Home

Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2019, ECLI:NL:PHR:2019:971, 19/03347

Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2019, ECLI:NL:PHR:2019:971, 19/03347

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 oktober 2019
Datum publicatie
3 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:971
Formele relaties
Zaaknummer
19/03347

Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Beslag en beklag. Verschoningsrecht. De klager in deze zaak is directeur van een bedrijf dat zich bezig houdt met internationaal ambulancevervoer. Onder hem wordt, in verband met een tegen hem gerezen verdenking van onder meer wederrechtelijke vrijheidsberoving, beslag gelegd op een iMac en een iPhone. Hij stelt dat zich hierop bestanden bevinden die betrekking hebben op het ambulancevervoer en daarom onder zijn afgeleide verschoningsrecht vallen. Probleem in deze zaak is dat dit verschoningsrecht is afgeleid van de vele artsen van wie de medische informatie afkomstig is of voor wie die informatie is bestemd en dat niet zonder van de inhoud van de bestanden kennis te nemen kan worden vastgesteld wie die verschoningsgerechtigden allemaal zijn. De A-G bespreekt de procesgang die in een dergelijke zaak moet worden gevolgd en meer in het bijzonder de vraag of de verschoningsgerechtigden dan wel de klager in de gelegenheid moet(en) worden gesteld een standpunt met betrekking tot de bestanden kenbaar te maken. Naar de mening van de A-G is het oordeel van de rechtbank dat voldoende is gewaarborgd dat de bestanden die na de door een geheimhouderopsporingsambtenaar verrichte schifting zijn overgebleven, geen geheimhouderinformatie bevatten, niet zonder meer begrijpelijk. De A-G stelt zich daarom op het standpunt dat de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank moet vernietigen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03347

Zitting 1 oktober 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de klager.

1 Het cassatieberoep

1.1

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 19 april 2019 het klaagschrift van de klager gegrond verklaard, voor zover dit ziet op de teruggave van de onder klager inbeslaggenomen iMac en iPhone, en bepaald dat deze inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager worden teruggegeven. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de uit de gekopieerde bestanden van voormelde gegevensdragers geschoonde gegevens gebruikt kunnen worden voor het strafrechtelijk onderzoek en het klaagschrift1 in zoverre ongegrond verklaard.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.3

De rechtbank heeft in deze zaak geoordeeld dat aan de klager een afgeleid verschoningsrecht toekomt met betrekking tot kort gezegd de medische gegevens die op de onder hem inbeslaggenomen gegevensdragers zijn vastgelegd. Dat brengt echter niet mee dat de versnelde cassatieprocedure van art. 552d lid 3 Sv van (overeenkomstige) toepassing is op de behandeling van dit cassatieberoep. Dat blijkt in het bijzonder uit HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:37142, waarin eveneens sprake was van een door een afgeleid verschoningsgerechtigde ingediend klaagschrift, maar waarin de Hoge Raad oordeelde dat art. 552d lid 3 Sv niet van toepassing was “aangezien het klaagschrift niet is ingediend door “een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 (...)” (rov. 2.1). Dit standpunt werd in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:5533 enigszins genuanceerd. In deze beschikking overwoog de Hoge Raad met betrekking tot een door een ziekenhuis gedaan beklag (rov. 2.3.3):

“Nu het klaagschrift weliswaar is ingediend door een rechtspersoon aan wie een afgeleid verschoningsrecht toekomt, maar de klaagster in de omstandigheden van het onderhavige geval moet worden geacht mede op te komen tegen de inbeslagneming namens aan het ziekenhuis verbonden artsen aan wie de bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv toekomt, is de versnelde beklagprocedure van art. 552a, achtste lid, en 552d, derde lid, Sv van toepassing.”

Uit deze overweging blijkt dat een uitzondering moet worden gemaakt voor het geval de afgeleid verschoningsgerechtigde geacht moet worden (mede) te klagen namens de eigenlijke verschoningsgerechtigde.4

1.4

Die uitzonderingssituatie doet zich – anders dan in de toelichting op het middel voor het eerst in cassatie wordt gesteld – naar mijn mening in dit geval niet voor. De relatie tussen de klager en de verschoningsgerechtigden lijkt mij van een andere orde te zijn dan de band tussen een ziekenhuis en de daaraan verbonden artsen. Art. 552d lid 3 Sv mist in dit geval dus toepassing. Dat betekent dat de aanzegging in deze zaak terecht dertig dagen vermeldt als termijn voor het indienen van een schriftuur met middelen. De schriftuur is binnen deze termijn ingekomen.

2 Waarom het in deze zaak gaat

2.1

In deze zaak wordt de klager verdacht van gijzeling/wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging en van poging tot zware mishandeling al dan niet met voorbedachten raad in vereniging, gepleegd op 31 maart 2018 te Winterswijk.5 Ter zake hiervan is onder hem op 10 april 2018 ex art. 94 Sv een iPhone X en een iMac inbeslaggenomen. De klager heeft zich in een klaagschrift ex art. 552a Sv op het standpunt gesteld dat hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv, omdat hij als directeur van het bedrijf [A] , dat internationaal ambulancevervoer verzorgt, met hoofdzakelijk medische informatie werkt die afkomstig is van of (uiteindelijk) bedoeld is voor de behandelend artsen, zijnde verschoningsgerechtigden. Volgens hem bevinden zich op de gegevensdragers bestanden die betrekking hebben op dit ambulancevervoer en die daarom onder het verschoningsrecht van de artsen vallen.

2.2

De rechter-commissaris heeft in deze zaak bepaald dat de gegevensdragers zullen worden onderzocht door een geheimhouder-OvJ en door geheimhouder-politieambtenaren om een schifting te maken tussen medische gegevens die onder het verschoningsrecht vallen en andere gegevens. Die schifting heeft plaatsgevonden. Van de in totaal 2.083.117 aangetroffen bestanden werden 979.659 bestanden door een geheimhouder-politieambtenaar ontoegankelijk gemaakt voor verder onderzoek. De overgebleven 1.103.458 bestanden werden opgeslagen in een nieuwe kopie.6 De rechtbank oordeelde vervolgens dat niet aannemelijk is geworden dat onder die overgebleven bestanden nog meer informatie aanwezig is die onder het verschoningsrecht valt. Daarom kon naar haar oordeel van die bestanden gebruik gemaakt worden voor het strafrechtelijk onderzoek.

2.3

De vraag die in deze zaak centraal staat, is of de gevolgde procedure correct is geweest. Meer in het bijzonder is de vraag of de klager dan wel de geheimhouders (de artsen van wie de medische informatie afkomstig was of voor wie zij was bestemd) bij het selectieproces hadden moeten worden betrokken en of zij niet in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld zich over de overgebleven bestanden uit te laten.

3 Waarover het in deze zaak niet gaat

3.1

Het in de overwegingen van de rechtbank besloten liggende oordeel dat aan de klager een afgeleid verschoningsrecht toekomt, wordt in cassatie niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. In het midden kan daarom blijven van wie de klager zijn verschoningsrecht afleidt. Van de artsen van wie de medische informatie afkomstig is of voor wie die informatie is bestemd? Of van de arts/medisch directeur die bij hem in dienst is en onder wiens toezicht het ambulancevervoer geschiedt?7 In het midden moet ook blijven of aan de klager in dit geval, net zoals aan een verpleegkundig centralist van de meldkamer voor ambulancezorg (vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205), niet een eigen verschoningsrecht toekomt.

3.2

In cassatie wordt niet geklaagd over de inschakeling door de rechter-commissaris van een zogenaamde geheimhouder- OvJ en van zogenaamde geheimhouder-opsporingsambtenaren. De vraag of die inschakeling toelaatbaar is en zo nee, wat daarvan de consequenties moeten zijn, is daarom niet aan de orde. Ik merk slechts op dat er naar het mij voorkomt weinig bezwaar tegen de inzet van geheimhouder-opsporingsambtenaren is als de door hen verrichte selectie van bestanden die mogen worden gebruikt voor het opsporingsonderzoek, uitsluitend plaatsvindt aan de hand van zoektermen en dus zonder dat van de inhoud van die bestanden wordt kennisgenomen. Van een schending van het beroepsgeheim is dan geen sprake. Problematisch wordt het als de opsporingsambtenaar die de selectie verricht wel van de inhoud van de bestanden kennisneemt. In deze zaak is daarvan, afgaande op het door de desbetreffende opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal, sprake geweest (zie hierna, onder 4.2). De vraag is of deze inbreuk op het beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door het feit dat zij plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris. Die vraag is zoals gezegd in deze zaak niet aan de orde.

3.3

In deze zaak werd het (eerste) klaagschrift ingediend op 18 april 2018. Op 23 april 2018 diende de OvJ een vordering ex art. 181 Sv in bij de rechter-commissaris tot het met het oog op de opsporing van strafbare feiten verrichten van onderzoekshandelingen aan de inbeslaggenomen gegevensdragers. Het doel van het gevorderde onderzoek was om meer zicht te krijgen op de “contacten tussen verdachte en medeverdachten dan wel aangevers, de (identiteit van de) medeverdachten, de wijze waarop de medeverdachten op de plaats delict zijn gekomen, de vraag of/in welke mate verdachte wordt bedreigd of afgeperst, de aanwezigheid van camerabeelden, overige voor het onderzoek van belang zijnde gegevens”.8 Mogelijk was deze vordering ingegeven door o.m. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, dat betrekking had op onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken en waarin werd overwogen dat in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend is, te denken valt aan onderzoek door de rechter-commissaris. De vraag is hoe dergelijk onderzoek door de rechter-commissaris zich verhoudt tot de toetsing die de rechter-commissaris in voorkomende gevallen dient te verrichten op grond van art. 98 Sv. De vraag is in het bijzonder of een rechter-commissaris die bij die toetsing kennis heeft genomen van geheimhouderstukken die naar zijn oordeel buiten het onderzoek dienen te blijven, belast kan zijn met het door de OvJ gevorderde onderzoek. Zou dat onderzoek in een dergelijk geval niet door een andere rechter-commissaris moeten worden verricht? Die vraag is in deze zaak niet aan de orde, al was het maar omdat de rechter-commissaris zelf geen kennis heeft genomen van de inhoud van de bestanden en voor zover ik kan nagaan (nog) geen gevolg heeft gegeven aan de ex art. 181 Sv gedane vordering.

4 Procesverloop en oordeel rechtbank

5 Bespreking van het middel

6 Conclusie