Parket bij de Hoge Raad, 10-06-2016, ECLI:NL:PHR:2016:496, 15/01323
Parket bij de Hoge Raad, 10-06-2016, ECLI:NL:PHR:2016:496, 15/01323
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 juni 2016
- Datum publicatie
- 7 oktober 2016
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:496
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2287, Gevolgd
- Zaaknummer
- 15/01323
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Koopovereenkomst oude boerderij. Garantie dat boerderij de eigenschappen bezit die nodig zijn voor bewoning met gezin; betekenis daarvan in het licht van zichtbare bouwkundige gebreken en achterstallig onderhoud. Bodemverontreiniging waarvoor geen saneringsverplichting bestaat. Wanprestatie (art. 7:17 BW)? Uitleg van memorie van grieven. Mededelingsplicht verkoper, onderzoeksplicht koper.
Conclusie
Rolnr. 15/01323
Mr. R.H. de BockZitting: 10 juni 2016
conclusie inzake
1 [eiser 1],
2. [eiseres 2]beiden wonende te [woonplaats](hierna afzonderlijk [eiser 1] en [eiseres 2] en gezamenlijk [eisers])
tegen
1 [verweerder 1],
2. [verweerster 2]beiden wonende te [woonplaats](hierna afzonderlijk [verweerder 1] en [verweerster 2] en gezamenlijk [verweerders])
Deze zaak heeft betrekking op de aangetroffen gebreken in de door [verweerders] aan [eisers] geleverde boerderij met toebehoren en de daaraan te verbinden juridische gevolgen. Rechtbank en hof hebben ten aanzien van tal van gebreken geoordeeld dat geen sprake is van non-conformiteit.
Alleen met betrekking tot de aanwezigheid van asbesthoudend puin in erfdeel RE7, waarvoor een saneringsplicht geldt, is het hof van oordeel dat het geleverde in zoverre niet de eigenschappen bezit voor een normaal gebruik van bewoning door een gezin. Op dit punt zijn [verweerders] tekortgeschoten in hun (garantie)verplichtingen uit de koopovereenkomst. Deze verontreiniging vormt echter onvoldoende grond voor een (partiële) ontbinding van de koopovereenkomst. Het hof veroordeelt [verweerders] tot het betalen van schadevergoeding ter hoogte van € 37.500,--.
In cassatie richten [eisers] tegen de overwegingen van het hof verschillende klachten. Deze klachten bestrijden de door het hof gegeven uitleg van de processtukken en houden verder in dat het hof onvoldoende gewicht heeft gegeven aan de garantie uit art. 8 van de koopovereenkomst, inhoudende dat de boerderij de eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, namelijk voor bewoning door [eiser 1] met zijn gezin. Ook bestrijden [eisers] het oordeel van het hof dat er geen grond is voor partiële ontbinding van de koopovereenkomst.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vastgesteld door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, in rov. 4 van zijn arrest van 2 december 2014.(i) [verweerders] hebben op 19 september 2003 aan [eisers] voor € 375.000,-- kosten koper verkocht de boerderij met schuren, ondergrond, erf en land (met een totale oppervlakte van 5.24.14 ha), staande en gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1]. Het betreft een boerderij die omstreeks 1880 is gebouwd. [eisers] hebben, voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst, de boerderij twee maal bezichtigd. Er was op die momenten zichtbaar sprake van veel achterstallig onderhoud en in de muren van zowel het voorhuis als het achterhuis van de boerderij waren veel scheuren waarneembaar.
(ii) De op 29 november 2003 ondertekende koopovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Artikel 2 - Eigendomsoverdracht (juridische levering)
De akte van eigendomsoverdracht zal gepasseerd worden (...) uiterlijk: 01-02-2004
(...)
Artikel 6 - Ontbindende voorwaarden
Artikel 6.1
Deze overeenkomst kan door de koper worden ontbonden indien uiterlijk:
(...)
d. op uiterlijk 15 december 2003 koper van een door hem in te schakelen bureau te horen krijgt dat de inspectie t.a.v. de stabiliteit c.q. uitgewerkte verzakking dusdanig slecht is, dat dit aan reparatiekosten meer dan € 15.000,-- bedraagt.
(...)
Artikel 8 - Gebruik
Het object zal bij de eigendomsoverdracht of – indien eerder – bij de feitelijke levering, de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn en die uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Koper is voornemens het object als volgt te gebruiken:
VOOR BEWONING MET ZIJN GEZIN
De verkoper staat niet in voor:
andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn en die welke uitdrukkelijk zijn overeengekomen;
aan koper kenbare gebreken op het moment van het sluiten van deze overeenkomst;
hem onbekende onzichtbare gebreken.
(...)
Artikel 10 - Verklaringen verkoper
De verkoper verklaart:
(...)
c. niet bekend te zijn met verontreinigingen van het object die nadelig zijn voor het in artikel 8 omschreven gebruik door de koper, of die leiden of zouden kunnen leiden tot een verplichting tot sanering van het object, het vergoeden van schade, of het nemen van andere maatregelen;
d. dat er voor zover bekend in het object wel ondergrondse tanks voor het opslaan van vloeistoffen aanwezig zijn;
e. dat er voor zover bekend in of aan het object wel asbest of asbesthoudende stoffen aanwezig zijn.
(...)
Artikel 13 - Ingebrekestelling, ontbinding
Indien één der partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig blijft in de nakoming van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen (...) zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete verbeuren van 10% van de koopsom (...).
Artikel 16 - Nader is overeengekomen:
1. Koper is bekend met de staat van onderhoud van het verkochte onroerend goed, is hieromtrent voldoende geïnformeerd en heeft zich een beeld kunnen maken van het noodzakelijk uit te voeren onderhoud.
(...).”
(iii) Partijen zijn nader overeengekomen dat de eigendomsoverdracht zou plaatsvinden op 2 februari 2004.
(iv) [eisers] hebben geen gebruik gemaakt van de in artikel 6.1 onder d. van de koopovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde.
(v) Op 2 februari 2004 hebben [eisers] schriftelijk aan [verweerders] en de betrokken notaris laten weten dat de levering niet kon doorgaan. Zij zijn niet bij de notaris verschenen.
(vi) Bij aangetekende brief van 6 februari 2004 hebben [verweerders] [eisers] in gebreke gesteld en hun meegedeeld nakoming te eisen en, voor het geval niet binnen acht dagen zou worden nagekomen, aanspraak te maken op de contractuele boete van 10% van de koopsom.
Daarna hebben [verweerders] [eisers] in kort geding gedagvaard om hen te dwingen mee te werken aan de eigendomsoverdracht. Bij vonnis van 29 april 2004 zijn [eisers] veroordeeld tot medewerking aan de eigendomsoverdracht. De notariële akte van levering is vervolgens op 19 mei 2004 gepasseerd.
(vii) In opdracht van [eisers] is een aantal onderzoeksrapporten uitgebracht aangaande de [a-straat 1] te [plaats].
TMS Holland B.V. heeft een bouwtechnisch keuringsrapport opgesteld. Daarin wordt met betrekking tot herstel van de gevels, het dak, het interieur en de bijgebouwen een kostenindicatie van in totaal € 219.800,- gegeven.
Raadgevend Ingenieursbureau [A] B.V. heeft gerapporteerd omtrent de fundering en daarmee samenhangend de scheurvorming.
Sigma Bouw & Milieu heeft een verkennend milieukundig bodemonderzoek verricht. Het rapport van 16 maart 2005 bevat de volgende conclusies en aanbevelingen:
“- De ondergrond alsmede het grondwater ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieselolietank bevat matig tot sterk verhoogde gehaltes minerale olie. Nader onderzoek wordt in dit geval noodzakelijk geacht.
- Het aanwezige puinmateriaal bevat plaatselijk asbesthoudend materiaal. Teneinde de aard en omvang van de aangetoonde verontreiniging met asbest vast te stellen dient een vervolgonderzoek volgens NEN-5707 ingesteld te worden.
