Parket bij de Hoge Raad, 06-12-2019, ECLI:NL:PHR:2019:1274, 19/00250
Parket bij de Hoge Raad, 06-12-2019, ECLI:NL:PHR:2019:1274, 19/00250
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 december 2019
- Datum publicatie
- 3 januari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:1274
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:587, Gevolgd
- Zaaknummer
- 19/00250
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Is sprake van een ontoelaatbare wijziging van partijhoedanigheid indien stichting eerst optreedt als vertegenwoordiger van slachtoffers en na eiswijziging in hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a (oud) BW? Bijzondere omstandigheden van het geval.
Conclusie
Zaaknr: 19/00250
mr. R.H. de Bock
Zitting: 6 december 2019
Conclusie inzake:
Stichting Union des Victimes de Déchets Toxiques D'Abidjan et Banlieues
(hierna: de Stichting)
advocaat: mr. T. van Malssen
tegen
Trafigura Beheer B.V.
(hierna: Trafigura)
advocaten: mr. A. Knigge en mr. L.V. van Gardingen
Deze zaak gaat over de nasleep van de illegale storting van afvalstoffen (‘slops’) afkomstig van het door Trafigura gecharterd zeeschip Probo Koala in 2006. Trafigura wordt door de Stichting aansprakelijk gesteld voor de schade die Ivoriaanse slachtoffers als gevolg van de lozing hebben geleden. De rechtbank heeft de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen vanwege het niet-voldoen aan het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 BW. Ook in hoger beroep volgt een niet-ontvankelijkverklaring, omdat volgens het hof sprake is geweest van een ongeoorloofde wisseling van partijhoedanigheid van de Stichting. Tegen dat oordeel wordt in cassatie met verschillende rechts- en motiveringsklachten opgekomen.
1 Feiten
In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 oktober 2018, rov. 2.1 tot en met 2.9.1
Trafigura is de in Amsterdam gevestigde holdingvennootschap naar Nederlands recht van een internationaal concern dat gespecialiseerd is in wereldwijde grondstoffenhandel en -logistiek.
In 2006 heeft Trafigura het zeeschip Probo Koala gecharterd. Dit schip is gebouwd voor het transport van vaste en vloeibare stoffen en ingericht voor het vervoer van olieproducten.
Na aankomst in de haven van Amsterdam op 2 juli 2006 heeft de Probo Koala een begin gemaakt met het ontladen van de aan boord gecreëerde afvalstoffen (slops). Op 5 juli 2006 zijn de slops teruggepompt in de tanks aan boord van de Probo Koala, waarna het schip de haven van Amsterdam heeft verlaten.
Op 19 augustus 2006 is de Probo Koala aangemeerd in de haven van Abidjan (Ivoorkust). Daar zijn de slops, al dan niet door (tussenkomst van) een lokaal bedrijf (Compagnie Tommy), illegaal gestort op verschillende locaties in en om Abidjan (hierna: de storting).
De Stichting is een rechtspersoon naar Nederlands recht. Volgens haar statuten, zoals laatstelijk gewijzigd op 1 mei 2017, is de Stichting opgericht om de belangen te behartigen van hen die in hun belangen zijn aangetast of dreigen te worden aangetast als gevolg van de storting, alsmede het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. De Stichting stelt dat 110.937 personen zich bij haar hebben “aangesloten”.
In november 2006 hebben ruim 30.000 personen die stelden dat zij als gevolg van de storting gezondheidsschade hebben geleden, vertegenwoordigd door het Engelse advocatenkantoor Leigh Day & Co, een civiele procedure in het Verenigd Koninkrijk aangespannen tegen onder meer Trafigura. Deze procedure heeft in 2009 geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst die bekend is geworden als de Leigh Day-schikking.
In 2007 heeft Trafigura met de staat Ivoorkust een vaststellingsovereenkomst gesloten omtrent de gevolgen van de storting, het Protocole d’Accord genoemd (hierna: het Protocole). In 2008 zijn partijen een Allonge bij het Protocole overeengekomen.
