Home

Parket bij de Hoge Raad, 24-03-2020, ECLI:NL:PHR:2020:278, 19/02926

Parket bij de Hoge Raad, 24-03-2020, ECLI:NL:PHR:2020:278, 19/02926

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 maart 2020
Datum publicatie
25 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:278
Formele relaties
Zaaknummer
19/02926

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag tegen beslag, art. 552a en 94 Sv. Beslag van o.a. 23 auto's aan bedrijfsvoorraad wegens verdenking van witwassen. Naar het oordeel van de AG bevat het cassatieberoep een slagende klacht omtrent het oordeel van de rechtbank dat beslag disproportioneel zou zijn. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02926 B

Zitting 24 maart 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 10 mei 2019 het door de klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv, voor zover dat betrekking heeft op de inbeslagname van 23 auto’s, gegrond verklaard en een last tot teruggave aan klager gegeven. Met betrekking tot een vijftal andere voorwerpen (waaronder administratie en camera’s) heeft de rechtbank ‘verstaan’ dat klager geen belang meer heeft bij een beslissing omdat de officier van justitie tot teruggave heeft besloten. Met betrekking tot een laptop en twee GSM’s heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard.

1.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Klager heeft een bedrijf dat bestaat uit de in- en verkoop en onderhoud van auto’s. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens de verdenking van witwassen zijn onder hem op 12 november 2018 onder meer 23 auto's inbeslaggenomen. De verdenking houdt onder meer in dat hij zijn bedrijf gestart is met crimineel vermogen. Het beslag is gegrond op art. 94 Sv. In de samenhangende strafzaak tegen klager is de officier van justitie voornemens de verbeurdverklaring van deze auto's te vorderen.

1.3.

Het cassatieberoep is onbeperkt ingesteld door de officier van justitie en mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Uit de schriftuur blijkt dat het cassatieberoep zich alleen richt tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift, voor zover dat betrekking heeft op de inbeslaggenomen auto’s.

2 De behandeling van het klaagschrift

2.1.

De beschikking van de rechtbank met betrekking tot de 23 inbeslaggenomen auto’s luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘’Het standpunt van klager

Volgens klager moeten de hiervoor omschreven en onder hem inbeslaggenomen 23 auto’s (...) worden geretourneerd. Daartoe is primair aangevoerd dat klager ten onrechte als verdachte is aangemerkt en het beslag om die reden onrechtmatig is, dan wel dat er geen reden is voor voortzetting van het beslag. Klager heeft een uitvoerige verklaring gegeven over hoe hij aan zijn startkapitaal is gekomen. Hij heeft in de jaren voor de start van zijn bedrijf veel kunnen sparen doordat hij veel werkte en weinig kosten had. Subsidiair heeft klager aangevoerd dat het beslag disproportioneel is nu de waarde van de auto’s in totaal op € 112.045,- wordt geschat, terwijl de verdenking ziet op een vermeende (witwas)kapitaalstorting van € 56.700,-. Bij instandhouding van het beslag zal klager op korte termijn failliet worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de conclusie van het openbaar ministerie en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Klager wordt verdacht van witwassen, in opdracht van verdachte [betrokkene 1]. De verdenking bestaat daarnaast dat het startkapitaal van klagers bedrijf crimineel vermogen van verdachte [betrokkene 1] is. (...). Ten aanzien van de auto’s is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat deze verbeurd zullen worden verklaard. Het strafvorderlijk belang tot voortduring van het beslag is daarmee gegeven. Het voortduren van het beslag is tot slot niet disproportioneel omdat de verdenking bestaat dat klager zijn onderneming met crimineel vermogen is gestart. Alle winst die met de onderneming wordt gemaakt moet gezien worden als vervolgprofijt en kan worden ontnomen.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.

Klager is aangemerkt als verdachte in een witwasonderzoek. Uit de door de officier van justitie overgelegde stukken blijkt dat dit onderzoek in volle gang is. (...)

Auto’s

De auto’s van klager zijn in beslag genomen op grond van artikel 94 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering met als grond dat deze auto’s vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

De rechtbank weegt daarbij het belang van strafvordering tegen de belangen van klager bij voortduring van het beslag. De raadkamer is van oordeel dat het belang van mogelijke verbeurdverklaring op dit moment niet opweegt tegen een faillissement van het bedrijf van klager. De raadkamer komt als volgt tot deze afweging.

Indien klager in een later stadium schuldig wordt bevonden aan witwassen, kan er door het openbaar ministerie een ontnemingsvordering worden ingediend. In deze ontnemingsvordering wordt al het wederrechtelijk verkregen voordeel, waaronder het vervolgprofijt, meegenomen. Bij een verbeurdverklaring lijkt aftrek van de waarde van de auto’s op het ontnemingsbedrag aan de orde te (kunnen) zijn. Omdat geen beslag is gelegd op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, heeft het openbaar ministerie kennelijk niet de bedoeling gehad om verhaalsbeslag te leggen. Beslaglegging tot bewaring van het recht tot verhaal van een geldboete of ontneming is derhalve niet aan de orde. De raadkamer is van oordeel, alles overwegende, dat de keuze om het beslag te handhaven en later verbeurd te verklaren op dit moment niet opweegt tegen de persoonlijke belangen van klager. Wat meer of anders is aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking meer.’’

2.2.

Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt dat het volgende is aangevoerd met betrekking tot de disproportionaliteit van het beslag:

‘’De raadsman van klager voert het woord overeenkomstig een overgelegde pleitnotitie, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd Klager voert het woord:

Ik heb een naheffing van de Belastingdienst van € 34.000,- omdat ik de start van mijn bedrijf niet goed heb geregeld. Ik moet dit nu betalen maar ik heb geen geld. Ik zie de in beslaggenomen auto’s op mijn terrein in waarde achteruit gaan.

(...)Klager voert het woord:

Het gaat op dit moment financieel niet goed. Ik heb alleen inkomsten uit de werkplaats, maar normaal zou ik ook €2500,- inkomen hebben uit de autoverkoop.

De tamtam in [plaats] gaat hard, daardoor mis ik ook klanten. De vaste klanten weten hoe het zit en komen wel, maar het valt me zeer zwaar om het bedrijf draaiende te houden. Ik moet ook leveranciers betalen. In mei moet ik vakantiegeld gaan uitkeren, maar ik denk niet dat dit lukt. Het personeel heeft een vaste aanstelling. Ik zou kunnen nadenken over ontslag, maar dat wil ik eigenlijk niet. (...)Klager voert het woord:

Ik heb geprobeerd zekerheid te stellen aan het OM. Ik heb ook geprobeerd om geld te lenen. Sinds ik personeel heb, hebben we een omzet van zes ton per jaar, maar de kosten zijn 5,5 ton.(...)Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart:

Ik respecteer uw oordeel, maar als ik niets kan verkopen, dan heb ik al die tijd voor niets gewerkt. En straks komt er een vrijspraak, maar dan ben ik al failliet en kan ik nooit meer iets verkopen in mijn dorp.’’

2.3.

In de door de raadsman overgelegde pleitnotitie is met betrekking tot de disproportionaliteit het volgende aangevoerd:

