Home

Parket bij de Hoge Raad, 18-12-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1385, 18/00573

Parket bij de Hoge Raad, 18-12-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1385, 18/00573

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
18 december 2018
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1385
Formele relaties
Zaaknummer
18/00573

Inhoudsindicatie

Hulp bij zelfdoding van zijn (stief)moeder door niet-arts, art. 294.2 Sr. 1. Overmacht in de zin van noodtoestand? 2. Verweer dat art. 294.2 Sr buiten toepassing moet blijven omdat toepassing daarvan in strijd is met art. 8 EVRM. Kan verdachte zich als naaste van (stief)moeder beroepen op eerbiediging van zijn privéleven?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:418 m.b.t. strafbaarheid van hulp bij zelfdoding en uitzonderlijke omstandigheden waaronder in art. 293 en 294 Sr strafbaar gestelde handelingen gepleegd door niet-arts gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Bij beoordeling van beroep op overmacht in de zin van noodtoestand heeft Hof tot uitgangspunt genomen dat wetgever m.b.t. verlenen van hulp bij zelfdoding en toepassen van euthanasie heeft voorzien in bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot handelen van artsen en heeft het vervolgens onderzocht of zich niettemin "uitzonderlijke omstandigheden" hebben voorgedaan op grond waarvan tlgd. handelingen van verdachte - die hoedanigheid van arts miste - gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Daarvan uitgaande heeft Hof verweer verworpen. Door aldus te oordelen heeft Hof voornoemd toetsingskader niet miskend. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Hof aan zijn vaststellingen kennelijk en niet onbegrijpelijk gevolgtrekking heeft verbonden dat niet aannemelijk is geworden dat geen redelijk alternatief bestond voor door verdachte gemaakte keuze om zijn (stief)moeder bij haar zelfdoding behulpzaam te zijn, noch voor wijze waarop en omstandigheden waaronder uitvoering van die keuze is geschied. HR merkt op dat opvatting dat ingeval door verdachte die geen arts is beroep is gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand, rechter bij beoordeling van dat verweer nooit omstandigheden mag betrekken die ook tot uitdrukking komen in zorgvuldigheidseisen a.b.i. in art. 293.2 Sr, geen steun vindt in het recht. Die voor arts geldende zorgvuldigheidseisen zijn als zodanig niet van toepassing in geval als het onderhavige waarin verdachte - cruciale - hoedanigheid van arts mist (vgl. ECLI:NL:HR:2017:418, rov. 4.3). Het is evenwel niet uitgesloten dat omstandigheid die i.h.k.v. die zorgvuldigheidseisen relevant is, ook van belang kan zijn voor beoordeling van - in geval als het onderhavige slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden - beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, bijvoorbeeld bij beoordeling van eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat uit rechtspraak van EHRM niet kan worden afgeleid dat toepassing van art. 294.2 Sr in geval als het onderhavige - waarin verdachte, die t.t.v. handelen hoedanigheid van arts miste, naast familielid bij zelfdoding behulpzaam is geweest en deze middelen daartoe heeft verschaft - in strijd is met bij art. 8 EVRM gewaarborgd recht op eerbiediging van persoonlijke levenssfeer. Dat oordeel is juist, mede gelet op in CAG samengevatte jurisprudentie van EHRM, waaruit o.m. naar voren komt dat lidstaten op dit terrein ruime "margin of appreciation" toekomt.

Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:418.

Conclusie

Nr. 18/00573

Zitting: 18 december 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

Het cassatieberoep

  1. Het gerechtshof Den Bosch heeft de verdachte bij arrest van 31 januari 2018 wegens “opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden en mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.

Feiten en achtergronden

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is zijn 99-jarige stiefmoeder, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), opzettelijk behulpzaam geweest bij haar zelfdoding. [betrokkene 1] had haar huisarts kenbaar gemaakt dat zij haar leven wilde beëindigen. De huisarts toonde zich niet bereid daaraan mee te werken, omdat naar haar oordeel niet was voldaan aan de voorwaarden voor de toewijzing van een euthanasieverzoek. Ook een herhaald verzoek om euthanasie honoreerde de huisarts niet. De verdachte heeft besloten [betrokkene 1] te helpen om haar stervenswens te vervullen. Daartoe heeft hij contact gelegd met een consulent van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde (NVVE), die de verdachte en zijn stiefmoeder heeft geïnformeerd over methoden van zelfdoding. De verdachte ontdekte dat [betrokkene 1] zelf pillen verzamelde met als doel een einde aan haar leven te maken, terwijl de pillen voor dat doel ongeschikt waren. De verdachte heeft [betrokkene 1] aangeboden haar te helpen en zelf medicatie te verzamelen. De verdachte een protocol opgesteld ten behoeve van de uitvoering van de zelfdoding, met zijn stiefmoeder een dag gepland waarop de zelfdoding zou plaatsvinden, de benodigde medicatie verzameld, zijn stiefmoeder instructies gegeven over de tijd en wijze van het innemen van deze medicatie en deze fijngemaakt, vermengd met yoghurt en aan zijn stiefmoeder gegeven. Daarna heeft hij aan zijn stiefmoeder drinken aangereikt om de medicatie mee weg te spoelen. De verdachte is na enige tijd naar huis gegaan om te slapen, waarna [betrokkene 1] is overleden.

