Home

Parket bij de Hoge Raad, 09-06-2020, ECLI:NL:PHR:2020:570, 19/00523

Parket bij de Hoge Raad, 09-06-2020, ECLI:NL:PHR:2020:570, 19/00523

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juni 2020
Datum publicatie
10 juni 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:570
Formele relaties
Zaaknummer
19/00523

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Drie middelen. Middel drie klaagt over de oplegging van de bijkomende straf tot ontzetting van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen (art. 28 Sr). Besproken wordt onder meer de wettelijke regeling van die bijkomende straf, het begrip ‘beroep’ en de verhouding met de bijzondere voorwaarde. De conclusie strekt tot vernietiging voor wat betreft de strafoplegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/00523

Zitting 9 juni 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 30 januari 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem1, wegens 1. ‘oplichting, meermalen gepleegd’ en 2. ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.2 Het hof heeft de verdachte voorts ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder of feitelijke leidinggevende van een rechtspersoon, dan wel een daarmee gelijkgestelde vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen voor de duur van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen al dan niet gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.3 Mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste en tweede middel richten zich tegen de bewijsmotivering van feit 1. Gelet daarop geef ik eerst de bewezenverklaring van dit feit alsmede de bewijsmiddelen waar het op steunt en de op dit feit betrekking hebbende bewijsoverweging van het hof weer. Het derde middel betreft de opgelegde bijkomende straf en geeft aanleiding om wat uitgebreider op de wettelijke regeling van de ontzetting van het recht tot uitoefening van bepaalde beroepen in te gaan.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

‘hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 juni 2015, te [plaats] (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meer personen, waaronder de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] (namens [A] ) en [aangever 4] (namens [B] BV) en [aangever 5] (namens [E] ) en [aangever 6] (namens [H] ) en [aangever 7] , heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ter hoogte van (in elk geval en in totaal) EUR 87.040,11 immers heeft verdachte valselijk en listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich voorgedaan als een bonafide incassobureau genaamd [C] en/of

- aangevers in verband daarmee medegedeeld (onder meer) de volgende werkzaamheden te hebben verricht:

- het trachten te innen van openstaande vorderingen van deze aangever(s) op derden en/of het opvoeren van onkosten die daaruit zijn voortgekomen,

- het inschakelen van een deurwaarder,

- het starten van (een) civiele vorderingsprocedure(s) bij de rechtbank,

- het cederen van (een) vordering(en) aan een financiële instelling genaamd [F] en/of

- in verband met deze niet verrichte werkzaamheden facturen opgesteld en verstuurd aan aangevers en/of aangever(s) vervolgens aangegeven dat hij het bedrag van de facturen niet heeft ontvangen en/of aangever(s) verzocht om (nogmaals) het bedrag over te maken’

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

'In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s of bijlagen, als opgenomen in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal (...), gesloten en ondertekend op 11 oktober 2016 en de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

1. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: We gaan het verhoor even in een aantal gedeelten hakken. We willen graag iets meer weten over [C CV] en [D BV] .

V: Wanneer heb je [C CV] opgericht?

A: Dat is voorgezet uit een eenmanszaak. In September 2010 heb ik [G] opgericht en toen heb ik het daarna veranderd in [C] . Vervolgens ben ik het in 2012 voort gaan zetten als CV. En dat heeft bestaan tot 1 januari 2015. Op dat moment is er een ontbinding geweest, een administratie ontbinding om de boekjaren heel te houden. En 18 februari 2015 ben ik feitelijk uitgeschreven.

V: Wat is een CV?

A: Een commanditaire Vennootschap.

V: Wat is het verschil?

A: In een BV moest er 18.000 minimaal ingelegd worden en die middelen had ik niet. En bij een cv kon ik mijn privé adres afschermen. Om deze reden heb ik hiervoor gekozen.

V: Met wie heb je die opgericht?

A: Alleen.

V: Wat is [C CV] voor een bedrijf?