In 2008 zijn namens een grote groep claimanten procedures in Ivoorkust aanhangig gemaakt tegen onder meer Trafigura, met als inzet het verkrijgen van een vergoeding voor schade ten gevolge van de storting. Bij arrest van 24 december 2010 heeft het Cour d’Appel d’Abidjan deze vorderingen afgewezen. Op 23 juli 2014 heeft het Ivoriaanse Cour Suprême in hoogste instantie in verenigde vergadering het cassatieberoep verworpen. In het arrest is onder meer overwogen, samengevat weergegeven, dat het Cour d’Appel niet het recht heeft geschonden met zijn oordeel dat op grond van het Protocole de staat Ivoorkust gehouden was om onder meer Trafigura te dekken tegen alle vorderingen en procedures tot schadeloosstelling, ook ten opzichte van derden die geen partij waren bij het Protocole.
2 Procesverloop
Bij inleidende dagvaarding van 16 februari 2015 heeft de Stichting Trafigura gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Gevorderd is dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“- De Stichting UVDTAB en de slachtoffers die zij vertegenwoordigt en hun eisen ontvankelijk en goed gegrond TE VERKLAREN;
- TE VERKLAREN dat de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de lichamelijke, immateriële en economische schade die zij veroorzaakt heeft voor de eisers en die een gevolg zijn van de onwettige export vanuit Nederland en van het storten in Abidjan van de giftige afvalstoffen vervoerd aan boord van de PROBO KOALA;
- de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV TE VEROORDELEN tot het betalen van de totale som van 277.342.500,00 euro aan de eisers als volledige en definitieve schadeloosstelling, te weten een som van 2.500 euro per slachtoffer;
- de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV TE VEROORDELEN de saneringswerken van de sites in Abidjan te voltooien;
- de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV TE VEROORDELEN tot het betalen van een som van 150.000 euro ter vergoeding van de kosten voortvloeiend uit de huidige procedure, met afscheiding ten bate van mr. Franqois HASCOET;
- de voorlopige tenuitvoerlegging van het besluit om tussen te komen TE GELASTEN niettegenstaande appel en zonder garantie;
- de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV TE VEROORDELEN tot het betalen van de gerechtskosten.”
Bij akte van 25 februari 2015 heeft de Stichting producties in het geding gebracht.
Bij brief van 24 maart 2015 heeft de advocaat van Trafigura de rechtbank verzocht een regiezitting te gelasten. Volgens hem zouden alle betrokkenen erbij gebaat zijn als de behandeling van de zaak in twee delen wordt opgesplitst. In het eerste deel zouden de preliminaire en ontvankelijkheidsverweren aan de orde kunnen komen. Voor zover inhoudelijke behandeling daarna nog aan de orde is, zou deze kunnen plaatsvinden in een tweede deel van de procedure, aldus de advocaat. In de brief is voorts uiteengezet welke geschilpunten in het preliminaire deel van de procedure aan de orde zouden moeten komen. De brief vervolgt dan als volgt (met UVTDAB is de Stichting bedoeld):2
“(...)
1. Ontvankelijkheid UVDTAB
De dagvaarding geeft aanleiding te concluderen dat UVDTAB niet ontvankelijk is in haar vordering.
UVDTAB stelt schadevergoeding te vorderen namens een grote achterban (110.937personen) zonder dat deze personen zelf partij zijn in de procedure.
UVDTAB beweert volmacht te hebben van deze personen om hen te vertegenwoordigen in het kader van deze procedure. De vordering zoals die door UVDTAB is ingesteld is onverenigbaar met art. 3:305a BW, terwijl ook overigens niet blijkt dat UVDTAB ontvankelijk is in haar vordering.
UVDTAB heeft als productie 1 bij de dagvaarding een lijst overgelegd met daarop vermeld de namen van personen die haar beweerdelijk een volmacht hebben gegeven. Uit de genoemde lijst blijkt niet dat de daarin genoemde personen UVDTAB volmacht hebben gegeven om op eigen naam ten behoeve van hen in deze procedure schadevergoeding te vorderen.
(...)
