Parket bij de Hoge Raad, 27-11-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1309, 17/02148
Parket bij de Hoge Raad, 27-11-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1309, 17/02148
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 november 2018
- Datum publicatie
- 18 december 2018
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:1309
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2249
- Zaaknummer
- 17/02148
Inhoudsindicatie
-
Conclusie
|
Nr. 17/02148 Zitting: 27 november 2018 |
Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] |
1. De verdachte is bij arrest van 10 april 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens – kort gezegd – doodslag op zijn echtgenote (onder 1 primair (impliciet subsidiair)), vernieling van haar lijk (onder 2) en het wegmaken van haar lijk door dat in stukken te zagen en verpakt in plastic zakken in een kanaal gegooid (onder 3), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en tien maanden. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij – de moeder van het slachtoffer – toegewezen tot het bedrag van € 4.575,28 in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door vijfenvijftig dagen hechtenis, en de verdachte verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 1.283,00. Voorts heeft het hof beslissingen genomen over in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerpen.1
2. De verdachte heeft cassatieberoep laten instellen. Namens hem heeft mr. B.A.A. Postma, advocaat te Amersfoort, een schriftuur ingediend met daarin twee middelen van cassatie.
3. Het eerste middel klaagt over de bewijsvoering van de ten laste van de verdachte bewezen verklaarde doodslag op zijn echtgenote, in het bijzonder gelet op het ter terechtzitting van het hof uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte van dat feit moet worden vrijgesproken. Met twee deelklachten worden bezwaren aangevoerd tegen twee onderdelen van de bewezenverklaring, te weten (a) de doodsoorzaak, te weten dat het slachtoffer ten gevolge van toegepast geweld op/aan de hals is overleden en (b) dat de verdachte opzettelijk dodelijk geweld jegens haar heeft uitgeoefend. De deelklachten bestaan enerzijds uit bezwaren tegen onderdelen van de overwegingen van het hof die betrekking hebben op de bewijsvoering die niet begrijpelijk zouden zijn (kortweg: de bewijsconstructie als zodanig), en hebben anderzijds betrekking op onderdelen waarmee ter terechtzitting van het hof het standpunt strekkende tot vrijspraak uitdrukkelijk is onderbouwd, waaraan het hof voorbij zou zijn gegaan zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid (kortweg: het voorbijgaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt).
4. Voordat ik de uitvoerige (bewijs)overwegingen van het hof weergeef, geef ik een samenvatting van de feiten op basis van de overwegingen van het hof en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, en het bewezenverklaarde feit waartegen het middel is gericht.
5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaard dat:
“hij op 19 mei 2013 in Alphen aan den Rijn[,] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (met kracht) een of meer vormen van (onbekend gebleven) uitwendig geweld op/aan de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden”.
6. Op 19 mei 2013 woonde de verdachte met zijn echtgenote, het latere slachtoffer, in dezelfde flatwoning terwijl zijn echtgenote op dat moment een relatie had met een andere man. De verdachte en het latere slachtoffer hadden in de flatwoning ieder een eigen kamer. Nadat het latere slachtoffer die dag was thuisgekomen, is onenigheid ontstaan tussen haar en de verdachte naar aanleiding van een brief van de raadsman van het latere slachtoffer dat de verdachte de woning met ingang van 1 juni 2013 zou moeten verlaten. De verdachte ontkent niet dat hij met het slachtoffer heeft gevochten maar heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij na het gevecht is gaan slapen en de volgende dag het lichaam van zijn overleden echtgenote heeft aangetroffen. Om te voorkomen dat hij als verdachte van de dood van zijn echtgenote zou worden gezien, heeft hij haar lijk in stukken gezaagd en deze in afzonderlijke zakken in een kanaal gegooid. De vernieling van het lijk en het wegmaken daarvan heeft de verdachte bekend en heeft het hof onder 2 en 3 bewezen verklaard.
7. De doodslag op zijn echtgenote heeft de verdachte ontkend. Aangevoerd is dat de verdachte weliswaar op 19 mei 2013 met het slachtoffer heeft gevochten maar daarna is gaan slapen en haar pas de volgende dag dood heeft aangetroffen. Het slachtoffer zou “plots” zijn overleden, zoals bijvoorbeeld ook bij sportmensen voorkomt, of als het gevolg van hartproblemen die eerder bij het slachtoffer waren geconstateerd al of niet in combinatie met de stress waaronder zij leefde vanwege de situatie waarin zij zich bevond.
