Home

Parket bij de Hoge Raad, 23-04-2019, ECLI:NL:PHR:2019:427, 17/05184

Parket bij de Hoge Raad, 23-04-2019, ECLI:NL:PHR:2019:427, 17/05184

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 april 2019
Datum publicatie
24 april 2019
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:427
Formele relaties
Zaaknummer
17/05184

Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vergoeding van immateriële schade aan bewoners van een woning waarin bij hun afwezigheid is ingebroken. Onder welke omstandigheden kan het slachtoffer van woninginbraak als benadeelde partij worden geacht te zijn “aangetast in zijn persoon op andere wijze” als bedoeld in art. 6:106 sub b BW? Gelet op de wetsgeschiedenis van het BW en de rechtspraak van de civiele kamer en de strafkamer van de Hoge Raad, adviseert de AG de bestreden uitspraak gedeeltelijk te vernietigen en de zaak in zoverre terug te wijzen naar het hof.

Conclusie

Nr. 17/05184

Zitting: 23 april 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 20 oktober 2017 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2017 bevestigd, waarbij de verdachte ter zake van het feit onder parketnummer 10-006755-15 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” en ter zake van het feit onder parketnummer 10-098298-15 wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn de vorderingen van de drie benadeelde partijen in de zaak met parketnummer 10-006755-15 toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 338,-, € 275,- en € 275,-, waarvan telkens € 275,- ter vergoeding van geleden immateriële schade. Tot dezelfde bedragen is aan de verdachte telkens tevens de schadevergoedingsmaatregel bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in de uitspraak vermeld.

  2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

Waar het in deze zaak om gaat

3. De verdachte is veroordeeld wegens het samen met een ander begaan van een woninginbraak in Brielle op 11 januari 2015. Daarbij zijn onder meer sieraden en een geldbedrag buitgemaakt. De bewoners van de woning, een echtpaar en hun meerderjarige zoon, waren op het moment van de inbraak niet thuis. De drie bewoners hebben zich in het strafproces gevoegd als benadeelde partij en ieder van hen vordert van de verdachte vergoeding van immateriële schade, dus smartengeld, ter hoogte van € 275,- per persoon. De rechtbank en het hof hebben deze vorderingen toegewezen.1 Daartegen wordt namens de verdachte in cassatie opgekomen. In deze conclusie staat centraal de rechtsvraag of en, zo ja, in hoeverre immateriële schade die is veroorzaakt door een woninginbraak in afwezigheid van de bewoner(s), in het strafgeding voor vergoeding in aanmerking komt.

Het middel

4. Het middel keert zich tegen de toewijzing van de vorderingen van de drie benadeelde partijen ten aanzien van immateriële schade en tegen de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van deze personen. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de drie benadeelde partijen ten gevolge van het in de zaak met parketnummer 10-006755-15 bewezenverklaarde feit voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade hebben geleden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

Relevante stukken van het geding

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof, het vonnis bevestigend, in de zaak met parketnummer 10-006755-15 bewezenverklaard dat:

“hij op 11 januari 2015 te Brielle tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [a-straat 1] , heeft weggenomen

- vijf horloges, en

- zeven gouden kettingen en

- een broche en

- drie ringen en

- een etui en

- een map en

- een geldbedrag,

toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming;”

6. Uit de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 7, blijkt dat de verdachte en zijn mededader met behulp van een schroevendraaier een raam hebben opengebroken. Eenmaal de woning binnengedrongen, hebben zij de gehele woning bekeken. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat ten tijde van de inbraak de benadeelde partijen in de woning aanwezig waren. De schadevergoedingsformulieren en bijlagen daarbij houden in dat de bewoners toen niet thuis waren.

7. Door het vonnis te bevestigen, heeft het hof de volgende overwegingen van de rechtbank over de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen tot de zijne gemaakt:

Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

(parketnummer 10-006755-15)

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 3] ter zake van het ten laste gelegde feit. Deze benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.235,- aan materiële schade en een vergoeding van € 275,- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich tevens in het geding gevoegd [benadeelde 2] ter zake van het laste gelegde feit. Deze benadeelde partij vordert een vergoeding van € 275,- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich daarnaast in het geding gevoegd [benadeelde 1] ter zake van het ten laste gelegde feit. Deze benadeelde partij vordert een vergoeding van € 275,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de door de benadeelde partij [benadeelde 3] gevorderde, betaalde eigen bijdrage voor de verzekering ad € 63,- en de gevorderde immateriële schade toe te wijzen en deze vordering voor het overige niet ontvankelijk te verklaren. Verder heeft zij gevorderd de door benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gevorderde immateriële schade toe te wijzen en voor alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde immateriële schade en gepleit tot afwijzing van het overige.

