Home

Parket bij de Hoge Raad, 27-11-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1307, 17/01969

Parket bij de Hoge Raad, 27-11-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1307, 17/01969

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27 november 2018
Datum publicatie
8 januari 2019
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1307
Formele relaties
Zaaknummer
17/01969

Inhoudsindicatie

Levert het toevoegen van de woorden "zal ik jou eens met GHB inspuiten?" bedreiging a.b.i. art. 285 Sr op? Voor een veroordeling t.z.v. bedreiging met zware mishandeling isi.c.vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. ECLI:NL: HR:2005:LJN AT3659). Het oordeel van het Hof dat hiervan in het onderhavige geval sprake is geweest door het toevoegen van de woorden: "zal ik jou eens met GHB inspuiten?", getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Conclusie

Nr. 17/01969

Zitting: 27 november 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 24 maart 2017 bevestigd het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 maart 2016, waarbij de verdachte wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en 3. “bedreiging met zware mishandeling”, is veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar en waarbij de gevorderde tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling is afgewezen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde dat de verwerping van het verweer dat de toediening van GHB geen zware mishandeling kan opleveren en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.

3.1. Alvorens het middel te bespreken, geef ik kort aan wat zich in deze zaak heeft voorgedaan. De aangeefster – de halfzus van de verdachte – zag de verdachte in de tuin van haar en haar moeder staan. Zij (aangeefster en haar moeder) hadden al lange tijd problemen met de verdachte. Aangeefster zag dat de verdachte haar fiets vastpakte en hiermee wilde weglopen. Aangeefster is naar buiten gelopen en heeft tegen de verdachte gezegd dat hij haar fiets moest laten staan. Zij zag dat de verdachte uit zijn jaszak een spuit haalde en dat er een kleine hoeveelheid doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Zij hoorde hem op het moment dat de verdachte de spuit in zijn hand vasthield zeggen: “Zal ik jou eens met GHB inspuiten?”. De moeder van aangeefster heeft verklaard dit ook te hebben gehoord en aangegeven dat het om een spuit zonder naald ging.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat hij:

“op 15 december 2015 te Eindhoven [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Zal ik jou eens met GHB inspuiten?”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2017 heeft de raadsman van de verdachte aldaar voor zover hier van belang het volgende aangevoerd:

“De raadsman voert het woord tot pleidooi:

(..)

Mijn cliënt ontkent dat hij zijn zus heeft bedreigd met de woorden: “Zal ik jou eens GHB inspuiten” (feit 3). Stel je gaat uit van de bewijsbaarheid van deze uiting, betreft het hier dan een bedreiging met zware mishandeling. Ik verwijs in dit verband naar ECLI:NL:HR:2014:3055 vervolg op ECLI:NL:HR:2012:BX5468. Het effect van GHB is niet zodanig groot dat er sprake zou zijn van zware mishandeling. Hoogstens zou sprake zijn van eenvoudige mishandeling, hetgeen niet ten laste is gelegd.

Gelet op al het voorgaande verzoek ik het hof mijn cliënt integraal vrij te spreken.

(..)

De raadsman voert andermaal het woord:

Gootsteenontstopper is een ingrediënt om uiteindelijk te kunnen komen tot GHB. In de parallel die de advocaat-generaal schetst1 kun je ook limonade in de injectiespuit stoppen. Het gaat er om dat wordt gezegd dat het GHB is. GHB wordt veelal gedronken en zorgt voor een roesje.”

3.4. Het door het hof bevestigde vonnis houdt onder meer in (met weglating van de voetnoten):

Bewijs

(...)

Het standpunt van de verdediging.

(...) De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de zin “zal ik jou eens met GHB inspuiten” geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling kan opleveren.

Het oordeel van de rechtbank.

(..)

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 1]:

Zij deed aangifte en verklaarde over een bedreiging op de [a-straat] te Eindhoven op 15 december 2015 te 14:30 uur. Op 15 december 2015 omstreeks 14:30 uur was ik thuis in de woning [a-straat] in Eindhoven. Op dat tijdstip zag ik dat mijn halfbroer [verdachte] bij ons in de tuin stond. Ik zag dat [verdachte] uit zijn jaszak een spuit haalde. Ik zag dat er een kleine hoeveelheid doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Ik hoorde op het moment dat [verdachte] de spuit in zijn hand vasthield, dat hij tegen mij zei: “zal ik jou is (de rechtbank begrijpt: eens) met GHB inspuiten”.

Het proces-verbaal van telefonisch verhoor getuige [getuige]:

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 1]:

De eis van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

Het oordeel van de rechtbank.