- Het aanwezige puinmateriaal bevat plaatselijk teerhoudend asfalt.
- Teneinde de omvang van de fysische verontreiniging met puinmateriaal vast te stellen wordt geadviseerd nader onderzoek in te stellen.”
De rechtbank Groningen heeft in eerste aanleg zeven vonnissen gewezen, namelijk op 4 januari 2006, 12 april 2006, 28 februari 2007, 29 augustus 2007, 26 augustus 2009, 14 april 2010, 14 juli 2010 en 24 augustus 2011. In haar eindvonnis van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank in conventie [verweerders] veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 37.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [verweerders] afgewezen. De proceskosten zijn door de rechtbank gecompenseerd.
De inhoud van de door de rechtbank gewezen tussenvonnissen is van belang, omdat het hof in zijn arrest grote delen van de motivering van de rechtbank overneemt en zich daarbij dan aansluit. Voor zover van belang zal de inhoud van die vonnissen dan ook kort worden weergegeven. In het eerste inhoudelijke tussenvonnis van 12 april 2006 heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“5.1 Partijen strijden allereerst over de vraag of de geleverde zaak beantwoordt aan de overeenkomst. Daarvan is sprake als de zaak de eigenschappen bezit die de koper daarvan mocht verwachten. Het gaat dan om eigenschappen die voor normaal gebruik van de zaak nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen en eigenschappen die voor een eventueel overeengekomen bijzonder gebruik nodig zijn. Een en ander moet nader worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval, zoals de aard van de zaak, de mededelingen van de verkoper, de prijs en de leeftijd van de zaak en de onderzoeksplicht van de koper. Met betrekking tot de mededelingsplicht van de verkoper merkt de rechtbank op dat deze plicht niet zover gaat dat de verkoper uit eigen beweging alle onvolkomenheden moet melden. Een mededelingsplicht bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin als de verkoper er geen rekening mee hoeft te houden dat de koper met betrekking tot bepaalde eigenschappen een onjuiste voorstelling van zaken heeft.
De tussen partijen gesloten overeenkomst vermeldt als gebruiksdoel bewoning. Een bijzonder gebruik is niet overeengekomen. De boerderij is omstreeks 1880 gebouwd. Er was op het moment van aankoop zichtbaar sprake van veel achterstallig onderhoud en in de muren van zowel het voorhuis als het achterhuis van de boerderij waren veel scheuren waarneembaar. Verder was er zichtbaar een bovengrondse dieseltank aanwezig en zijn blijkens de schriftelijke koopovereenkomst door [verweerders] mededelingen gedaan over ondergrondse tanks voor het opslaan van vloeistoffen en over de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende stoffen in en aan het object. Een en ander maakt naar het oordeel van de rechtbank dat aan de eigenschappen die voor het normale gebruik van deze boerderij nodig zijn geen hoge eisen mogen worden gesteld. De rechtbank zal hierna de door [eisers] gestelde gebreken gerubriceerd beoordelen. Vooraf merkt de rechtbank nog op dat zij, anders dan [verweerders], van oordeel is dat [eisers] aan hun stelplicht hebben voldaan: zij hebben een koopovereenkomst en non-conformiteit gesteld. Daarbij hebben zij een groot aantal gebreken gesteld en deze onderbouwd met een drietal rapporten.
Septic tank en schonen van sloten
(...)
Staat van boerderij en schuren
Gelet op de kenbare staat en de leeftijd van de boerderij en op het feit dat met betrekking tot de stabiliteit c.q. uitgewerkte verzakking zelfs een voorbehoud in de overeenkomst is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de gestelde gebreken aangaande de staat van de boerderij en schuren geen afbreuk doen aan eigenschappen waarvan [eisers] de aanwezigheid mochten verwachten. Anders gezegd: ook met de gestelde gebreken beantwoorden de boerderij en de schuren aan de overeenkomst. Illustratief in dit verband acht de rechtbank de opmerking in het onder 2.7 genoemde rapport van TMS Holland B.V.:
“Wij hebben getracht om in dit rapport een zo goed mogelijk beeld van de boerderij te scheppen. Het is namelijk ondoenlijk om alle achterstallig onderhoud exact te omschrijven.”