‘’(...) Dat is voor de verbeurdverklaring niet anders. Daar kan overigens nog wel een rol spelen de waarde van de auto’s. Op dit moment gaat het eigenlijk alleen maar over de vermeende kapitaalstorting van € 56.700,-- terwijl voor een bedrag ad € 112.045,-- aan auto’s in beslag is genomen. Dat maakt dat de beslaglegging ook nog eens bezwaarlijk en disproportioneel is. Ik wijs er nog maar eens op dat volgens cliënt bij de instandhouding van het beslag diens faillissement onvermijdelijk is. In dat licht moet ook het telefoongesprek tussen het OM en de raadsman van cliënt worden gezien. Cliënt verkeert in financieel zwaar weer en heeft dus geld nodig. Hij constateert dat de auto’s per dag verder in waarde dalen en het OM niets doet om waardevermindering te voorkomen terwijl zij hiertoe volgens haar eigen Aanwijzing (onder II.3) wel is gehouden. Cliënt heeft om die reden het idee gevat om de auto’s met toestemming van de OVJ te gaan verkopen. Op de opbrengst (tot een bedrag ad € 56.700,--) zou dan beslag komen te liggen en het meerdere zou in de kas van cliënt stromen waardoor hij weer de beschikking heeft over liquide middelen.’’

2.4.

Tot slot is vermeldenswaard dat in het klaagschrift met betrekking tot de proportionaliteit van het beslag het volgende is aangevoerd:

‘’[klager] stelt zich voorts op het standpunt dat het voortduren van voormelde inbeslagneming te bezwaarlijk en disproportioneel is. [klager] drijft voor eigen rekening en risico het bedrijf genaamd [A]. Bij dit bedrijf zijn drie werknemers werkzaam. Inkomsten worden genereerd met verkoop van auto’s en het verrichten van reparaties. De auto’s die in beslag zijn genomen zijn door [klager] met eigen middelen gekocht of heeft hij onder zich gekregen ter verkoop. Als gevolg van het beslag kunnen de auto’s niet worden verkocht waardoor thans sprake is van een (te) grote liquiditeitskrapte die niet kan worden opgevangen met andere financiële middelen. Voortduring van het beslag zal dan ook leiden tot het faillissement van [klager] en het gedwongen ontslag van genoemde werknemers.

Naast dit alles is er beslag gelegd op auto’s die naar voorlopige schatting een waarde vertegenwoordigen van € 112.045,--. Dit bedrag staat op geen enkele wijze in verhouding tot het bedrag ad € 56.700,- waarvan politie/justitie stelt dat [klager] dit middels witwassen heeft verkregen. [klager] legt als productie 9 een lijst over van de betreffende auto’s met de geschatte waarden.De raadsman van [klager] heeft in diens e-mail d.d. 21 februari 2019 aangegeven dat sprake is van een financieel onhoudbare situatie en verzocht om het beslag (ook) om die reden op te heffen. Bij e-mail d.d. 4 maart 2019 heeft het Openbaar Ministerie echter laten weten dat het beslag op de handelsvoorraad vooralsnog gehandhaafd blijft.1 Gezien deze beslissing verzoekt [klager] U.E.A. het beslag op te heffen en de teruggave van deze auto’s aan [klager] te gelasten.Over de andere in beslag genomen goederen in verband waarmee ook om opheffing werd verzocht, werd door het Openbaar Ministerie geen beslissing genomen, althans volgde geen reactie. Echter in verband met diens bedrijfsvoering en het doen van fiscale aangiften, dient [klager] te beschikken over de in beslag genomen diverse administratieve bescheiden (D.03.02.001) en diens boekhouding (D.04.02.001). Voorts, in verband met de veiligheid van [klager] en diens werknemers, doch even zeer om de in de in beslag genomen goederen te kunnen bewaken, dient [klager] te beschikken over de inbeslaggenomen bewakingscamera’s met recorder (D.01.01.001 / D.01.01.002 / D07.01.001). Ook ter zake deze goederen zal [klager] Uw rechtbank verzoeken het beslag op te heffen en de teruggave hiervan te gelasten.’’

3 Het middel

3.1.

Het middel komt op tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift en bevat de klacht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans haar oordeel met betrekking tot de disproportionaliteit van het beslag ontoereikend heeft gemotiveerd dan wel met haar oordeel te ver is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.

4 Juridisch kader

5 Beoordeling van het middel

6 Ambtshalve opmerkingen ten overvloede

7 Conclusie