Dat allesbehalve duidelijk is in hoeverre UVDTAB enig mandaat heeft (en niet blindelings op haar stellingen kan worden vertrouwd), blijkt ook uit de omstandigheid dat UVDTAB in de vorig jaar gevoerde deelgeschilprocedure nog een andere insteek koos ten aanzien van haar (vermeende) achterban.
(...)
Trafigura ziet het voorafgaande ook als een indicatie voor een gebrekkige governance van UVDTAB, waardoor de belangen van de (vermeend) vertegenwoordigde personen onvoldoende gewaarborgd zijn. Illustratief is dat UVDTAB in vrijwel geen enkel opzicht voldoet aan de Claimcode. Voor zover Trafigura kan nagaan, schendt UVDTAB zelfs (vrijwel) alle principes.
(...)
3 3. Overige voorvragen
Daarnaast spelen nog enkele andere aspecten die behandeling behoeven voordat het dienstig is de complexe feitelijke behandeling ter hand te nemen. Trafigura wijst in dit verband (niet uitputtend) op het volgende:
(...)
b. UVDTAB heeft een vordering ingesteld namens gelijksoortige belangen van andere personen ex. artikel 3:305a BW. Op grond van lid 3 van voornoemd artikel kan UVDTAB geen schadevergoeding te voldoen in geld vorderen van Trafigura. (...)”
Bij brief van 25 juni 2015 heeft de advocaat van Trafigura de rechtbank bericht dat hij geen overeenstemming heeft kunnen bereiken met de advocaat van de Stichting over het opsplitsen van de procedure en de timing van verder processtappen. Verder is in de brief een toelichting gegeven op de incidenten en voorvragen die in het eerste deel van de procedure volgens de advocaat aan de orde zouden moeten komen.
Bij akte wijziging van eis heeft de Stichting haar eis gewijzigd en daarbij onderscheid gemaakt tussen primaire en subsidiaire vorderingen. De gewijzigde eis luidt als volgt:
“Dat het uw rechtbank moge behage, zo veel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht te verklaren dat Trafigura onrechtmatig handelt en heeft gehandeld jegens slachtoffers van de giframp met de Probo Koala;
b. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht te verklaren dat Trafigura aansprakelijk is voor de schade bestaande uit materiële en immateriële schade, met inbegrip van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW, ten gevolge van het hiervoor in sub a bedoelde onrechtmatig handelen;
c. op de voet van artikel 3:305a BW voor recht te verklaren dat Trafigura is gehouden binnen drie maanden na betekening van het te deze te wijzen vonnis is gehouden een start te hebben gemaakt met de sanering van de getroffen sites, op straffe van een dwangsom van € 500.000,00 voor elke dag dat Trafigura in verzuim is aan deze verplichting te voldoen;
d. met veroordeling van Trafigura in de kosten van deze procedure;
Subsidiair:
a. op grond van daartoe aan de Stichting verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, voor recht te verklaren dat Trafigura jegens de huidige en toekomstige deelnemers van de Stichting, althans jegens de deelnemers van de Stichting, althans jegens een door de rechtbank in goede justitie te bepalen aantal deelnemers, aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden, alsmede Trafigura te veroordelen deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
b. op grond van daartoe aan de Stichting verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, voor recht te verklaren dat Trafigura is gehouden binnen drie maanden na betekening van het te deze te wijzen vonnis is gehouden een start te hebben gemaakt met de sanering van de getroffen sites, op straffe van een dwangsom van € 500.000,00 voor elke dag dat Trafigura in verzuim is aan deze verplichting te voldoen;
c. met veroordeling van Trafigura in de kosten van deze procedure.”