Verontreiniging
De aanwezigheid van bodemverontreiniging kan meebrengen dat de boerderij eigenschappen mist die nodig zijn voor het normale gebruik als woning (vgl. HR 12 december 1999, NJ 1999, 584; HR 28 januari 2000, NJ 2000, 575 en HR 9 juli 2004, LJN AP2834). In dat geval zal een beroep van [verweerders] op de exoneratieclausule van artikel 8 van de koopovereenkomst hen niet baten, omdat zij in datzelfde artikel de aanwezigheid van eigenschappen die nodig zijn voor het normale gebruik hebben gegarandeerd. Eventuele onbekendheid van [verweerders] (zoals opgenomen in artikel 10 van de koopovereenkomst) doet evenmin afbreuk aan de garantie ten aanzien van het normale gebruik.
In het licht van de in rechtsoverweging 2.7 genoemde rapportage is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat de verontreiniging zodanig is, dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. In hoeverre dat het geval is, zal naar het oordeel van de rechtbank afhangen van de mate van verontreiniging en van hetgeen [eisers] konden verwachten gegeven de zichtbare aanwezigheid van de dieselolietank en het algemeen bekende feit dat boerenerven vaak verhard zijn met puin. Verder merkt de rechtbank nog op, dat de bewijslast van non-conformiteit rust op [eisers]
Ter comparitie is de rechtbank gebleken dat nog geen nader milieukundig bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Om tot een goede beoordeling te komen is nader deskundigenonderzoek naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. (...)”
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor uitlating partijen over het in te winnen deskundigenbericht. Tevens worden [eisers] toegelaten te bewijzen dat [verweerders] hebben gegarandeerd dat het dak lekdicht zou zijn, dat er geen rotte delen op de deel zouden zijn en dat de boerderij vrij zou zijn van actieve houtworm (rov. 5.3).
Bij tussenvonnis van 28 februari 2007 is Ingenieursbureau ‘Oranjewoud’ B.V. tot deskundige benoemd om, kort samengevat, de aard en mate van verontreiniging in en rond de boerderij in kaart te brengen.
Na getuigen te hebben gehoord komt de rechtbank in haar vonnis van 26 augustus 2009 tot het oordeel dat [eisers] niet zijn geslaagd in het hun opgedragen bewijs. Om die reden wordt de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van specifieke garanties van [verweerders] met betrekking tot dak, rotte delen en houtworm, verworpen (rov. 2.4). Verder overweegt de rechtbank dat uit het deskundigenbericht van Oranjewoud blijkt dat sprake is van een redelijke mate van verontreiniging. Voor wat betreft erfdeel RE7 gaat het om de aanwezigheid van een asbesthoudende ophooglaag, waarvoor op grond van de toepasselijke regelgeving een saneringsnoodzaak bestaat. Sanering kan plaatsvinden door het aanbrengen van een verhardingslaag. Voor wat betreft erfdelen RE5 en RE6 is eveneens sprake van een asbesthoudende ophooglaag en overschrijding van de interventiewaarden; voor deze erfdelen is echter alleen sprake van een saneringsnoodzaak indien het ophoogmateriaal is aangebracht na 1987. Vervolgens overweegt de rechtbank:
“2.11. De rechtbank constateert dat [eisers] thans vorderen de overeenkomst partieel te ontbinden in die zin dat de opstallen bestaande uit de boerderij en stallen alsmede het verontreinigde erf aan [verweerders] in eigendom worden geretourneerd, om reden dat de geleverde zaak met de geconstateerde verontreiniging niet aan de overeenkomst beantwoordt. Zoals de rechtbank hiervoor onder r.o. 2.6.1 heeft overwogen dient bij de beantwoording van de vraag of de door [verweerders] geleverde zaak om reden van verontreiniging niet aan de overeenkomst beantwoordt, de mate van de verontreiniging en hetgeen [eisers] dienaangaande konden verwachten, betrokken te worden.
