Parket bij de Hoge Raad, 23-04-2019, ECLI:NL:PHR:2019:402, 18/00233
Parket bij de Hoge Raad, 23-04-2019, ECLI:NL:PHR:2019:402, 18/00233
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 april 2019
- Datum publicatie
- 24 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:402
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:984
- Zaaknummer
- 18/00233
Inhoudsindicatie
Conclusie AG onder meer over de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte, een hawala bankier, wetenschap had van de criminele herkomst van een aantal geldbedragen. Witwassen, art. 420bis lid 1 Sr. Naar de mening van de AG is dit niet het geval en het advies aan de Hoge Raad is het cassatieberoep gegrond te verklaren.
Conclusie
Nr. 18/00233
Zitting: 23 april 2019
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 21 december 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring en het tweede middel stelt aan de orde dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
Het gaat in deze zaak om geldtransacties die worden aangeduid met hawala-bankieren of ondergronds bankieren, een in de Pakistaanse gemeenschap gehanteerd systeem dat wordt gebruikt voor het overdragen van contante bedragen tussen personen in Nederland en personen in het buitenland. Het systeem is gebaseerd op het verplaatsen van geldbedragen door het inleveren daarvan bij de buitenlandse ‘bankier’ om vervolgens via een ‘bankier’ in Nederland te worden uitgekeerd aan de begunstigde en vice versa. Tussen de ‘bankiers’ vindt geen fysiek transport van gelden plaats, maar worden de bedragen onderling verrekend.1 In casu heeft de verdachte als hawala-bankier op 8, 22 en 25 januari 2010 grote contante geldbedragen laten afleveren bij [A] B.V., een groot- en kleinhandel in [goederen] , gevestigd in [plaats] . Deze transacties zijn door het hof aangemerkt als witwassen.
2 De bewezenverklaring
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte:
“in de periode van 8 januari 2010 tot en met 25 januari 2010 te Amsterdam , tezamen en in vereniging met anderen, contante geldbedragen te weten
- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 08 januari 2010 (Zaaksdossier 05, pagina's 149-157), en/of
- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 22 januari 2010 (Zaaksdossier 05, pagina's 158-166), en/of
- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 180-185), en/of
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, telkens wist die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3 Het verweer ten overstaan van het hof
Tijdens de behandeling van de zaak door het hof heeft de raadsman zich volgens zijn pleitnotities gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft de vraag of de verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de tenlastegelegde transacties en of het daarbij betrokken geld van misdrijf afkomstig was.2 Het verweer is toegespitst op de stelling dat de verdachte niet wist van de criminele herkomst van de gelden en dat ook niet kon of moest weten. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:
“Dat gezegd hebbende refereer ik mij aan het oordeel van Uw Hof met betrekking tot de vraag:
1. Of inderdaad zonder redelijke twijfel is komen vast te staan dat cliënt degene was die betrokken is geweest bij de door de rechtbank bewezenverklaarde transacties;
Indien uw Hof van mening is dat dit het geval is dan refereer ik mij aan het oordeel van Uw hof met betrekking tot de volgende vraag:
2. Of in het geval uw Gerechtshof meent dat cliënt verantwoordelijk is geweest voor de transacties of in die gevallen ook sprake is geweest van geld dat van misdrijf afkomstig is;
Vervolgens is de vraag of cliënt daar iets van wist of in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op witwassen. Dit laatste ontkent cliënt met klem.
(..)
Opgemerkt moet worden dat er een verschil is in wat cliënt wist (en kon/moest weten) en in wat wij, lezers van het dossier, inmiddels (achteraf) weten.
Ik ben van mening dat uit het dossier niet blijkt dat cliënt destijds wist dat sprake was van crimineel geld of dat hij gezien bepaalde omstandigheden de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard. Juist niet!
(...)
Cliënt had graag hier willen zijn om nogmaals te benadrukken dat hij geen flauw idee had dat sprake was van crimineel geld. Hij is echter ongewenst vreemdeling en mag het land niet inkomen. Het Openbaar Ministerie heeft geen laissez passer verstrekt, terwijl daar al bij de eerste zitting om is gevraagd. Mocht uw Hof van mening zijn dan het noodzakelijk is dat cliënt een verklaring aflegt, dan verzoekt de verdediging u bij tussenarrest te bepalen dat het Openbaar Ministerie alsnog mogelijk moet maken dat cliënt naar Nederland kan afreizen om hier te lande een verklaring af te leggen. Dit om een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM op die manier mogelijk te maken.
Maar op zich is de rol van cliënt duidelijk. Cliënt doet in dit onderzoek namelijk wat hij altijd al deed, namelijk het regelen van geldstromen door middel van Hawala-bankieren. Cliënt is Pakistaan en in Pakistan is deze manier van omgaan met geld een gewoonte. Daar is niets geks of strafbaars aan.
(...)
Cliënt had geen (voorwaardelijk) opzet op witwassen. Cliënt had geen wetenschap t.a.v. een eventuele criminele herkomst van het geld. Sterker nog, hem is altijd verteld dat het geld betrof dat verband hield met de grootschalige en internationale [B] . Cliënt geloofde dat. En waarom ook niet? Alles leek te duiden op een grootschalige legale handel.
(..)
Dat daarbij gebruik werd gemaakt van een bekende, efficiënte, snelle, goedkope, kostenbesparende, op vertrouwen gebaseerde methode om geldtransacties te doen plaatsvinden mag niet tot de vluchtige conclusie leiden dat er dus sprake is van
- een aanmerkelijke kans op het aanwezig zijn van transacties met als herkomst enig misdrijf
- wetenschap bij cliënt van een eventuele aanmerkelijke kans
- een bewuste aanvaarding van die al dan niet aanwezige kans.
De omstandigheden die in het vonnis genoemd worden kunnen niet tot de conclusie leiden dat bij cliënt sprake was van opzet op witwassen, ook niet in voorwaardelijke zin. Immers zeggen de omstandigheden niet zozeer iets over de herkomst van het geld, maar kunnen net zo goed te maken hebben met de manier waarop ondergronds bankieren in zijn werk gaat. En ondergronds bankieren staat niet gelijk aan witwassen.
Conclusie:
Vrijspraak"