Home

Parket bij de Hoge Raad, 03-06-2016, ECLI:NL:PHR:2016:473, 15/01943

Parket bij de Hoge Raad, 03-06-2016, ECLI:NL:PHR:2016:473, 15/01943

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
3 juni 2016
Datum publicatie
30 september 2016
ECLI
ECLI:NL:PHR:2016:473
Formele relaties
Zaaknummer
15/01943

Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid van advocaat. Verzuim om verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraak (art. 3:324 BW) te stuiten? Rechtsgevolg van stuiting door daad van tenuitvoerlegging in de zin van art. 3:325 lid 2, onder c, BW: nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:319 BW) of voortdurende stuiting (art. 3:316 BW)?

Conclusie

15/01943

mr. Hartlief

Zitting 3 juni 2016

Conclusie inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pegroam B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats]

1 Inleiding

1. Deze beroepsaansprakelijkheidszaak betreft de vraag of verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) als advocaat van eiseres tot cassatie (hierna: Pegroam) de bevoegdheid tot executie van een verstekvonnis (uit 1982) heeft laten verjaren. Als gevolg van deze beroepsfout zou Pegroam schade hebben geleden.

Het betreft een verstekvonnis van 17 juni 1982 waarin – kort gezegd – [betrokkene 2] is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag. De vordering is aan Pegroam gecedeerd. Op 28 mei 2002 heeft [verweerder] als advocaat van Pegroam op verzoek van Pegroam tot verhaal van de vordering op [betrokkene 2] executoriaal derdenbeslag onder Nemaco B.V. laten leggen.

In een in 2009 door [betrokkene 2] tegen Pegroam gericht executiegeschil is vervolgens de vraag gerezen of inmiddels niet sprake is van verjaring. Dat de beslaglegging in 2002 stuitende werking heeft, staat buiten kijf. De vraag is echter of na deze beslaglegging in 2002 binnen vijf jaar een (nieuwe) stuitingshandeling nodig was (en zo ja, of zij heeft plaatsgevonden). Het Hof Amsterdam komt in het executiegeschil inderdaad tot dat oordeel en neemt verjaring in 2007 aan.

In de vervolgens door Pegroam tegen [verweerder] gestarte beroepsaansprakelijkheidszaak heeft [verweerder] betoogd dat van verjaring geen sprake is. Een nadere stuitingshandeling in 2007 was volgens hem niet noodzakelijk (onder meer) omdat het in 2002 gelegde executoriale beslag de verjaringstermijn (voortdurend) heeft gestuit. Van een beroepsfout was volgens [verweerder] dan ook geen sprake.

Het Hof Amsterdam, nu in deze beroepsaansprakelijkheidszaak, komt tot het oordeel dat het executoriaal derdenbeslag voortdurende stuitende werking heeft. [verweerder] heeft daarom geen beroepsfout gemaakt door geen nadere stuitingshandelingen te verrichten. Dat het hof in het executiegeschil wel verjaring heeft aangenomen, doet hieraan volgens het hof niet af; dat arrest heeft slechts gezag van gewijsde tussen Pegroam en [betrokkene 2].

In cassatie richten zich de klachten tegen het oordeel van het hof dat het executoriale beslag voortdurende stuitende werking heeft en dat [verweerder] dan ook geen beroepsfout heeft gemaakt door in 2007 geen nadere stuitingshandelingen te verrichten.

2 Feiten en procesverloop

2. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vastgesteld door het Hof Amsterdam in het bestreden arrest van 16 december 2014, rov. 2:1

(i) [verweerder] heeft tot november 2007 als advocaat opgetreden van [betrokkene 1] en zijn vennootschappen Bouwplan B.V. (hierna: Bouwplan) en Pegroam in een geschil dat zijn vennootschappen hadden met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en aan hem gelieerde vennootschappen.

(ii) Bij (verstek)vonnis in kort geding van 17 juni 1982 zijn [betrokkene 2] en de aan hem gelieerde vennootschap Apollonia Charters Ltd veroordeeld tot betaling aan Bouwplan van NLG 110.025,62, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten van Bouwplan (hierna: de vordering). Op 7 mei 1985 heeft Bouwplan de vordering aan Pegroam gecedeerd.

(iii) Tussen 1982 en 2002 zijn er door of namens Bouwplan dan wel Pegroam geen op executie gerichte acties verricht.

(iv) Op 28 mei 2002 heeft [verweerder] op verzoek van Pegroam tot verhaal van de vordering - onder meer - executoriaal derdenbeslag onder Nemaco B.V. (hierna: Nemaco) laten leggen op vorderingen van [betrokkene 2] op Nemaco.

(v) Nadat in 2008 Pegroam een verklaringsprocedure is gestart tegen Nemaco heeft de Rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 februari 2009 Nemaco veroordeeld om aan Pegroam te betalen een bedrag van € 95.457,88 vermeerderd met wettelijke rente, plus de proceskosten.

(vi) Vervolgens heeft [betrokkene 2] in 2009 meerdere vorderingen tegen Pegroam ingesteld die alle als inzet hebben dat Pegroam geen rechten aan het verstekvonnis uit 1982 kan ontlenen (hierna: het executiegeschil).

(vii) Op 8 oktober 2009 hebben Pegroam en [betrokkene 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij [betrokkene 2], kort gezegd, € 150.000,- in depot heeft gesteld tegen opheffing van de gelegde beslagen en waarbij voorts uitbetaling van dat bedrag afhankelijk is gesteld van de uitkomst van het executiegeschil.

(viii) Bij eindarrest van 10 april 2012 heeft het Hof Amsterdam voor recht verklaard dat het recht van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 17 juni 1982 is verjaard en heeft het Pegroam veroordeeld de tenuitvoerlegging van dat vonnis te staken. Conform de vaststellingsovereenkomst is medio april 2012 het bedrag van € 150.000,- aan [betrokkene 2] uitgekeerd; vervolgens heeft Pegroam [verweerder] op 11 april 2012 aansprakelijk gesteld voor haar schade die het gevolg is van het laten verjaren van de vordering.

3. Bij inleidende dagvaarding van 31 mei 2012 heeft Pegroam gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 358.450,55 met wettelijke rente vanaf 25 april 2012 en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.

Pegroam heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] een beroepsfout heeft gemaakt door de bevoegdheid tot executie van het verstekvonnis van 17 juni 1982 te laten verjaren. Omdat [verweerder] een beroepsfout heeft gemaakt, is hij jegens Pegroam aansprakelijk voor de daardoor geleden schade, welke Pegroam heeft gesteld op een bedrag van € 358.450,55 met wettelijke rente vanaf 25 april 2012.

[verweerder] heeft zich tegen de vordering verweerd.

4. De Rechtbank Amsterdam heeft, na een tussenvonnis van 26 september 2012 en een comparitie van partijen op 6 december 2012, in haar eindvonnis van 6 maart 2013 [verweerder] veroordeeld om aan Pegroam te betalen een bedrag van € 121.875,82, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2012 tot aan de dag van voldoening. De rechtbank heeft [verweerder] in de proceskosten veroordeeld en het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De rechtbank heeft overwogen dat zij allereerst voor de vraag staat of [verweerder] een beroepsfout heeft gemaakt. Bij beantwoording van die vraag dient te worden onderzocht of [verweerder] als redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat heeft gehandeld jegens Pegroam (rov. 4.1). De rechtbank overweegt dan:

“4.2. [verweerder] betwist dat hij de bevoegdheid het verstekvonnis te executeren heeft laten verjaren. Volgens [verweerder] was de verjaring – anders dan het hof heeft geoordeeld, aan wiens arrest hij niet is gebonden – op zijn vroegst in 2009 voltooid, terwijl hij het dossier in november 2007 aan de opvolgend advocaat heeft overgedragen. [verweerder] voert daartoe primair aan dat de executoriale derdenbeslagen de verjaring van de derdenbeslagen blijvend hebben gestuit en subsidiair dat de verjaring in 2004 is gestuit door de procedures die Pegroam in Frankrijk tegen [betrokkene 2] heeft gevoerd.

4.3.

De rechtbank verwerpt het (primaire en subsidiaire) verweer van [verweerder]. Nu met het arrest van het hof van 10 april 2012 tussen Pegroam en [verweerder] onherroepelijk vaststaat dat de executiebevoegdheid van het verstekvonnis op 28 mei 2007 is verjaard, heeft dat ook in de onderhavige procedure als vaststaand feit te gelden. Daaraan doet niet af dat de arresten van het hof geen gezag van gewijsde hebben in de relatie tussen [verweerder] en Pegroam. Waar het in deze om gaat is dat Pegroam – gelet op de arresten van het hof – haar executiebevoegdheid van het verstekvonnis na 28 mei 2007 niet meer te gelde kon maken. Dit was slechts anders geweest indien [verweerder] de verjaring voor 28 mei 2007 had gestuit. [verweerder] was tot november 2007 verantwoordelijk voor het dossier Pegroam en het had op zijn weg gelegen om de verjaring te stuiten. Ter comparitie heeft [verweerder] desgevraagd verklaard dat dit erbij in geschoten is. Naar het oordeel van de rechtbank levert het niet-stuiten van de verjaring een beroepsfout op. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag verwacht worden dat hij termijnen bewaakt en zonodig stuitingshandelingen verricht. Nu [verweerder] dit heeft nagelaten, is hij aansprakelijk voor de schade die Pegroam als gevolg hiervan heeft geleden.”

De rechtbank gaat vervolgens in op het causaal verband tussen de gestelde schade en de beroepsfout en op de schade die Pegroam heeft geleden, waarbij de rechtbank ook beoordeelt of sprake is van eigen schuld aan de zijde van Pegroam. De rechtbank wijst de vordering van Pegroam uiteindelijk tot € 121.875,82 toe.

5. [verweerder] is van het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Pegroam heeft incidenteel appel ingesteld. Het Hof Amsterdam heeft in zijn in cassatie bestreden arrest van 16 december 2014 het vonnis waarvan beroep vernietigd en heeft de vorderingen van Pegroam afgewezen.2 Het hof overweegt als volgt:

“3.4 Grief 1 in het principaal appel strekt tot het betoog dat [verweerder] geen beroepsfout heeft gemaakt. Hij voert daartoe twee verweren aan die de rechtbank ten onrechte heeft verworpen, te weten: (i) de executoriale beslagen hebben de verjaringstermijn (voortdurend) gestuit waardoor er geen nadere stuitingshandelingen waren vereist, en (ii) procedures van Pegroam tegen [betrokkene 2] in Frankrijk hebben de verjaring gestuit. In dit kader heeft [verweerder] ook gesteld dat op grond van het arrest van 10 april 2012 door de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit is aangenomen dat de executiebevoegdheid van het verstekvonnis uit 1982 is verjaard. Aan dat tussen [betrokkene 2] en Pegroam gewezen arrest komt immers geen gezag van gewijsde toe in zijn relatie tot Pegroam, aldus [verweerder].

3.5

Dit hof heeft in zijn arrest van 10 april 2012 uitsluitend beoordeeld of met een brief van [verweerder] uit september 2003 aan de advocaat van [betrokkene 2], de verjaring van de vordering (wederom) was gestuit. In die procedure had [betrokkene 2] de stelling ingenomen dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis uit 1982 was verjaard omdat er na de beslaglegging in 2002 niet binnen vijf jaar een (nieuwe) stuitingshandeling had plaatsgevonden. Pegroam had daarop gesteld dat zij wel tijdig had gestuit door middel van een brief van 11 september 2003 aan de advocaat van [betrokkene 2]. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de bewuste brief door de advocaat van [betrokkene 2] is ontvangen en dat aldus de executiebevoegdheid van het verstekvonnis uit 1982 op 28 mei 2007 (vijf jaar na beslaglegging) was verjaard. Omdat dit arrest slechts gezag van gewijsde heeft tussen Pegroam en [betrokkene 2] heeft [verweerder] in hoger beroep terecht aangevoerd dat tussen hem en Pegroam niet als vaststaand feit kan worden aangenomen dat de vordering is verjaard en dat die vraag in deze procedure zelfstandig beantwoord dient te worden. [verweerder] heeft er daarbij ook op gewezen dat het verweer dat het gelegde executoriaal derdenbeslag (voortdurend) stuitende werking heeft in die procedure niet is gevoerd en dat de gevolgen van het (ten onrechte) niet voeren van dat verweer door een andere advocaat hem niet mogen worden tegengeworpen.”

Het hof overweegt dan dat het met name aankomt op de vraag of [verweerder] na het leggen van het executoriale derdenbeslag ten laste van [betrokkene 2] op 28 mei 2002 binnen vijf jaar nog nadere stuitingshandelingen had dienen te verrichten ter voorkoming van verjaring van de vordering.3 Volgens Pegroam was dit noodzakelijk, volgens [verweerder] niet (rov. 3.6). Vervolgens overweegt het hof:

“3.7 Tussen partijen is niet in geschil dat het gelegde executoriaal derdenbeslag onder Nemaco ten laste van [betrokkene 2] als zodanig een handeling is die de verjaring van de vordering heeft gestuit. Evenmin is in geschil dat het beslagexploot op een juiste wijze is betekend. Uit oude jurisprudentie (HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276) en uit de parlementaire geschiedenis op artikel 3:316 en 3:325 BW (zie pag. 933 en 945) blijkt ook dat het leggen van beslag, mits in de vereiste vorm gedaan, zowel onder oud als onder nieuw recht wordt beschouwd als een daad uit de categorie “iedere andere daad van rechtsvervolging” die de verjaring van een rechtsvordering stuit.

3.7.1

In artikel 3:319 BW is bepaald dat door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de volgende dag. In lid 2 van dit artikel is, kort gezegd, bepaald dat die nieuwe verjaringstermijn maximaal vijf jaar bedraagt. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:319 BW (zie pag. 936-937) volgt dat op de hoofdregel dat na stuiting een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen, in beginsel twee uitzonderingen zijn gemaakt. In dit geval is de eerste genoemde uitzondering van belang te weten, dat van het aanvangen van een nieuwe termijn is uitgesloten, het geval dat verjaring wordt gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd. In dat geval blijft, aldus de toelichting, gedurende de procedure die volgt op die eis de verjaring gestuitDaarbij4 wordt (weer) verwezen naar voormeld arrest van de Hoge Raad uit 1935. Uit dat arrest van Hoge Raad volgt dat, hoewel de voortduring van de werking van de stuiting (van een executoriaal derdenbeslag, opm hof) niet uitdrukkelijk in de wet is bepaald, deze “voortvloeit uit den aard van de betrokken regeling, die bezwaarlijk kan medebrengen dat gedurende het geding, dat de schuldeischer ter doorzetting van de door hem ondernomen vervolging voert, de verjaringstermijn weder zou aanvangen te loopen en de verjaring zelfs zou kunnen intreden.” In artikel 3:324 BW is vervolgens bepaald dat de bevoegdheid tot ten uitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak (de toewijzing van een eis) verjaart door het verstrijken van een termijn van twintig jaar na de aanvang van de dag volgende op die uitspraak. Die termijn kan weer worden gestuit, zo is in artikel 3:325 lid 2 sub c BW bepaald door “iedere daad van tenuitvoerlegging”. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:325 BW blijkt dat het leggen van executoriaal (derden)beslag een daad van tenuitvoerlegging is die de verjaring van de tenuitvoerlegging van een rechtelijke uitspraak stuit.

3.7.2

Het hof leidt uit de samenhang van de artikelen 3:316 BW 3:319 BW, 3:324 BW en 3:325 BW en de memorie van toelichting op artikel 3:319 BW af dat de stuiting van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak als sequeel van een toegewezen eis ook valt onder de uitzondering van de hoofdregel van 3:319 BW waardoor er een van artikel 3:319 afwijkende nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en wel een die voortduurt zolang de executie nog plaatsvindt. Uit die toelichting op artikel 3:319 BW, waarin staat vermeld dat behoudens een aantal technische verbeteringen het instituut van de stuiting wordt behouden en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 1935, blijkt voortsdat5 met de invoering van het NBW in 1992 geen afwijking van of een breuk met het verleden is beoogd. Zowel uit genoemd arrest van 1935 als uit de relevante literatuur (zie het proefschrift van M.W.E. Koopman6, Bevrijdende verjaring, 1993, pag. 80-81 en het proefschrift van L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, pag. 600) en recentere jurisprudentie (zie proefschrift van Koopman7, pag. 81) die ten tijde van het behandelen van de zaak door [verweerder] bekend was volgt dat algemeen werd aangenomen dat de stuiting van de verjaing8 voortduurt totdat de executie is voltooid. Ook in nog recentere literatuur en jurisprudentie is de opvatting bevestigd dat de stuiting voortduurt zolang het beslag blijft gehandhaafd (zie het artikelsgewijs commentaar op artikel 3:319 BW, Groene Serie Vermogensrecht, Rechtbank Rotterdam, 6 oktober 2010, NJF 2010/438, Hof Den Haag, 22 mei 2012, NJF 2012/302 en HR 9 september 2011, NJ 2011/553). Het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2013, RvdW 2013/1153 waar Pegroam zich op beroept ter ondersteuning van haar stelling dat met het leggen van executoriaal derdenbeslag een nieuwe termijn van vijf jaar is gaan lopen kan haar niet helpen. In dat arrest heeft de Hoge Raad zich daar niet over uitgelaten. De Hoge Raad heeft in dat geval enkel beslist dat de betekende exploten van executoriaal derdenbeslag van 19 juli 2010 en 16 maart 2011 waren gedaan nadat de termijn om het bewuste vonnis te kunnen executeren was verjaard (op 27 juni 2010). Uit de feiten van het arrest blijkt weliswaar dat er voor het verstrijken van de door Hoge Raad vastgestelde verjaringstermijn ook al een keer eerder een executoriaal derdenbeslag was gelegd (op 8 augustus 1996), maar over de stuitende werking van dat beslag is door partijen niet gedebatteerd (dit voegt weinig toe en onderbreekt het betoog)