De Stichting heeft haar gewijzigde vorderingen primair gebaseerd op de in art. 8:624 BW opgenomen aansprakelijkheidsregeling voor door een gevaarlijke stof veroorzaakte schade die is ontstaan tijdens het laden en lossen. Subsidiair heeft de Stichting haar vorderingen gegrond op art. 6:162 BW.3
De door Trafigura verzochte regiezitting is op 4 november 2015 gehouden. De rechtbank heeft Trafigura de gelegenheid geboden een processtuk te nemen inzake een aantal kwesties, te weten de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de Stichting in brede zin, het toepasselijke recht op alle geschilpunten, de vrijwaring en andere wettelijke geregelde incidenten, en de Stichting de gelegenheid gegeven hierop te antwoorden. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat na het nemen van de stukken een comparitie in het incident zal plaatsvinden.4
Trafigura heeft vervolgens een incidentele conclusie houdende preliminaire verweren genomen en geconcludeerd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
(i) bepaalt dat de Stichting op de voet van art. 224 Rv zekerheid stelt voor de proceskosten van Trafigura; en
(ii) zich onbevoegd verklaart om van de door de Stichting ingestelde vorderingen kennis te nemen; en/althans
(iii) verklaart dat de Stichting niet ontvankelijk is van haar vorderingen; en
(iv) de Stichting veroordeelt in de proceskosten.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, heeft Trafigura onder meer5 aangevoerd dat sprake is van een ongeoorloofde wisseling van partijhoedanigheid aan de zijde van de Stichting. Volgens Trafigura volgt uit de inleidende dagvaarding dat de Stichting haar aanvankelijke vorderingen heeft ingesteld als gevolmachtigde van de ‘eisende slachtoffers’. Nergens in de inleidende dagvaarding wordt gesteld dat de Stichting pro se optreedt als claimstichting op de voet van art. 3:305a BW, of dat zij een vordering instelt die strekt ter bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, die zij ingevolge haar statuten behartigt. Na eiswijziging stelt de Stichting echter primair als claimstichting in de zin van art. 3:305a BW op te treden. Daarmee is sprake van een wisseling van partijhoedanigheid. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een procespartij echter hangende het geding niet een andere hoedanigheid aannemen. De Stichting dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen, aldus steeds Trafigura.6 Voor het geval de rechtbank voorbij zou gaan aan dit betoog heeft Trafigura zich op het standpunt gesteld dat de Stichting in haar hoedanigheid van 305a-stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de belangen van de partijen voor wie de Stichting stelt op te treden onvoldoende zijn gewaarborgd en derhalve niet is voldaan aan het in art. 3:305a lid 2, laatste volzin, BW opgenomen waarborgvereiste.7
De Stichting heeft verweer gevoerd in het incident.
Op 6 september 2016 is in het incident een comparitie van partijen gehouden. Ter comparitie heeft de rechtbank beslist, na partijen daarover te hebben gehoord, dat geen sprake is van een verboden hoedanigheidswisseling aan de zijde van de Stichting. In het proces-verbaal van de comparitie is hierover het volgende opgenomen:8
“De rechtbank beslist voorts, nadat zij partijen daarover heeft gehoord, dat geen sprake is van een verboden hoedanigheidswissel aan de zijde van de Stichting. De hoedanigheid van de eisende partij moet worden onderzocht aan de hand van het inleidende exploot, de dagvaarding. Dit processtuk liet de mogelijkheid open dat werd geprocedeerd op grond van artikel 3:305a BW. Uit de brief van mr. Knigge van 24 maart 2015 blijkt dat Trafigura met die mogelijkheid rekening hield zodat Trafigura niet in haar belangen is geschaad door de eiswijziging.”
Bij vonnis in incidenten van 30 november 2016 heeft de rechtbank de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen in de hoofdzaak en de Stichting veroordeeld in de kosten van het geding.9
Na te hebben vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen (rov. 5.2), overweegt de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van de primaire vorderingen als volgt. Het betoog van Trafigura dat sprake is van een verboden hoedanigheidswisseling aan de zijde van de Stichting wordt verworpen, onder verwijzing naar het oordeel dat hierover ter comparitie is gegeven. De rechtbank herhaalt dat de dagvaarding de mogelijkheid openliet dat werd geprocedeerd op grond van art. 3:305a BW en dat uit de brief van de advocaat van Trafigura van 24 maart 2015 “(derhalve van vóór de eiswijziging)” blijkt dat ook hij toen reeds met die mogelijkheid rekening hield, zodat Trafigura niet in haar belangen is geschaad (rov. 5.4).
De rechtbank vervolgt met een bespreking van het betoog van Trafigura dat niet is voldaan aan het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2, laatste volzin, BW. Vooropgesteld wordt dat uit de wetgeschiedenis volgt dat bij de beantwoording van de vraag of de belangen van de betrokkenen voldoende zijn gewaarborgd, mede acht dient te worden geslagen op de ‘track record’ van de organisatie, haar representativiteit en of de organisatie voldoet aan de principes uit de Claimcode (rov. 5.6).10 Deze elementen worden door de rechtbank vervolgens afzonderlijk onderzocht. Geoordeeld wordt dat van een relevante track record is bij Stichting, door de rechtbank gekwalificeerd als een ‘ad hoc organisatie’, geen sprake is (rov. 5.8-5.9). Aan de representativiteitseis is volgens de rechtbank evenmin voldaan (rov. 5.16-5.16). De vraag of de Stichting voldoet aan de principes van de Claimcode wordt door de rechtbank eveneens ontkennend beantwoord (rov. 5.19-5.21). De rechtbank komt de slotsom dat de Stichting niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar primaire vorderingen (rov. 5.22).
In haar subsidiaire vorderingen kan de Stichting naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden ontvangen. Aan dit oordeel wordt ten grondslag gelegd dat deze vorderingen in wezen neerkomen op een verkapte collectieve actie, gelet op het feit dat de primaire en de subsidiaire vorderingen in de kern overeenkomen en de onderbouwing van beide vorderingen feitelijk en juridisch hetzelfde is (rov. 5.24-5.25). Dat de Stichting in het kader van de subsidiaire vorderingen formeel niet als claimstichting optreedt, staat niet aan dit niet-ontvankelijkheidsoordeel in de weg. Indien daarover anders zou worden geoordeeld, zou worden toegestaan dat de Stichting zich – in strijd met de eisen van een goede procesorde – door middel van haar subsidiaire vorderingen zou kunnen onttrekken aan de voorwaarden die art. 3:305a BW stelt aan rechtspersonen die opkomen voor de bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, aldus de rechtbank (rov. 5.25).
De Stichting is bij appeldagvaarding van 21 februari 2017 van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.
Trafigura heeft een incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid dan wel het stellen van zekerheid voor de kosten genomen. Na eisvermindering heeft zij gevorderd, kort weergegeven, dat het hof, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:11
(i) primair de Stichting niet-ontvankelijk zal verklaren in de hoofdzaak, omdat de Stichting over onvoldoende financiële middelen beschikt voor het voeren van de procedure en derhalve niet is voldaan aan het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2, laatste volzin, BW;
(ii) subsidiair de Stichting op de voet van art. 224 jo. 353 lid 2 Rv zal veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten van Trafigura, begroot op € 29.450,-
(iii) een en ander onder veroordeling van de Stichting in de kosten van het incident.
De Stichting heeft geantwoord in het incident.
Op 3 juli 2017 heeft een pleidooi in het incident plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunten doen toelichten, Trafigura mede aan de hand van overgelegde pleitnotities.12 Tijdens de behandeling van het pleidooi heeft de Stichting aangegeven dat zij haar subsidiaire vordering (zie hiervoor onder 2.5) in hoger beroep niet langer handhaaft en definitief intrekt. De primaire vordering, die is gegrond op art. 3:305a BW, wordt ten volle gehandhaafd, aldus de Stichting.13
Bij arrest in het incident van 3 oktober 2017 heeft het hof de incidentele vorderingen van Trafigura afgewezen. In de hoofdzaak is de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven door de Stichting.14
Het hof heeft vervolgens met partijen afspraken gemaakt over de inrichting van de procedure, die inhouden dat het hof zich eerst zal buigen over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de ontvankelijkheid van de Stichting (eerste fase) en dat pas daarna in voorkomend geval het debat over de overige punten wordt gevoerd (tweede fase).15 Daarop heeft op 24 november 2017 een regiezitting plaatsgevonden. Uit het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat deze afspraken ter zitting zijn bevestigd en dat voorts enkele vragen van de advocaat van de Stichting zijn beantwoord die verband houden met de twee-conclusieregel en de splitsing van de procedure.
De Stichting heeft op 9 januari 2018 een memorie van grieven genomen, waarin zij het vonnis van de rechtbank met een vijftal grieven en een algemene grief bestrijdt. Daarbij heeft de Stichting onder meer erop gewezen dat zij inmiddels wel voldoet aan de principes van de Claimcode, dat zij middels een notariële verklaring afstand heeft gedaan van de 30%-regeling en dat de oprichter van de Vereniging UVDTAB, [betrokkene 1] , feitelijk geen actieve rol meer vervult binnen de Vereniging.16 Na vermindering van haar eis in hoger beroep, heeft de Stichting gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog haar in eerste aanleg gewijzigde primaire vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
Trafigura heeft verweer gevoerd. Tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en voorts voorwaardelijk incidenteel appel tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een verboden hoedanigheidswisseling aan de zijde van de Stichting.
De Stichting heeft bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd in het (voorwaardelijk) incidenteel appel van Trafigura.
Partijen hebben de zaak doen bepleiten, waarna het hof op 16 oktober 2018 eindarrest heeft gewezen.17 Het hof heeft de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en haar veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Verder is bepaald dat iedere partij de eigen kosten van het incidenteel hoger beroep draagt.
Het oordeel van het hof dat de Stichting niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep berust op het oordeel dat ten aanzien van de primaire vorderingen van de Stichting in eerste aanleg sprake is geweest van een niet-geoorloofde wisseling van hoedanigheid van de Stichting (rov. 3.15-3.19). Volgens het hof mocht Trafigura er in redelijkheid vanuit gaan dat de Stichting de inleidende dagvaarding heeft uitgebracht in haar hoedanigheid van (directe of indirecte) vertegenwoordiger van de slachtoffers, van wie zij volmachten en/of lastgevingen had gekregen. Uit de inleidende dagvaarding wordt niet duidelijk dat de Stichting optreedt in de hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a BW. Dat artikel wordt niet genoemd en er zijn duidelijke aanwijzingen dat de Stichting niet als zodanig optreedt. Het hof wijst er daarbij op dat de Stichting verwijst naar volmachten, die voor een claimstichting irrelevant zijn, en schadevergoeding vordert. Dat laatste is wettelijk niet mogelijk voor een claimstichting in de zin van art. 3:305a BW (rov. 3.15). Uit de brief van de advocaat van Trafigura van 24 maart 2015 volgt weliswaar dat Trafigura er rekening mee hield dat de Stichting beoogde ook als claimstichting vorderingen in te stellen, maar niet dat Trafigura uit de dagvaarding had afgeleid dat de Stichting in deze procedure in de hoedanigheid van claimstichting optrad (rov. 3.16). De Stichting heeft die brief toen blijkens haar eigen gedrag ook niet zo opgevat dat het voor Trafigura duidelijk was dat zij optrad als claimstichting, want zij heeft (onder meer) daarin aanleiding gezien haar eis te wijzigen (rov. 3.17). Het al dan niet geschaad zijn van de belangen van Trafigura is geen factor die in aanmerking kan worden genomen bij de vraag of sprake is van een wijziging van partijhoedanigheid (rov. 3.18).
De Stichting heeft tegen het eindarrest van het hof van 16 oktober 2018 (tijdig18) beroep in cassatie ingesteld. Trafigura heeft een verweerschrift ingediend, waarin zij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Vervolgens heeft Trafigura haar standpunt schriftelijk toegelicht en daarbij de Hoge Raad verzocht om, indien tot vernietiging van het arrest zou worden overgegaan, de zaak op grond van art. 420 Rv zelf af te doen en de Stichting (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren.19 De Stichting heeft afgezien van een schriftelijke toelichting. Zij heeft wel gerepliceerd. Trafigura heeft niet gedupliceerd.