8. Het hof heeft als bewijsmiddel gegevens opgenomen over het gebruik van een tag/transponder die aan een sleutelbos was bevestigd die in het bezit van de verdachte is aangetroffen. Deze tag is voor de toegang tot de berging van de flatwoning gebruikt onder meer nadat de verdachte en het slachtoffer hebben gevochten. Hieruit heeft het hof afgeleid dat de verdachte niet, zoals hij heeft verklaard, na de vechtpartij is gaan slapen toen zijn echtgenote nog zou hebben geleefd. Hoewel geen doodsoorzaak kon worden vastgesteld, heeft het hof bewezen geacht dat het slachtoffer is overleden als gevolg van “uitwendig geweld op/aan de hals”. Sectie heeft “geen ziekelijke afwijkingen” uitgewezen “die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest kunnen zijn”. Het rapport van de patholoog houdt verder in dat in de “LDH macro-enzymtest (sneldiagnostiek van de hartspier) [...] geen bijzonderheden [waren] te zien. Het hart was niet vergroot en de kransslagaders waren gaaf.”
9. Voor de in het middel betwiste bewijsvoering zijn de volgende overwegingen van het hof van belang:
“Aanleiding onderzoek
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken.
[slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), geboren op [geboortedatum] 1980, was sinds 29 maart 2008 getrouwd met de verdachte. Samen hadden zij op 29 oktober 2012 een flatwoning aan de [a-straat 1] in Alphen aan den Rijn gekocht. Het slachtoffer kreeg in de periode van de aankoop van de woning een relatie met een andere man, te weten [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Het slachtoffer heeft enkele dagen na het tekenen van het koopcontract van de woning aan de verdachte laten weten dat zij de relatie wilde beëindigen. Op 7 januari 2013 heeft haar advocaat aan de verdachte de echtscheiding aangezegd. Het verzoek tot echtscheiding is ingediend op 29 januari 2013. Vanaf eind december 2012 leefden het slachtoffer en de verdachte niettemin nog wel samen in de woning aan de [a-straat 1] en had elk van hen een eigen slaapkamer.
Het slachtoffer is op 19 mei 2013 (eerste Pinksterdag) ’s ochtends weggegaan en heeft die dag samen met [betrokkene 1] doorgebracht. De verdachte bleef thuis. Om ongeveer 18.25 uur is het slachtoffer thuis gekomen, waar zij de verdachte trof. Het slachtoffer is meteen naar haar eigen slaapkamer gegaan.
[betrokkene 1] heeft sinds de avond van 19 mei 2013 geen telefonisch contact meer kunnen krijgen met het slachtoffer, terwijl zij dagelijks meerdere keren sms- contact hadden met elkaar.
Op 20 mei 2013 (tweede Pinksterdag) heeft [betrokkene 1] om 15.30 uur melding gemaakt van de vermissing van het slachtoffer.
Op 21 mei 2013 meldde [betrokkene 1] bij de politie dat hij nog steeds geen contact met het slachtoffer had gehad. Zij was die dag ook niet op haar werk verschenen. Er werd vervolgens een onderzoek ingesteld naar de vermissing van het slachtoffer.
De verdachte is op 21 mei 2013 aangehouden. Hij had diverse kleine verwondingen op zijn bovenlichaam, armen, handen en hoofd.
Bij onderzoek in de woning zijn bloedsporen van het slachtoffer aangetroffen.
In de periode van 22 mei 2013 tot en met 15 juni 2013 zijn in het water, op verschillende locaties in de gemeente Haarlemmermeer, negen in een koffer en vuilniszakken verpakte delen van het lichaam van het slachtoffer gevonden.
De verdachte heeft ontkend dat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Hij heeft bekend dat hij het stoffelijk overschot in stukken heeft gezaagd en de delen op verschillende plaatsen in het water heeft gegooid.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – het volgende verklaard.
Nadat het slachtoffer in de avond van 19 mei 2013 was thuis gekomen, is hij naar haar kamer gegaan met een vraag over een e-mail van haar advocaat, inhoudende dat hij uiterlijk op 1 juni 2013 de woning diende te verlaten. In haar kamer is ruzie ontstaan die uitmondde in een heftige vechtpartij waarbij zij beiden op de grond zijn gevallen. Het slachtoffer heeft hem op enig moment hard in de vingers gebeten. De verdachte is de kamer ontvlucht. Hij heeft vervolgens een fles sterke drank opgedronken en is in slaap gevallen. Toen hij de volgende ochtend van haar wekker wakker werd, is hij naar haar kamer gegaan. Zij lag op de grond en bleek te zijn overleden.
Uit angst dat hij door de politie zou worden aangehouden, heeft hij het stoffelijk overschot in stukken gezaagd en deze lichaamsdelen op verschillende locaties in het water gegooid.
Onderzoek naar de doodsoorzaak
In het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet- natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut van 18 september 2013 staat het volgende vermeld:
“Bij onderzoek op een lijkdeel (hoofd en hals) van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1980, werd geen anatomische doodsoorzaak aangetroffen.
Er was een toxicologische aanwijzing voor doorgemaakt geweld aan de hals. Derhalve kunnen de bevindingen mogelijk passen bij (doch zijn zij zeker niet bewijzend voor) een overlijden door verstikking door toegepast geweld aan de hals. Een andere doodsoorzaak is bij sectie en vervolgonderzoek niet gebleken.”