3.8

Gelet op het hiervoor onder 3.7 overwogene komt het hof tot de conclusie dat, ofschoon de letterlijke tekst van artikel 3:319 BW daarover wellicht vragen openlaat, uit de parlementaire geschiedenis van dat artikel, de relevante literatuur en jurisprudentie in 2007 eensluidend bleek dat het leggen van executoriaal beslag voortdurende stuitende (blokkerende) werking heeft. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mocht er dan ook vanuit gaan dat met het leggen van een executoriaal derdenbeslag de verjaring van die vordering gestuit blijft tot aan de afloop van die daad van rechtsvervolging. Van hem behoeft dan ook niet te worden verlangd dat hij na het leggen van executoriaal derdenbeslag (veiligheidshalve) nog andere of nadere stuitingshandelingen verricht ter voorkoming van het verjaren van de vordering waarvoor beslag was gelegd. Dat betekent dat [verweerder], nadat hij op 28 mei 2002 op verzoek van Pegroam tot verhaal van de vordering executoriaal derdenbeslag had laten leggen onder Nemaco, geen beroepsfout heeft gemaakt door geen nadere stuitingshandelingen te verrichten. Immers, hij mocht ervan uitgaan dat het gelegde beslag een voortdurende stuitende werking zou hebben. Uit het hiervoor onder 3.5 overwogene volgt dat het arrest van dit hof van 10 april 2012 daaraan niet kan afdoen.”

Het hof bereikt daarmee de slotsom dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand tussen [verweerder] en Pegroam heeft aangenomen dat de vordering is verjaard op 28 mei 2007 en ten onrechte het primaire verweer van [verweerder] (dat het executoriale derdenbeslag de verjaring blijvend heeft gestuit) heeft verworpen. Grief 1 in het principaal appel slaagt. [verweerder] heeft geen beroepsfout gemaakt door geen nadere stuitingshandelingen te verrichten (rov. 3.9) en is dan ook niet aansprakelijk voor de door Pegroam gestelde schade. Alle vorderingen van Pegroam dienen te worden afgewezen. Bij gebrek aan belang blijven de overige grieven in het principaal en in het incidenteel appel zonder bespreking (rov. 3.10). Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van Pegroam worden afgewezen.

6. Pegroam heeft bij dagvaarding van 10 maart 2015 (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 16 december 2014. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

3 Het cassatiemiddel

7. In cassatie heeft Pegroam één middel aangevoerd dat zich richt tegen de rov. 3.7, 3.7.1 en 3.7.2 en tegen de daarop voortbouwende overwegingen (rov. 3.8-3.11). Het middel richt zich eerst en vooral op het oordeel van het hof dat een executoriaal derdenbeslag de verjaring van de bevoegdheid om een veroordelend vonnis te executeren voortdurend zou stuiten.

In dit verband wordt in de eerste plaats aangevoerd dat uit het slot van rov. 3.7 blijkt dat het hof miskent dat het in deze zaak niet gaat om stuiting van de verjaring van een rechtsvordering (art. 3:319 jo. 3:316 BW), maar om stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak (art. 3:324 jo. 3:325 jo. 3:319 BW).

In de tweede plaats heeft het hof volgens Pegroam in rov. 3.7.1 en 3.7.2 het volgende miskend. Het executoriaal derdenbeslag kwalificeert als daad van tenuitvoerlegging in de zin van art. 3:325 lid 2 sub c BW. In de aanhef van genoemd artikel wordt (onder meer) art. 3:319 BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Uit art. 3:319 lid 1 jo. lid 2 BW volgt dat door stuiting een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen die niet langer is dan vijf jaar. Die nieuwe verjaringstermijn is in deze zaak van toepassing.

Volgens Pegroam biedt de regeling van verjaring in Boek 3 BW geen grondslag om het leggen van executoriaal (derden)beslag op basis van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak, gelijk te stellen met het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd. Voor een dergelijke gelijkstelling zou overigens ook geen rechtvaardiging zijn, omdat verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging immers pas een rol gaat spelen nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (zie art. 3:324 lid 2 BW). Verjaring van de rechtsvordering en een ter voorkoming daarvan noodzakelijke gerechtelijke procedure om een executoriale titel te verkrijgen speelt derhalve geen rol meer.

Het hof heeft dit alles naar het oordeel van Pegroam miskend. Gegrondbevinding van de klacht brengt mee dat ook de voortbouwende oordelen in rov. 3.8-3.11 niet in stand kunnen blijven.

4 Heeft Pegroam belang bij het middel?

5 Bespreking van de klachten