Uit het deskundigenbericht blijkt genoegzaam dat een redelijke mate van verontreiniging is geconstateerd. Daarbij is er met name op gewezen dat het erfdeel RE 7 gesaneerd dient te worden. In de erfdelen RE 5 en 6 is eveneens verontreiniging aangetroffen, waarbij de noodzaak van sanering afhangt van de vraag of de verontreiniging voor of na 1987 is aangebracht. Deze vraag is eveneens van belang met betrekking tot de geconstateerde verontreiniging door minerale olie.2
Tevens blijkt uit het deskundigenbericht dat op basis van de ouderdom van de boerderij, maar ook de bedrijfsvoering in het verleden, de aanwezigheid van asbesthoudende stoffen was te verwachten en dat verontreiniging met oliecomponenten door de aanwezigheid van tanks, de ligging in het buitengebied en de bedrijfsvoering op voorhand niet uit te sluiten was. Ook is vermeld dat er voorafgaand aan het ondertekenen van de koopovereenkomst voldoende aanwijzingen zijn geweest op basis waarvan een vermoeden van de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging kon ontstaan.
Met betrekking tot de op erfdeel RE 7 uit te voeren sanering heeft Oranjewoud aangegeven, dat het aanbrengen van een verhardingslaag een sanerende maatregel is.
De rechtbank ziet in de mate van verontreiniging van de grond, de mate waarin deze voor [eisers] voorzienbaar was, alsmede de door de deskundige aangedragen sanerende maatregel, aanleiding om een comparitie te bevelen om te onderzoeken of partijen het met elkaar eens kunnen worden over de vraag of en op welke wijze de zaak door het (laten) uitvoeren van saneringswerkzaamheden ook voor de verontreinigde erfdelen geschikt te maken is voor de overeengekomen bestemming, alsmede de financiële afwikkeling daarvan. (...)”
Na het plaatsvinden van een comparitie, heeft de rechtbank in een volgend tussenvonnis van 14 april 2010 een aanvullend deskundigenonderzoek door Oranjewoud gelast. De voorgelegde vragen hebben in de eerste plaats betrekking op het moment van het ontstaan van de geconstateerde bodemverontreinigingen, voor of na 1987. In de tweede plaats is aan Oranjewoud gevraagd naar de te treffen saneringsmaatregelen voor RE5, RE6 en RE7 alsmede naar de kosten voor de op erfdeel RE7 aan te brengen verhardingslaag.
Oranjewoud heeft een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht, waarna de rechtbank bij eindvonnis van 24 augustus 2011 als volgt overweegt:
“2.5. De rechtbank is van oordeel dat Oranjewoud in het door haar uitgebrachte rapport haar onderzoekmethode helder en duidelijk heeft weergegeven en dat zij de wijze waarop zij op basis van de door middel van dat onderzoek verkregen resultaten tot haar conclusies is gekomen eveneens inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank zal Oranjewoud dan ook volgen in de door haar getrokken conclusies en deze tot de hare maken.
De hiervoor vermelde conclusies leiden ertoe dat niet is gebleken dat de verontreiniging met minerale olie en/of PAK in de grond en/of het grondwater, dan wel de verontreiniging met minerale olie in het puin, na 1987 is ontstaan. Dit betekent dat [verweerders] de op hen in dit kader rustende zorgplicht jegens [eisers] niet hebben geschonden, alsook dat er geen sprake is van een non-conforme levering. Aldus kunnen [verweerders] ter zake van deze verontreinigingen niet aansprakelijk worden gesteld voor de kosten die met de sanering daarvan zijn gemoeid.
De conclusies leiden er tevens toe dat niet is gebleken dat de verontreiniging met asbest in de grond na 1993 is aangebracht. Aldus hebben [verweerders] de op hen in dit kader rustende zorgplicht jegens [eisers] evenmin geschonden en is er ook in dit geval geen sprake van een non-conforme levering. Zodoende kunnen [verweerders] ter zake van deze verontreiniging evenmin aansprakelijk worden gesteld voor de kosten die met de sanering daarvan zijn gemoeid.
De rechtbank is van oordeel dat dit anders is met betrekking tot de verontreiniging van terreindeel RE7 met asbest in puin. Uit het door Oranjewoud verrichte onderzoek is immers gebleken dat de ophoging met puin van RE7 is doorgegaan tot na 1995 en dat op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de verontreiniging met asbest ter plaatse van RE7 in ieder geval voor een deel is ontstaan na 1993. De rechtbank is van oordeel dat het in het licht hiervan voorafgaand of minst genomen ten tijde van de koop, op de weg van [verweerders] had gelegen te melden dat er tot zeer recent (blijkens het verrichte onderzoek tot 2000) voor de ophoging van RE7 asbesthoudend puin is gebruikt. Gelet hierop hebben [verweerders] naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet kunnen volstaan met de door hen gedane algemene mededeling dat er in of aan het object asbest of asbesthoudende stoffen aanwezig zijn.
Door na te laten een nadere en meer specifieke mededeling over de verwerking van asbesthoudend puin in RE7 te geven, hebben [verweerders] hun mededelingsplicht en in het verlengde daarvan de op hen in dit kader rustende zorgplicht jegens [eisers] geschonden. Aldus hebben [verweerders] aan [eisers] geleverd een woning die deels niet voldoet aan hetgeen zij in art. 8 van de koopovereenkomst aan [eisers] hebben gegarandeerd, te weten een object dat de eigenschappen zou bezitten voor een normaal gebruik als woonhuis (bewoning met gezin). Door deze non-conforme levering zijn [verweerders] jegens [eisers] in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst tekortgeschoten. Derhalve kunnen [verweerders] aansprakelijk worden gehouden voor de kosten die met de sanering van de verontreiniging in RE7 zijn gemoeid.”
De schade die [eisers] hebben ondervonden door de non-conforme levering bepaalt de rechtbank op € 37.500,--, overeenkomstig de door Oranjewoud berekende saneringskosten voor erfdeel RE7 (rov. 2.11). Vervolgens overweegt de rechtbank:
“2.12. De rechtbank is van oordeel dat de verhouding tussen dit schadebedrag en de door partijen overeengekomen verkoopsom van EUR 375.000,00, de door [eisers] primair gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen. De subsidiaire vordering van [eisers], te weten verlaging van de koopsom naar EUR 50.000,00, zal de rechtbank eveneens afwijzen, nu de overeengekomen koopsom van EUR 375.000,00 verminderd met het voornoemde schadebedrag leidt tot een koopsom die vele malen hoger is gelegen dan de door [eisers] genoemde EUR 50.000,00.”
Behalve de gevorderde partiële ontbinding is ook de meer subsidiaire vordering van [eisers] tot vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling, door de rechtbank afgewezen. Hetzelfde geldt voor de nog meer subsidiaire vordering, wijziging van de overeenkomst in die zin dat de koopprijs wordt verlaagd naar € 50.000,--. Ten slotte is ook afgewezen de reconventionele vordering van [verweerders] tot betaling van de contractuele boete wegens het aanvankelijk niet meewerken aan de levering van de boerderij door [eisers] Op grond van de tekortkoming van [verweerders] voor wat betreft de verontreiniging in erfdeel RE7 mochten [eisers] hun medewerking aan de levering opschorten, zo oordeelt de rechtbank (rov. 2.15).
[eisers] en [verweerders] hebben tegen deze vonnissen principaal onderscheidenlijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 2 december 2014 zowel het principaal appel als het incidenteel appel verworpen en heeft de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Groningen van 12 april 2006 en 24 augustus 2011 bekrachtigd.3
Tegen het arrest van het hof is tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eisers] hebben van repliek gediend en [verweerders] hebben nog gedupliceerd.