hem van kracht was. Omdat de verdachte naar Nederland wilde afreizen, kennelijk om zijn terechtzitting bij te wonen, had hij een ticket gekocht voor de vlucht van Guayaquil (Ecuador) naar Amsterdam. Bij de grenscontrole tussen Peru en Ecuador werd de verdachte echter gearresteerd op verdenking van witwassen. Aanvankelijk achtte het hof de aanwezigheid van de verdachte bij de behandeling van zijn eigen strafzaak en als getuige in de strafzaken tegen de medeverdachten gewenst. Peru stelde de verdachte echter niet in vrijheid. Uiteindelijk heeft het hof, alle voorliggende belangen tegen elkaar afwegende, geoordeeld niet langer op de komst van de verdachte te kunnen wachten. De motivering van deze beslissing luidt als volgt (arrest, p. 20-24, 27-29):
“5.3. Overige verzoeken
(...)
Mr. Nooitgedagt heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [verdachte] als verdachte en mr. Mol als getuige. Aan de voorwaarde waaronder deze verzoeken zijn gedaan, is voldaan.
(...)
Wat betreft het horen van [verdachte] als verdachte maakt het hof onderscheid tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht als verdachte ter zitting in Nederland en anderzijds het afleggen als verdachte van een verklaring via videoverhoor vanuit Peru.
Het hof gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
• [verdachte] is op 12 november 2005 in Zwanenburg aangehouden en hij heeft zich tot 11 november 2008 in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden. Met ingang van deze datum is hij onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Indertijd woonde hij met zijn gezin in Lyon, Frankrijk. Om hem moverende redenen is hij naar Peru gereisd, wetend dat er in Peru (mede) ten laste van hem aanzienlijke beslagen op vermogensbestanddelen waren gelegd en er een strafrechtelijk opsporingsonderzoek wegens witwassen naar hem liep, met alle risico's van arrestatie van dien. Bij de uitreis vanuit Peru op 23 november 2013 met als uiteindelijke bestemming Nederland ten behoeve van de zitting van 25 november 2013 is hij aangehouden. Sedertdien heeft hij zich in detentie in Peru bevonden.
• In de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013 was de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland. Deze inhoudelijke behandeling heeft onder meer vanwege de op dat moment bestaande onduidelijkheid over de situatie en positie van [verdachte] geen doorgang gevonden op verzoek van de verdediging (blz. 6 genoemd proces-verbaal).
• Behalve [verdachte] staan nog zes andere personen terecht. De behandeling van die zaken heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden. De omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling van de zaak eind 2013 niet kon worden voortgezet, heeft ook vertraging in de inhoudelijke behandeling van de zaken van die medeverdachten teweeggebracht.
• Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [verdachte] verklaard (blz. 16 proces-verbaal): "Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd." Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als verdachte te verklaren vanuit detentie in Peru.
• Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [verdachte] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden.
• Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [verdachte] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [verdachte] .
• Op 15 oktober 2014 heeft het hof een e-mail d.d. 25 februari 2014 van de Peruviaanse autoriteiten ontvangen (vertaald vanuit het Spaans), inhoudend het bericht dat het mogelijk is [verdachte] via een video-verbinding in de Peruviaanse gevangenis te horen.
• Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [verdachte] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang genomen.
• Op dit moment staat er geen rechtshulpverzoek uit op basis waarvan [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding gehoord kan worden in Peru.
• Het Openbaar Ministerie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar en 9 maanden plus een boete van € 50.000,= geëist tegen [verdachte] .
Het gegeven dat na de weigering een verklaring vanuit detentie in Peru af te leggen op 25 november 2013 eerst op 16 oktober 2014 bericht is dat [verdachte] zijn proceshouding gewijzigd had, brengt mee dat het niet mogelijk is om het aanwezigheidsrecht van [verdachte] effect te doen hebben zonder dat dit wederom leidt tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
De omvang van de zaak is zodanig dat afsplitsing van de zaken van één of meer verdachten vanuit een oogpunt van consistente beoordeling van het geheel niet aan de orde is. De beslissing de behandeling van de zaak [verdachte] aan te houden heeft derhalve ook consequenties voor de behandeling van de zaak van de medeverdachten. Alle ter terechtzitting aanwezige medeverdachten hebben aangegeven te lijden onder de lange duur van de procedure. Op 25 november 2013 hebben zij al meegemaakt dat de geplande inhoudelijke behandeling geen doorgang vond onder meer als gevolg van de arrestatie van [verdachte] en de op dat moment bestaande onzekerheid over zijn positie en de eventuele duur van zijn detentie. Dit heeft geleid tot een uitstel van 11 maanden.
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting dient een afweging gemaakt te worden tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting (HR 22 januari 2013, ECLI: NL:HR:LJN BY5709) .
Wat betreft het aanwezigheidsrecht van [verdachte] als verdachte ter terechtzitting in Nederland wijst het hof erop dat de advocaat-generaal bij brief van 24 maart 2014 zeer duidelijk heeft bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen, terwijl aan de raadsman namens het hof op 18 maart 2014 bericht is dat de inhoudelijke behandeling gepland was voor oktober 2014. In Nederland is de verdediging in de periode na 24 maart 2014 niet opgekomen tegen het niet doen van een uitleveringsverzoek. Het hof begrijpt dat in Peru wel gepoogd is om [verdachte] vrij, althans het land uit te krijgen.
Afwegend enerzijds het zwaarwegend belang van [verdachte] om als verdachte in zijn eigen zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn, maar anderzijds het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting, de belangen van de medeverdachten en de duur van de periode dat bekend is dat het Openbaar Ministerie geen uitlevering zal vragen, is het hof van oordeel dat het belang dat deze zaak uit 2005 thans zonder verder uitstel berecht wordt, voorrang heeft.
Wat betreft het belang dat [verdachte] als verdachte in zijn zaak vanuit detentie in Peru een verklaring via videoverbinding kan afleggen, overweegt het hof als volgt.
Vanaf 24 maart 2014 heeft de verdediging zich kunnen en moeten realiseren dat, uitgaande van de situatie in Nederland, de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 zou plaatsvinden, terwijl [verdachte] nog in detentie in Peru verbleef. Evenzeer heeft de verdediging zich toen moeten realiseren dat een verhoor van [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding tot de mogelijkheden behoorde, maar dat daar wel een rechtshulpverzoek en technische voorzieningen voor benodigd waren (zie hiervoor onder 1 e). Echter, zolang de verdediging niet kenbaar maakt dat [verdachte] bereid is om aldus een verklaring af te leggen, zal iedereen - met recht - uitgaan van de door de raadsman op 25 november 2013 ter zitting afgelegde verklaring dat [verdachte] niet verhoord wenst te worden via videoconferentie of een rogatoire commissie en niet zal verklaren zolang hij gedetineerd is.
Door eerst op 16 oktober 2014 kenbaar te maken dat de proceshouding van [verdachte] veranderd is, is het de autoriteiten onmogelijk gemaakt tijdig een rechtshulpverzoek te doen uitgaan ten behoeve van een videoverhoor in de periode rond 20 oktober 2014. Derhalve ligt de vraag thans voor of alsnog en wederom de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden ten behoeve van een videoverhoor van [verdachte] als verdachte. Afwegend enerzijds het zwaarwegend belang van [verdachte] om als verdachte te kunnen verklaren en naar voren te brengen wat hij dienstig acht en anderzijds de omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling in november 2013 op verzoek van de raadsman van [verdachte] vanwege diens detentie toen niet is voortgezet, alsmede het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting en de belangen van de medeverdachten, is het hof van oordeel dat het belang dat deze zaak uit 2005 thans berecht wordt, voorrang heeft.
(...)
Mr. Nooitgedagt stelt dat in de zaak [verdachte] het vertrouwen is gewekt dat het Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek ter fine van uitlevering aan de Peruaanse autoriteiten zou richten.
Het hof stelt vast dat in maart 2014 door het Openbaar Ministerie is besloten om dit niet te doen, omdat geen medewerking vanuit Peru te verwachten viel. Gezien de motivering van dit besluit in de brief van 24 maart 2014 is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot dit besluit is kunnen komen nadat eerder op serieuze wijze de mogelijkheden tot uitlevering zijn onderzocht. Op meer kan [verdachte] als persoon met de Nederlandse nationaliteit geen aanspraak maken.
Hetgeen de raadsman aanvoert op de blz. 17 tot en met 23 van zijn pleitnota leidt niet tot een ander oordeel. Van enige schending van beginselen van behoorlijke procesorde door dit besluit te nemen is op zich zelf genomen geen sprake. Vraag is evenwel of dit anders wordt door de voorgeschiedenis.
Uit de door mr. Nooitgedacht overgelegde email-correspondentie, in het bijzonder de emails als weergegeven op blz. 14 tot en met 16 van de pleitnotities, blijkt dat de toenmalig advocaat-generaal de mogelijkheid van een uitlevering van [verdachte] aan Nederland in december 2013 en januari 2014 serieus onderzocht heeft en dat hij zich gezet heeft aan de voorbereiding van een rechtshulpverzoek. Hij hoopte dit, blijkens de email d.d. 27 januari 2014, zelf nog af te kunnen werken.
Hoewel de raadsman stelt dat bij hem door de email van 27 januari 2014 het vertrouwen is gewekt dat het Openbaar Ministerie de uitlevering van [verdachte] zou vragen aan Peru, heeft hij enige dagen daarvoor, te weten op 24 januari 2014, aan de toenmalig advocaat-generaal het volgende gemailed: ".. heb ik ... begrepen dat de Peruaanse autoriteiten zouden hebben bericht niet welwillend (te staan) tegenover het medewerken aan een uitlevering van [verdachte] naar Nederland. Zodra ik daarvan schriftelijke- bevestiging heb ontvangen zal ik u die toezenden."
Het hof leidt hieruit af dat het op 24 januari 2014 bij zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie bekend was dat er ernstig rekening gehouden zou moeten worden met de mogelijkheid dat een verzoek om uitlevering niet tot het gewenste resultaat zou leiden.
Wat er ook zij van het door de verdediging gestelde vertrouwen in het doen uitgaan van een rechtshulpverzoek door het Openbaar Ministerie, van een gerechtvaardigd vertrouwen in een goede afloop is bij de verdediging op geen enkel moment sprake geweest. Onder deze omstandigheden en gezien de motivering van de beslissing van het Openbaar Ministerie in de brief van 24 maart 2014 om geen verzoek tot uitlevering te doen uitgaan, is geen sprake van een schending van eerder gewekt gerechtvaardigd vertrouwen bij [verdachte] door het Openbaar Ministerie. Het verweer kan dan ook niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.”
7. Hoewel over het afdoen van een strafzaak buiten aanwezigheid van een (elders gedetineerde) verdachte en het aanwezigheidsrecht het een en ander valt te zeggen1, richt ik mij op de twee klachten zoals deze door de steller van het middel zijn geformuleerd en beperk ik mij hier tot een beoordeling daarvan binnen de cassatiegrenzen.
8. De eerste klacht, inhoudende dat het hof niet heeft gereageerd op ‘het uitdrukkelijk onderbouwde verweer’ strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte vanwege schending van het aanwezigheidsrecht, faalt om twee redenen. In de eerste plaats heb ik mij afgevraagd of de steller met zijn verwoording ‘uitdrukkelijk onderbouwd verweer’ het oog heeft op een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv (in verbinding met art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv) of op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Uit de toelichting op het middel (schriftuur, p. 20 e.v.) leid ik af dat het betoog van de steller van het middel langs de lijn van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat, zulks echter ten onrechte.2 In de tweede plaats heeft het hof (uitvoerig) op het niet-ontvankelijkheidsverweer gereageerd en te dien aanzien een met redenen omklede beslissing gegeven conform het bepaalde in art. 358, derde lid, Sv in verbinding met art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv. Dat heeft het hof zelfs op twee plaatsen in het arrest gedaan, namelijk onder het kopje “6.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” (p. 25 e.v.) en, gezien het middel niet onbelangrijk, onder “5.3 Overige verzoeken”. Daarin is het hof ingegaan op het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het zwaarwegende belang van de verdachte om in zijn eigen strafzaak ter terechtzitting aanwezig te zijn. Alles afwegende heeft het hof op de in het arrest genoemde gronden geoordeeld dat de uit 2005 daterende strafzaak zonder verder uitstel berecht diende te worden. Ik merk hier nogmaals op dat de verdachte vrijwillig, uit eigener beweging, naar Peru is teruggekeerd en daarmee feitelijk een risico nam omdat hij wist dat er daar voor hem een arrestatiebevel klaar lag. Die omstandigheid kan moeilijk aan het openbaar ministerie worden toegerekend. Bovendien weigerde de verdachte lange tijd een verklaring vanuit detentie in Peru af te leggen en gaf hij pas vier dagen voor aanvang van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in Nederland, en alle daarmee samenhangende strafzaken, te kennen een verklaring te willen afleggen.
