Parket bij de Hoge Raad, 05-11-2019, ECLI:NL:PHR:2019:1125, 18/03756
Parket bij de Hoge Raad, 05-11-2019, ECLI:NL:PHR:2019:1125, 18/03756
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 november 2019
- Datum publicatie
- 5 november 2019
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:1125
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:404
- Zaaknummer
- 18/03756
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Beslag en beklag. Op de desbetreffende auto is zowel strafvordelijk beslag gelegd ex art. 94 Sv, als douanebeslag ex art. 1:37 lid 1 Algemene Douanewet (Adw). De klager verzocht de rechtbank de behandeling aan te houden van het klaagschrift dat zich tegen het douanebeslag richtte omdat een proces-verbaal van de douane van het aan de auto verrichte onderzoek ontbrak. De rechtbank wees dat verzoek af en verklaarde het klaagschrift ongegrond, waardoor de auto op grond van art. 1:37 lid 4 Adw aan de Staat verviel. De klacht dat daardoor in deze zaak art. 6 EVRM is geschonden, is volgens de A-G gegrond. Hij stelt zich dan ook op het standpunt dat de bestreden beschikking in zoverre moet worden vernietigd. De A-G ziet daarbij aanleiding om ambtshalve enige opmerkingen te maken over de vraag hoe strafvorderlijk beslag en douanebeslag zich tot elkaar verhouden.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03756 B
Zitting 5 november 2019
CONCLUSIE
G. Knigge
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de klager
1 Het geding in cassatie
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 13 augustus 2018 de door de klager op de voet van respectievelijk art. 552a Sv en art. 1:37 lid 5 Algemene Douanewet (Adw) ingediende klaagschriften ongegrond verklaard.
Tegen hiervoor vermelde beschikking is cassatieberoep ingesteld namens de klager en mr. R. Schreudering, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel heeft betrekking op het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift. Aan de bespreking van dat middel kom ik, om redenen vermeld onder punt 3, niet toe. Het tweede middel heeft betrekking op het klaagschrift dat is ingediend op de voet van art. 1:37 lid 5 Adw. Het cassatieberoep geeft mij aanleiding om ambtshalve enkele opmerkingen te maken over kort gezegd de vraag hoe de strafvorderlijke inbeslagneming (en strafvervolging) zich verhoudt tot de inbeslagneming op grond van de Douanewet.
2 Procesgang en oordeel rechtbank
Uit de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden blijkt omtrent de procesgang het volgende.
(i) Op 30 april is op grond van art. 94 Sv onder de klager een personenauto, type Mercedes-Benz MI 350, inbeslaggenomen. De inbeslagname vond plaats in het kader van een onderzoek naar handel en/of vervoer van verdovende middelen waarbij twee personenauto’s, waaronder die van klager, waren betrokken;
(ii) Op 6 juni 2018 heeft de klager een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het strafvorderlijk beslag op de personenauto en tot teruggave aan hem;
(iii) Op 19 juni 2018 is namens de inspecteur van de Douane aan de klager bericht dat de personenauto (ook) op grond van art. 1:37 Adw in beslag is genomen. De reden voor inbeslagname was dat door de Douane is geconstateerd dat deze auto kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken;
(iv) Op 4 juli 20181 heeft de klager een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het Douanebeslag op de personenauto en tot teruggave aan hem;
(v) De rechtbank heeft beide klaagschriften gelijktijdig op 30 juli 2018 behandeld;
(vi) Op 13 augustus heeft de rechtbank zowel het klaagschrift op de voet van art. 552a Sv als het klaagschrift op de voet van art. 1:37 lid 5 Adw ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard omdat naar haar oordeel zowel het belang van de waarheidsvinding als de niet hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van verbeurdverklaring maakte dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet.
Met betrekking tot het op de voet van art. 1:37 lid 5 Adw ingediende klaagschrift houdt de bestreden beschikking onder meer in:
‘’ ‘’Ter zake het klaagschrift ex artikel 1:37 Adw
‘’ Gelet erop dat het dossier van de douane nog niet in zijn volledigheid is verstrekt en de inspecteur, hoewel opgeroepen, wegens vakantie niet in staat is gebleken op zitting toelichting te verstrekken, heeft de raadsman verzocht het desbetreffende klaagschrift aan te houden tot bepaalde tijd. De raadsman heeft aangegeven ook belang te hebben bij de behandeling van dit klaagschrift indien het strafvorderlijk beslag mocht blijven liggen. Dit belang is erin gelegen dat dan in ieder geval één van de twee beslagtitels is vervallen. Indien het douanebeslag onverhoopt mocht voortduren komt de auto toe aan de Staat en heeft klager recht op een financiële tegemoetkoming.
‘’ De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen aanhouding van het klaagschrift gericht tegen het douanebeslag.
‘’ De rechtbank zal het klaagschrift ongegrond verklaren. Op grond van artikel 1:37 lid 1 Algemene Douanewet kan de inspecteur beslag leggen op vervoermiddelen die kennelijk zijn ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Uit de brief van de inspecteur aan klager van 19 juni 2018, die is aangehecht aan het klaagschrift, blijkt genoegzaam dat en waarom sprake is van een verborgen bergplaats in de auto. Voor die constatering is niet nodig dat aanvullende stukken aan het dossier worden toegevoegd of de inspecteur wordt gehoord. Zodoende is het beslag rechtmatig gelegd en dient het beslag dus voort te duren.