Maatschappelijke context

4. De zaak heeft in de media veel aandacht gekregen. De beeldopnamen die de verdachte van het gehele proces heeft gemaakt zijn in een documentaire gebruikt, die in het televisieprogramma Netwerk is uitgezonden.1 Bovendien speelt de zaak een rol in het debat dat in de Tweede Kamer wordt gevoerd over de vraag of er in gevallen waarin mensen hun leven voltooid achten zonder dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden met een medische grondslag hulp moet kunnen worden geboden bij zelfdoding.2 Hiermee wordt doorgaans gedoeld op mensen die veelal op hoge leeftijd zijn en die, zonder dat zij overigens in medisch opzicht lijden aan een onbehandelbare en met ernstig lijden gepaard gaande ziekte of aandoening, voor zichzelf tot de conclusie zijn gekomen dat de waarde van het leven zodanig is afgenomen dat zij de dood verkiezen boven verder leven.3

5. Dit debat vindt plaats mede naar aanleiding van het door de Commissie-Schnabel uitgebrachte rapport met als titel Voltooid leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. De commissie heeft in haar rapport de onderhavige zaak besproken en in het kader van haar onderzoek ook met de verdachte gesprekken gevoerd.4 Eén van de belangrijkste conclusies van de Commissie-Schnabel is dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt om het merendeel van de gevallen “van de ‘voltooid leven’-problematiek te ondervangen”. De formulering van de wet laat volgens de commissie bij handhaving van de zorgvuldigheidseisen en het medische handelingsmonopolie ruimte voor veranderende inzichten, zowel in verruimende als in beperkende zin. 5 Niettemin hebben de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van (toen nog) Veiligheid en Justitie in een brief van 12 oktober 2016 kenbaar gemaakt een extra uitzondering op de strafbaarheid van hulp bij zelfdoding te willen ontwikkelen, gebaseerd op het recht op autonomie.6 Tweede Kamerlid P. Dijkstra (D66) heeft eind 2016 een concept voor een initiatiefwetsvoorstel – Wetsvoorstel toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek – gepresenteerd. Door de ChristenUnie, Omroep Max en ouderenorganisatie KBO-POCB is juist het initiatief genomen tot het schrijven van een manifest met als strekking leed dat achter de term ‘voltooid leven’ kan schuilgaan te verzachten, “zodat de wil om te leven weer de overhand neemt”. Het manifest is getiteld Waardig ouder worden.7

6. In het regeerakkoord van 10 oktober 2017 wordt dit manifest betrokken en wordt verwezen naar de uitkomsten van het onderzoek van de Commissie-Schnabel.8 Het regeerakkoord vermeldt dat het kabinet de aanbevelingen van het manifest “Waardig ouder worden” ter hand zal nemen. Hetzelfde geldt voor de aanbevelingen van de Commissie-Schnabel, die de minister van Volksgezondheid zal betrekken bij de derde evaluatie van de euthanasiewetgeving. Voorts zal een onderzoek worden gestart naar de omvang en omstandigheden van de groep mensen “voor wie de door de commissie-Schnabel genoemde ruime interpretatie en toepassing van de bestaande euthanasiewetgeving onvoldoende soelaas biedt in de ogen van betrokkenen.” De regering legt vervolgens de nadruk op het faciliteren van de discussie over waardig ouder worden, de reikwijdte en de toepassing van de huidige euthanasiewetgeving en het onderwerp ‘voltooid leven’. Met de uitkomsten van het onderzoek zal het kabinet bezien wat het te doen staat en kan de Tweede Kamer zelfstandig besluiten over initiatiefwetgeving.

De juridische context

Bespreking van de cassatiemiddelen

Vaststelling van feiten na verwijzing

Overmacht in de zin van noodtoestand

‘Verontschuldigbare noodtoestand’

Psychische overmacht

De strafoplegging