9. Terug naar de cassatiekaders: de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op het bedoelde niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsman, mist feitelijke grondslag.
10. Voorts geldt dat een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie op grond van schending van de beginselen van een goede procesorde slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Van een zodanig geval is hier geen sprake. Dat het (in de visie van de verdediging) zou gaan om een ‘opzetje’ van het openbaar ministerie om verzoeker in Peru te laten aanhouden en dat er een ‘deal’ zou zijn gemaakt tussen de Nederlandse en Peruaanse justitiële autoriteiten omtrent de vervolging van de verdachte – ‘Peru het geldgedeelte en Nederland de drugs’ -, is niet aannemelijk gemaakt en evenmin anderszins gebleken (integendeel zelfs, er was inmiddels een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam; arrest, p. 31). Ik kom hierop nader terug in mijn bespreking van het tweede en het vijfde middel.
11. Gelet op de feiten en omstandigheden die het hof heeft vastgesteld omtrent onder meer de inspanningen van het openbaar ministerie en de pogingen die het openbaar ministerie heeft ondernomen om de verdachte in die hoedanigheid in zijn eigen strafzaak te horen (en als getuige in de zaken tegen de medeverdachten), is het niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende oordeel van het hof dat het openbaar ministerie in redelijkheid uiteindelijk heeft kunnen afzien van pogingen om verzoeker uitgeleverd te krijgen niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
12. Het eerste middel faalt in beide onderdelen.
13. Het tweede middel keert zich met motiveringsklachten tegen (i) de bewezenverklaringen van het (meermalen) medeplegen van het opzettelijk binnen het Nederlands grondgebied brengen van ongeveer 1650 kilogram cocaïne (feit 1; zaak Asperge) respectievelijk, door middel van schakelbewijs, van eerdere transporten (feit 2; zaak Latas) en tegen (ii) ’s hofs verwerpingen van zijdens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in dat verband. Ook wordt geklaagd dat het hof de verdachte niet heeft gehoord over de gang van zaken zoals deze feitelijk en in werkelijkheid heeft plaatsgevonden (het alternatieve scenario).
14. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 primair bewezenverklaard dat:
"1. (zaak Asperge)
hij, in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005, te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Zwanenburg (gemeente Haarlemmermeer) althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1650 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2 primair. (zaak Latas)
hij in of de periode van 1 juli 2004 tot 1 april 2005, te Rotterdam althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:
a. op of omstreeks 2 juli 2004 in (een) container(s) met conserven uit Peru en
b. op of omstreeks 28 september 2004 in (een) container (s) met conserven uit Peru en
c. op of omstreeks 24 februari 2005 in (een) container(s) met conserven uit Peru.”
15. Hier zij reeds opgemerkt dat het hof de bewijsmiddelen die aan feit 1 ten grondslag zijn gelegd, ook redengevend heeft geacht voor het bewijs van het onder 2 primair tenlastegelegde. Dit schakelbewijs heeft het hof gegrond op de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld en de belangrijke overeenkomsten in modus operandi (arrest, p. 76 onder II; zie nader hierna).
15. Over het opzet van verzoeker heeft het hof het volgende vastgesteld en overwogen (arrest, p. 47-58):