Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2020, ECLI:NL:PHR:2020:160, 20/00470
Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2020, ECLI:NL:PHR:2020:160, 20/00470
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 februari 2020
- Datum publicatie
- 18 februari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2020:160
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:389
- Zaaknummer
- 20/00470
Inhoudsindicatie
Vordering tot cassatie in het belang der wet. Wet USB. De Wet USB bevat geen uitdrukkelijke bepaling over hoger beroep tegen een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf. De rechtbank heeft daaraan volgens de advocaat-generaal ten onrechte de gevolgtrekking verbonden dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof is onderworpen. De Wet USB heeft immers geen inhoudelijke wijziging gebracht van de artikelen 361a Sv en 407 Sv. Het vonnis houdt ingevolge art. 361a Sv in geval van gelijktijdige behandeling van de tenlastelegging en de vordering tot tenuitvoerlegging ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in. Het eerste lid van art. 407 Sv bepaalt dat het hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel kan worden ingesteld. Dat betekent volgens de advocaat-generaal dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in geval van gelijktijdige berechting met het nieuwe feit aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00470 CW
Zitting 18 februari 2020
Vordering tot cassatie in het belang der wet
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de veroordeelde.
Inleiding
1. In deze vordering tot cassatie in het belang der wet gaat het om de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) op 1 januari 2020 voor de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep tegen een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.1 De vordering betreft een uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 januari 20202 waarbij de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden is afgewezen.
2. Tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het onherroepelijk is geworden. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat met de invoering van de Wet USB geen hoger beroep meer openstaat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wegens schending van de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (hierna ook: de algemene voorwaarde). De rechtbank verbindt daaraan de gevolgtrekking dat een beslissing van de rechter in eerste aanleg tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde direct onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
3. Tegen de uitspraak is cassatie in het belang der wet wel mogelijk.3 Daartoe strekt deze vordering.
De uitspraak
4. Het gaat in deze zaak om het volgende.
5. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 september 2016 is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) in verband met “het dealen in drugs” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 september 2016.
6. Bij vonnis van 13 januari 2020 heeft de rechtbank Gelderland de veroordeelde wegens 1. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod meermalen gepleegd” en 2. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld. Het onder 1 bewezen verklaarde is begaan op tijdstippen in de periode van 1 juli 2017 tot en met 13 september 2018, terwijl het onder 2 bewezen verklaarde plaatsvond op of omstreeks 13 september 2018.
7. De rechtbank heeft voorts beslist op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 september 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank overweegt:
“Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd, terwijl hij nog niet zo lang in de proeftijd liep in de zaak met parketnummer 05/720301-15 en dat het om soortgelijke strafbare feiten gaat, namelijk het dealen in drugs.
De rechtbank overweegt ambtshalve het navolgende.
Op 1 januari 2020 is in werking getreden de Wet USB (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Staatsblad 2017, 82). Met de invoering van die wet staat tegen een TUL-beslissing algemene voorwaarden geen hoger beroep meer open (art. 6:6:7 in combinatie 6:6:22 Sv).
Dit betekent dat de beslissing van de rechter in eerste aanleg tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens overtreding van (doorgaans) de algemene voorwaarde, te weten het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd, meteen onherroepelijk en executeerbaar is, ook in het geval hoger beroep wordt ingesteld tegen de veroordeling voor dat nieuwe strafbare feit. De TUL-beslissing algemene voorwaarde wordt derhalve na de beslissing door de rechtbank losgekoppeld van de uiteindelijke beoordeling van die nieuwe strafzaak, terwijl die nieuwe strafzaak de grondslag vormt voor een dergelijke TUL-vordering.
Naar het oordeel van de rechtbank is gezien de wetgevingsgeschiedenis onvoldoende duidelijk dat hiermee de situatie is onderkend en bedoeld te ondervangen dat in hoger beroep vrijspraak volgt. In dat geval doet zich de situatie voor dat niet bewezenverklaard wordt dat verdachte een (nieuw) strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl dan inmiddels de eerdere – en van het rechterlijk oordeel in die nieuwe strafzaak afhankelijke – beslissing tot tenuitvoerlegging wegens het plegen van dat nieuwe strafbare feit onherroepelijk en executeerbaar is.
Eenvoudig gezegd: de betrokkene moet straf ondergaan (de eerdere voorwaardelijke veroordeling) om een reden (plegen nieuw strafbaar feit) die later geen stand blijkt te houden (alsnog vrijspraak). Dit komt er op neer dat die verdachte de eerdere voorwaardelijke straf dan dus heeft of zal ondergaan, niet omdat hij voor een nieuw strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld, maar alleen omdat hij verdachte is geweest in een nieuwe strafzaak.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever zich hierover heeft uitgelaten.
De rechtsvraag die hier aan de orde is, raakt aan fundamentele principes, zoals voortvloeiend uit de onschuldpresumptie en zoals neergelegd in (thans) artikel 6:1:16 Sv (557 Sv oud). Weliswaar voorziet de wet in een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer wordt gelegd als deze onherroepelijk is, maar deze gevallen zijn daarbij met waarborgen omringd (bijv. art. 6:6:6 Sv). Daarvan is bij artikel 6:6:7 Sv geen sprake. Bij (gedeeltelijke) vrijspraak in hoger beroep kan de in die strafzaak wegens overtreding van de algemene voorwaarde in eerste aanleg gelaste tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf desondanks worden voortgezet met een beroep op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Niet goed denkbaar is, dat deze onbillijke uitkomst is beoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gevolg van het bepaalde in art. 6:6:7 Sv in strijd met artikelen 5 en 6 EVRM (het recht op vrijheid en het recht op een eerlijk proces).
Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit dient te worden afgewezen, ook al acht de rechtbank de feiten in deze zaak bewezen. Dat de verdachte de feiten deels heeft bekend, maakt dit naar het oordeel van rechtbank niet anders. Ook in dat geval is immers niet uitgesloten dat de rechter in hoger beroep tot een gedeeltelijke vrijspraak en een beperktere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg, terwijl de wetsgeschiedenis niet duidelijk maakt of de wetgever ook in dat geval de ruimte van de appelrechter om de nieuwe strafzaak en de vordering tenuitvoerlegging wegens overtreding van de algemene voorwaarde in samenhang te bezien, heeft willen beperken.”
8. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af.