‘’ Ingevolge artikel 1:37 lid 4 Algemene Douanewet vervallen in beslag genomen goederen zonder rechtsvervolging aan de Staat. Op dit moment valt de auto echter niet aan de Staat toe omdat wel degelijk sprake is van een rechtsvervolging - er is immers strafvorderlijk beslag gelegd op de auto en klager zal strafrechtelijk worden vervolgd. Klager heeft in dit stadium dus in geen geval recht op financiële compensatie. Aldus heeft klager geen belang bij het aanhouden van het klaagschrift tegen het douanebeslag en zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
‘’ Dit laat onverlet dat het klager vrij staat reeds nu met de inspecteur in onderhandeling te treden of het douanebeslag kan vervallen onder door de inspecteur te stellen voorwaarden.’’
De brief van de inspecteur waarnaar de rechtbank verwijst, houdt onder meer het volgende in:
‘’ ‘’Hierbij deel ik u mede dat op 30 april 2018 door de Politie Eenheid Midden-Nederland te Rhenen in beslag is genomen: een personenauto Mercedes Benz ML 350, met kenteken [AA-00-AA] . Ook de douane heeft beslag gelegd op deze auto omdat deze een verborgen bergplaats bevatte.
‘’ In het voertuig is de rugleuning van de voor stoelen voorzien van een hard kunststof paneel. Dit paneel zit origineel vast met aan de onderzijde 3 schroeven, aan de binnenzijde van de bovenkant met 2 hard kunststof pinnen waaraan een haakje zit, dit haakje behoort achter een metalen uitsparing vast gemaakt te worden.
‘’ Bij beide voorstoelen zijn de hard kunststof pinnen aangepast. De haakjes zijn van de pinnen afgebroken en voorzien van een stukje tape. Het stukje tape zorgt ervoor dat de panelen van de voor stoelen op hun plek blijven zitten.
‘’ Door het verwijderen van de schroeven zijn de panelen vervolgens makkelijk te verwijderen. Achter één van de panelen is een zakje met verdovende middelen aangetroffen.
‘’ De aldus verkregen ruimte behoort niet standaard tot de uitrusting van voornoemde auto. Bovengenoemde personenauto is kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. De personenauto zal, ingevolge art. 1:37 lid 5 van de Algemene douanewet, zonder rechtsvervolging aan de Staat der Nederlanden vervallen, tenzij bij een rechterlijke beslissing de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.’’
3 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Uit namens door mij ingewonnen inlichting blijkt dat de strafzaak van de klager inmiddels heeft gediend en dat de politierechter daarin op 1 april 2019 uitspraak heeft gedaan. Daarbij is de klager veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 700 euro wegens het handelen in strijd met een in art. 2 onder B Opiumwet gegeven verbod. De aantekening mondeling vonnis van de politierechter vermeldt met betrekking tot het (strafvorderlijk) beslag het volgende:
‘’ ‘’Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed tot een hoogte van 1000,00 euro (zegge duizend euro), vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:
‘’ 1 STK Personenauto [0001] .
‘’ Bepaalt dat het inbeslaggenomen goed voor het overige wordt teruggegeven.’’
Hieruit volgt dat de politierechter heeft besloten tot verbeurdverklaring van de hier aan de orde zijn inbeslaggenomen auto2 en daarbij kennelijk heeft bepaald dat, voor zover de auto na vervreemding door de Staat meer dan 1000,- euro zou opbrengen, dit resterende bedrag als vergoeding als bedoeld in art. 33c lid 1 Sr aan de verdachte dient te worden teruggegeven. Op 15 april 2019 is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Gelet op deze stand van zaken, waarbij de politierechter inmiddels heeft beslist op het strafvorderlijk beslag, moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden geoordeeld dat de klager geen belang meer heeft bij zijn beroep voor zover dat zich keert tegen de ongegrondverklaring van het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift. In de bestreden beschikking is met betrekking tot dat klaagschrift immers naar haar aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de politierechter dienaangaande. Door de beslissing van de politierechter omtrent het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het klaagschrift dus geen (andersluidende) beslissing meer volgen.3 Dat betekent dat de klager in zoverre niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
Anders ligt het met betrekking tot het gelegde douanebeslag. Het gaat daarbij om een vorm van bijzondere – niet strafvorderlijke – inbeslagneming, die plaatsvindt zonder strafvorderlijk doel. Dat betekent dat de regels met betrekking tot strafvorderlijke inbeslagneming zoals neergelegd in het Wetboek van Strafvordering (zoals de art. 116 – 119a en 134 Sv) niet van toepassing zijn, tenzij anders bepaald in de van toepassing zijnde bijzondere regelgeving.4 Voorwerpen die op grond van art. 1:37 lid 1 Adw in beslag worden genomen, vervallen ingevolge art. 1:37 lid 4 Adw zonder rechtsvervolging aan de Staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing tegen een op de voet van art. 1:37 lid 5 Adw ingediend klaagschrift de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd. Volgens deze wettelijke regeling duurt het douanebeslag dus voort zolang door de rechter geen onherroepelijke beslissing is genomen op het klaagschrift als bedoeld in art. 1:37 lid 5 Adw, terwijl het desbetreffende voorwerp aan de Staat vervalt zodra onherroepelijk afwijzend op het klaagschrift is beslist. Een uitzondering voor het geval dat het voorwerp door de strafrechter verbeurd wordt verklaard, wordt daarbij niet gemaakt. Dat betekent dat de klager ondanks de door de politierechter uitgesproken verbeurdverklaring – die nog niet onherroepelijk is en dus vernietigd kan worden – belang houdt bij zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift met betrekking tot het douanebeslag. 5 Of dat anders is als de verbeurdverklaring onherroepelijk zou zijn geweest, kan op deze plaats onbesproken blijven. Zie evenwel hierna, onder 5.2.2.
De conclusie is dat de klager niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep, maar alleen voor zover dat beroep zich richt tegen de beslissing die is gegeven op het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift.