Home

Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2018, ECLI:NL:PHR:2018:881, 16/03498

Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2018, ECLI:NL:PHR:2018:881, 16/03498

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20 februari 2018
Datum publicatie
30 oktober 2018
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:881
Formele relaties
Zaaknummer
16/03498

Inhoudsindicatie

Telen en bewerken van hennep in woning (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. braak van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.5 Sr). 1. Ontvankelijkheid OM in h.b. ex art. 416.3 Sv. Bevat schriftuur OvJ ’grieven’ in de zin van art. 410.1 Sv? 2. Slagende bewijsklachten.

Ad 1. Opvatting dat onder ‘grieven’ a.b.i. art. 410.1 Sv uitsluitend kunnen worden begrepen bezwaren die zich direct richten tegen in e.a. gewezen vonnis, is onjuist. Gelet op wetgeschiedenis kunnen onder 'grieven' a.b.i. art. 410.1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in e.a. als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Gelet hierop getuigt ‘s Hofs oordeel dat door OvJ in schriftuur aangevoerde omstandigheid, te weten dat sprake is van verwevenheid van strafzaken tegen verdachte en tegen medeverdachte vanwege samenhang in waardering van verklaringen, duidelijk maakt wat de inzet van h.b. is en derhalve een 'grief' in de zin van art. 410.1 Sv oplevert, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

Ad 2. Aangezien bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bewerkt, en voorts elektriciteit heeft "weggenomen", niet z.m. kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/03499P.

Conclusie

Nr. 16/03498

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 20 februari 2018

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 1 juli 2016 voor: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur.

2. Mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een cassatieschriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste en het tweede middel keren zich tegen de beslissing van het Hof dat het OM in zijn hoger beroep ontvankelijk is en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De kern van het bezwaar van de steller van de schriftuur is dat het hof ten onrechte in de inhoud van de appelschriftuur van het OM een of meer grieven heeft gelezen. Wat in de appelschriftuur is neergelegd is van voorwaardelijke aard, zodat bij gebreke van werkelijke actuele grieven niet is voldaan aan de eisen die aan het hoger beroep van het OM worden gesteld in het eerste lid van artikel 410 Sv.

3.2. De appelschriftuur van de officier van justitie, die betrekking heeft op parketnummer 13/736009-13 (strafzaak en ontnemingsvordering), begint met het weergeven van de beslissing van de rechtbank en wijst op de samenhang tussen de zaak van verdachte en de strafzaak tegen [betrokkene 1]2, die het wenselijk maakt de zaken in hoger beroep gelijktijdig aan het hof voor te leggen. Vervolgens wordt de tenlastelegging weergegeven. Daarna is in de appelschriftuur het volgende te lezen:

Aanleiding

De politie is op 17 november 2013 naar de woning aan de [a-straat 1] gegaan na meldingen van omwonenden over een wietlucht.

In de woning werd inderdaad een kwekerij aangetroffen.

[verdachte] was degene die in de woning, toebehorende aan zijn stiefvader [betrokkene 1], verbleef.

[verdachte] stelt dat de kwekerij van zijn stiefvader is en dat hij hem af en toe hielp met het verzorgen van de plantjes. Hij hoefde geen huur te betalen voor de woning.

[betrokkene 1] verklaart zowel bij de politie als ter zitting dat hij niets weet van de kwekerij en dat het allemaal het werk is van zijn stiefzoon. Hij verklaart verder dat hij af en toe in de woning kwam, onder andere om post op te halen, maar dat hij verder niets heeft geroken. Dat heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht gelet op het feit dat hij er geregeld kwam, dat zelfs omwonenden het roken en gelet op de verklaring van [verdachte].

Behandeling ter terechtzitting

De rechtbank heeft beide verdachten veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en daarbij aangenomen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] € 3000,- bedroeg (voordeel behaald door het niet te hoeven betalen van huur).

Het voordeel van [betrokkene 1] is geschat op € 64.975,-.

Daarnaast hebben beiden een werkstraf opgelegd gekregen.

De rechtbank heeft derhalve aan [betrokkene 1] een grotere rol toebedeeld in de kwekerij en de verdeling van de opbrengst dan aan [verdachte]. [betrokkene 1] heeft tegen dit vonnis appèl ingesteld.

Conclusie

Ik ben van mening dat deze zaken zo nauw met elkaar verweven zijn, met name gelet op het feit dat zij elkaar aanwijzen als de eigenaar van de kwekerij, dat zij gelijktijdig aan het Hof dienen te worden voorgelegd.

Met CONCLUSIE, dat het Gerechtshof het vonnis vernietigt en opnieuw recht doet.

Deze schriftuur bevat alle grieven en de motivering daarvan."

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie