Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2019, ECLI:NL:PHR:2019:901, 18/05228
Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2019, ECLI:NL:PHR:2019:901, 18/05228
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2019
- Datum publicatie
- 2 oktober 2019
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:901
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:403
- Zaaknummer
- 18/05228
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 1:37.1 Algemene douanewet (Adw) op personenauto met verborgen compartiment. 1. Klacht dat geen sprake is van een ‘vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken’ a.b.i. art. 1.37.1 Adw. 2. Ongegrondverklaring klaagschrift en afwijzing geldelijke tegemoetkoming, art. 33c.2 Sr. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de klaagster door het aan de Staat vervallen van de auto niet onevenredig is getroffen betrokken dat naast het beslag van de Douane, ook klassiek en conservatoir beslag op grond van art. 94 en 94a Sv op de auto is gelegd. Dit oordeel draagt de ongegrondverklaring van het klaagschrift en de afwijzing van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming zelfstandig. Het advies van de AG aan de Hoge Raad is het cassatieberoep te verwerpen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/05228
Zitting 1 oktober 2019
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de klaagster.
1 Inleiding
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 4 december 2018 het namens de klaagster ingediende klaagschrift ex art. 1:37 Algemene Douanewet (Adw) ongegrond verklaard.
Tegen deze beschikking is namens de klaagster cassatieberoep ingesteld en mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Procesgang
Blijkens de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, gaat het in de onderhavige zaak om het volgende.
(i) Op 9 juli 2018 is de personenauto van klaagster (van het merk Volkswagen, type Golf) in het kader van een witwasonderzoek onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen. Bij de doorzoeking van de auto is door de politie geconstateerd dat ter hoogte van de bijrijdersstoel, bij het voetencompartiment in de linkerhoek tegen het middenconsole, een stuk foam was weggesneden. Daardoor was toegang ontstaan tot een lege/verborgen ruimte waar zaken in verborgen kunnen worden.
(ii) Vervolgens is door de Douane op grond van art. 1:37 lid 1 Adw eveneens beslag gelegd op de personenauto. Het onderzoek van de Douane houdt naast het hiervoor onder i) genoemde in dat de vloerbedekking was losgemaakt zodat de vloerbedekking makkelijk te verwijderen is. Daaronder is een deel van het isolatiemateriaal uitgezaagd/gesneden. Door het terugleggen van de vloerbedekking werd de aangetroffen ruimte afgesloten.
(iii) Op 5 september 2018 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag op de personenauto en tot teruggave aan klaagster. Daarnaast is verzocht een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen op grond van art. 33c Sr.
(iv) De rechtbank heeft het klaagschrift op 20 november 2018 in raadkamer behandeld, op 4 december 2018 ongegrond verklaard en het verzoek tot een geldelijke tegemoetkoming afgewezen.
3 Het eerste middel
Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de inbeslaggenomen auto een vervoermiddel is dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 1:37, vijfde lid, van de Algemene Douanewet (ADW) van:
[klaagster] ,
(...)
blijkens een daarvan opgemaakte akte op 5 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) aan klaagster.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De rechtbank heeft dit beklag op 20 november 2018 in raadkamer behandeld.
Klaagster, bijgestaan door mr. K. Canatan, is in raadkamer gehoord.
Belanghebbende [betrokkene 1] is in raadkamer gehoord.
Namens de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane is [betrokkene 2] in raadkamer gehoord.
Beoordeling van het beklag
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beklag.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De standpunten in raadkamer
(...)
Ten aanzien van het klaagschrift heeft de raadsman primair aangevoerd dat er geen sprake is van een geheim compartiment. Subsidiair is er geen sprake van een compartiment als bedoeld in de ADW, nu de ADW zich richt op smokkel over landsgrenzen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om een geldelijke tegemoetkoming, nu klaagster geen wetenschap heeft gehad van het compartiment. De huidige waarde van de auto is geschat op € 14.000,-. Ten slotte heeft de raadsman verzocht ook de teruggave te gelasten in geval van gegrondverklaring, ongeacht de strafrechtelijke beslagen.
Klaagster heeft in raadkamer verklaard dat zij geen wetenschap heeft gehad van het verborgen compartiment en dat zij niet weet hoe het compartiment is aangebracht.
[betrokkene 2] heeft in raadkamer opgemerkt dat in andere procedures op grond van artikel 1:37 lid 5 ADW de beslagene, in dit geval [betrokkene 1] , tevens belanghebbende was. Voorts heeft zij in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag en daartoe het volgende aangevoerd. Het betreft een feitelijk beoordeling of er sprake is van een geheime bergplaats. De ambtenaren die de auto hebben onderzocht zijn erg ervaren. In dit geval is een wijziging is aangebracht in een reguliere auto en daarmee is een ruimte ontstaan om goederen aan het toezicht te onttrekken. Dat maakt dat de gevonden ruimte een verborgen ruimte is. Voor de toepassing van artikel 1:37 ADW is het niet noodzakelijk dat er daadwerkelijk iets gevonden wordt in de ruimte. Ten aanzien van de geldelijke tegemoetkoming blijkt uit www.autotrack.nl dat soortgelijke auto’s een dagwaarde van € 7.000,- hebben. De Douane is bereid om de auto terug te geven indien er geen strafrechtelijk beslag meer ligt en de auto in de origineel staat wordt teruggebracht.
De belanghebbende heeft in raadkamer verklaard dat klaagster aan hem heeft verteld dat zij wist van het verborgen compartiment in de auto.
Overwegingen van de rechtbank
(...)
Het beklag
De rechtbank dient het beklag te beoordelen aan de hand van het criterium of de auto kan worden aangemerkt als “een vervoermiddel, dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken”.
Uit het proces-verbaal doorzoeking Volkswagen Golf zwart, kenteken [kenteken] , proces- verbaalnummer 620 (p. 1539-1540), blijkt dat de auto op 10 juli 2018 is doorzocht door een verbalisant van de politie Eenheid Den Haan1 en twee buitengewoon opsporingsambtenaren van de Douane Amsterdam, werkzaam als specialisten op het gebied van verborgen ruimtes in vervoersmiddelen. Tijdens deze doorzoeking bleek dat er ter hoogte van de bijrijdersstoel, bij het voetencompartiment, een stuk foam weggesneden was. Uit het rapport Artikel 1:37 Algemene Douanewet blijkt de ruimte geen ander doel kan dienen dan het onttrekken aan het ambtelijk toezicht van voorwerpen die zich in die ruimte zouden bevinden, gelet op de kwaliteit van de afwerking. Inspecteur [betrokkene 2] heeft in raadkamer toegelicht dat het een verborgen bergplaats betreft. Er is namelijk sprake van een wijziging in de originele staat van de auto. Hierdoor is de ruimte ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.
Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de auto kan worden aangemerkt als een vervoermiddel in de zin van artikel 1:37 ADW dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.”
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het enkele feit dat een voertuig beschikt over een verborgen bergplaats niet zonder meer met zich meebrengt dat het doel daarvan is gericht op het onttrekken van goederen aan het ambtelijk toezicht zoals bedoeld in de Adw. Met een beroep op art. 1:1 Adw in verbinding met art. 1 Douanewetboek van Unie wordt aangevoerd dat het weliswaar mogelijk is om goederen te verbergen in zo’n compartiment, maar het behoeft nadere motivering waarom een auto die in Den Haag is inbeslaggenomen, bestemd zou zijn voor grensoverschrijdend vervoer buiten de Europese Unie, aangezien de Adw daar op grond van de genoemde bepalingen kennelijk op ziet.
In onderhavige zaak is de inbeslagneming gebaseerd op art. 1:37 lid 1 Adw Deze bepaling luidt:
“Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.”
Het middel – bezien in samenhang met hetgeen namens klaagster bij de behandeling van het beklag door de rechtbank is aangevoerd – strekt er kennelijk toe te betogen dat voor inbeslagneming van een vervoermiddel op grond van art. 1:37 lid 1 Adw is vereist dat komt vast te staan dat de auto zou worden gebruikt voor de smokkel van goederen over landsgrenzen.
Mijn ambtgenoot Knigge schreef in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:36322 over art. 1:37 Adw onder meer het volgende:3
“Art. 1:37 Adw is de indirecte voortzetting van het bij Wet van 19 juli 1934, Stb. 403 in de Wet van 4 april 1870, Stb. 61 ingevoegde art. 10bis. De steller van het middel citeert de MvT, waarin gesteld wordt dat uitbreiding van bevoegdheden nodig is om de toegenomen “grensfraude”, die “nog geen teekenen van vermindering” vertoont, in bedwang te houden. Een van de problemen waartegen het wetsvoorstel zich keerde, was dat de automobielen die de smokkelaars gebruiken, in een aantal gevallen zijn toegerust “met middelen van afweer tegen de den ambtenaren ten dienste staande dwangmiddelen”. Dergelijke voertuigen moesten onmiddellijk “aangehaald” (in beslag genomen) kunnen worden, ook als er op dat moment niet mee wordt gesmokkeld. Er was geen gegronde reden waarom de overheid in zo’n geval “zou moeten wachten tot het oogenblik dat met het voertuig een strafbaar feit wordt gepleegd”. “Hetzelfde geldt trouwens”, zo vervolgt de MvT, “van voertuigen, die tot het verbergen van goederen zijn ingericht, bij voorbeeld door geheime bergplaatsen in de benzine-reservoirs, achter de zittingen of in den kap e.d. en in het algemeen van alle voorwerpen, die tot het eene of andere doel kunnen dienen”.
Uit de memorie van toelichting op het in 1934 ingevoegde art. 10bis volgt dat voor inbeslagneming niet is vereist dat moet worden afgewacht tot het moment dat met het voertuig waarin bijvoorbeeld een geheime bergplaats is aangebracht, een strafbaar feit wordt gepleegd.4 Ook het huidige art. 1:37 Adw vereist niet dat het vervoermiddel op het moment van inbeslagneming moet worden gebruikt voor de smokkel van goederen (over landsgrenzen). Hetgeen door de steller van het middel wordt betoogd vindt dus geen steun in het recht.
Gelet op hetgeen de rechtbank ten aanzien van het in de inbeslaggenomen Volkswagen Golf aangetroffen verborgen compartiment heeft overwogen, getuigt het oordeel dat de auto kan worden aangemerkt als een vervoermiddel in de zin van art. 1:37 Adw dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.