Nu is komen vast te staan dat de verdachte het bewezen verklaarde strafbare feit heeft begaan, staat daarmee tevens vast dat hij jegens de benadeelden onrechtmatig heeft gehandeld.

[benadeelde 3] heeft zijn materiële schade als gevolg van dat onrechtmatige handelen van de verdachte onderbouwd met onder andere een taxatielijst van diverse sieraden, opgesteld in 2014 door een juwelier, kennelijk ter vaststelling van de verzekeringswaarde. De omschrijving van de sieraden op deze lijst komt slechts ten dele overeen met de als gestolen opgegeven goederen, en ook het aantal verschilt. Ook beeldmateriaal ter vergelijking ontbreekt. Bovendien is niet duidelijk wat met verzekeringswaarde wordt bedoeld, vervangingswaarde, aanschafwaarde of het verzekerd bedrag. Gelet hierop is de vordering ter zake de geleden materiële schade voor zover het betreft de sieraden onvoldoende onderbouwd. Omdat nader onderzoek naar de omvang van de schade ter zake de gestolen sieraden een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zal [benadeelde 3] in dit deel van zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Hij kan zich ten aanzien hiervan wenden tot de burgerlijke rechter. De gevorderde schadevergoeding ter zake de eigen bijdrage van € 63,-- zal worden toegewezen, nu deze genoegzaam is onderbouwd en door de verdachte niet gemotiveerd is weersproken.

De immateriële schade van [benadeelde 3] , [benadeelde 2] en [benadeelde 1] als gevolg van inbraak in hun woning en het verlies van sieraden met een emotionele waarde, wordt voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 275,-, en zal voor dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoedingen zullen worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partijen betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van zijn betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de datum van het onrechtmatige handelen, te weten 11 januari 2015.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten voor wat betreft de procedure met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.”

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2017 houdt onder meer in dat de verdachte aldaar niet is verschenen, dat de aanwezige raadsvrouw niet uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging te voeren, en dat het hof tegen de niet-verschenen verdachte verstek heeft verleend.

Algemene opmerkingen over vergoeding van immateriële schade in het onderhavige verband

9. Zoals bekend dient de strafrechter de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij te beoordelen naar materieel burgerlijk recht.2 Dat betekent dat hij een beslissing op de vordering behoort te nemen met inachtneming van de wetgeving en de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad over het aansprakelijkheidsrecht. Ter verkrijging van de vergoeding waarop het aansprakelijkheidsrecht hem recht geeft, voegt de door een strafbaar feit benadeelde persoon zich tegenwoordig evenwel veelal als benadeelde partij in het strafproces. Hierdoor is onder andere de vraag onder welke omstandigheden een slachtoffer van een gepleegd strafbaar feit in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade inmiddels niet meer een kwestie waarover uitsluitend de civiele rechter zich bekreunt.3 Enkele jaren geleden hebben Candido & Lindenbergh erop gewezen dat naar hun mening de strafrechtspraak op het terrein van de toekenning van smartengeld (de vergoeding van immateriële schade dus) een eigen, van de civiele rechtspraak afwijkende, koers vaart. In het bijzonder zien zij dat de strafrechter “andere accenten” lijkt te leggen waar het gaat om de gevallen waarin vorderingen tot immateriële schadevergoeding kunnen worden toegewezen. Kenmerkend zijn volgens hen de gevallen waarin bij bepaalde delicten zoals bedreiging en woninginbraak een vordering tot vergoeding van immateriële schade – ondanks het ontbreken van fysiek of geestelijk letsel – wordt toegewezen. De toewijsbaarheid van een dergelijke vordering in een civiele procedure is in hun ogen kennelijk geen uitgemaakte zaak.4 Zelf constateer ik – zo kondig ik hier alvast aan – mét hen dat in de gepubliceerde feitenrechtspraak toewijzingen van immateriële schadevergoedingsvorderingen voorkomen, waarvan de toewijsbaarheid naar burgerlijk recht op het eerste gezicht niet evident is, of in elk geval niet (in zoveel woorden) uit de gegeven motivering blijkt. Van een eigenstandige, strafrechtelijke koers is naar mijn inzicht evenwel geen sprake. Zie ik het goed, dan kan enkel worden vastgesteld dat binnen de strafrechtelijke feitenrechtspraak geen duidelijkheid en overeenstemming bestaat over de vraag of en in hoeverre het aansprakelijkheidsrecht ruimte biedt om in een geval als het onderhavige een vordering tot immateriële schadevergoeding toe te wijzen (daarover hierna nrs. 26 en 27). Vooral dit ogenschijnlijke tekort aan rechtseenheid binnen de strafrechtelijke feitenrechtspraak geeft mij aanleiding bij de wettelijke regeling en de rechtspraak van zowel de civiele kamer als van de strafkamer van de Hoge Raad in deze conclusie stil te staan.

10. Voordat ik toekom aan bespreking van de wettelijke regeling, merk ik op dat zij recent is herzien. Bij de per 1 januari 2019 inwerking getreden “Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen”, zijn de voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen uit het BW gewijzigd.5 Deze wet illustreert de hiervoor reeds aangestipte vervlechting tussen het strafrecht en het aansprakelijkheidsrecht op dit onderwerp: de wens van de wetgever om naasten van het slachtoffer van een misdrijf aanspraak te geven op vergoeding van door hen geleden (affectie)schade, heeft voor een belangrijk deel beslag gekregen in afdeling 1.10 van het zesde boekvan het Burgerlijk Wetboek. Bij de jongste wetswijziging is voor zover hier van belang de wettelijke regeling van de vergoeding van immateriële schade inhoudelijk evenwel onaangeroerd gebleven.6 Wel is daarin vernummering opgetreden.7

11. Art. 6:95, eerste lid, BW is de grondbepaling van het civiele schadevergoedingsrecht. Zij houdt in dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. In de nadere – algemene8 – uitwerking van dit ander nadeel (immateriële schade) voorziet art. 6:106 BW, dat thans, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; [...]”

12. Art. 6:106 BW draagt de rechter op voor ander nadeel dan vermogensschade een schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen in enig van de limitatief opgesomde gevallen. Bij het bepalen van de omvang van deze vergoeding, geniet de rechter grote vrijheid.9 De vaststelling van de schadevergoeding “naar billijkheid” geeft ruimte rekening te houden met alle relevante omstandigheden van het geval.10 Wat betreft de gevallen waarin ander nadeel voor vergoeding in aanmerking komt, stond de wetgever een restrictiever stelsel voor ogen. Met de limitatieve opsomming van die gevallen in art. 6:106 BW is, in de woorden van de civiele kamer van de Hoge Raad, “beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken”.11

13. Het in art. 6:106, aanhef en onder a, BW omschreven geval doet zich niet licht voor. De tekst van de wet brengt mee dat het oogmerk betrekking dient te hebben op het toebrengen van de immateriële schade.12 De bepaling strekt ertoe om het geschokte rechtsgevoel te bevredigen in die bijzondere gevallen waarin de aangesprokene heeft beoogd de gelaedeerde de immateriële schade toe te brengen.13 Een tragisch voorbeeld uit de civiele cassatierechtspraak betreft een man die kort voor de ontbinding van zijn huwelijk de uit dat huwelijk geboren zevenjarige zoon doodt, met het oogmerk zijn echtgenote daarmee leed toe te brengen.14 In geval van een woninginbraak laat het oogmerk van de dader op het toebrengen van immateriële schade aan één of meer slachtoffers daarvan zich in de regel niet vaststellen. Uitzonderingen daargelaten, is het de dader niet zozeer te doen om de (immateriële) schade die het slachtoffer lijdt, maar om verbetering van zijn eigen vermogenspositie. Dat blijkt ook uit de motivering van de op te leggen straf in de onderhavige zaak: “De verdachte heeft uitsluitend uit eigen gewin gehandeld en kennelijk de gevolgen die hij heeft veroorzaakt voor lief genomen.”15

14. Ingevolge art. 6:106, aanhef en onder b, BW bestaat daarnaast recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde16 lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Wanneer, in welke gevallen, sprake is van lichamelijk letsel, dan wel van beschadiging van de eer of goede naam van de benadeelde, laat ik hier rusten.17 Van het één, noch het ander blijkt namelijk in de onderhavige zaak. Het komt mij bovendien voor dat in de rechtspraktijk meer in het algemeen het derde in art. 6:106, aanhef en onder b, BW genoemde geval, de strafrechter voor de meeste, en ook de meest complexe, vragen stelt. Dat de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”, vormt de meest open geformuleerde grond voor vergoeding van immateriële schade op de voet van art. 6:106 BW. Deze (rest)categorie maakt dat het stelsel voor toekenning van immateriële schade niet volstrekt gesloten is. Zij verschaft rek voor rechtsontwikkeling op dit terrein.18 Dat neemt intussen niet weg hetgeen de wetgever voor ogen stond: een in beginsel gesloten stelsel van een beperkt aantal gevallen waarin een verplichting tot vergoeding van immateriële schade kan worden aangenomen.19

De rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad

De vergoeding van immateriële schade in de strafrechtspraak

Beoordeling van het middel