A: Incasso bureau. Ik werkte in het incasso traject onder het principe No Cure No pay. Cure No pay.

V: Wat bedoel je daarmee?

A: Of de opdracht nou slaagt of niet de opdrachtgever betaald daar niet voor in het incassotraject. Dus als de klant een opdracht heeft van een incasso van 900 euro, dan ga ik met de kosten die ik erbij reken 1100 euro proberen te incasseren. Als dat lukt krijgt de klant de 900 euro en ik 200 euro. Als het niet lukt dan zorg ik dat de zaak bij de deurwaarder komt.

Ten aanzien van aangevers [aangever 1]

2. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] , brigadier van politie Eenheid Zeeland West-Brabant, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 januari 2015, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 1]:

(...)

Ik wens aangifte te doen van oplichting. Ik ben opgelicht voor een bedrag van ongeveer 60.000 euro door [C] . (...) Ik heb contact gehad met [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , woonplaats onbekend. Ik heb een kopie van zijn rijbewijs met het nummer [0001] dat is afgegeven op 16 augustus 2012 te [plaats] .

Ik heb een pand verhuurd aan iemand die failliet gegaan is. Hierdoor is een huurachterstand ontstaan van totaal 9425,00 euro. Na het uitspreken van dit faillissement ontstond er nog een huurschuld van 5355,00 euro omdat het pand nog drie maanden door de huurders in gebruik was.

Om dat geld toch te kunnen krijgen heb ik een incassobureau in de arm genomen. Ik ben daarvoor op het internet gegaan en ik heb toen [C] gevonden waar ik contact mee opgenomen heb. Ik heb toen gesproken met een man die opgaf [verdachte] te zijn. (...)

Die [verdachte] is bij mij thuis geweest en wij hebben toen afgesproken dat hij deze zaak zou uitpluizen en zou proberen geld terug te krijgen. Die man heeft toen alle stukken nagekeken. Later heeft die [verdachte] mij terug gebeld en verteld dat wel degelijk iets aan te doen was want dat er een derde vennoot bij betrokken was. Dat zou een geldschieter zijn. Deze geldschieter lees derde vennoot zou de mensen die mijn pand gehuurd hadden en failliet waren gegaan financieel gesteund hebben. Die derde vennoot zou [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] zijn geweest. Hij vertelde mij dat hij die man aansprakelijk zou stellen voor het nog openstaande bedrag. Hij bevestigd dit in een brief van 07-11-2014. Deze is als bijlage bijgevoegd. In deze brief heeft hij aangegeven dat hij reeds 1213,65 euro heeft weten te incasseren. Ik heb dat geld echter nooit gezien.

(...)

[verdachte] heeft in die brief ook aangegeven om tot een 100% resultaat te komen hij het faillissement moest aanvragen voor die derde vennoot. Ik moest toen echter eerst 3171,81 euro betalen wat ik ook gedaan heb.

Hij heeft toen een rekensom gemaakt dat het te vorderen bedrag vermeerderd met de onkosten zou uitkomen op 26.608,23. Ik heb toen ingestemd dit in werking te zetten. Ik kreeg gedurende verloop van tijd steeds rekeningen van onkosten die die [verdachte] zou hebben gemaakt. Ik heb die steeds betaald. (...)

Op zondag 4 januari 2015 heb ik een mail van [C] ontvangen waarin verwoord staat dat de verzekeringsmaatschappij [F] een bedrag van 61.225,96 zal overmaken ter vergoeding van alle schulden en onkosten. (...)

Op 17 december 2014 heb ik een brief ontvangen met als briefhoofd [F] B.V. Hierin staat dat [F] een bedrag van 55.225,96 min 7% provisie op mijn rekening zou overmaken. (...). Ik moest toen ook een brief terug zenden waarop ik mijn rekeningnummer van de bank moest invullen. Ook dat heb ik gedaan. (...)

Ik heb daarop contact opgenomen met [F] en daar werd mij verteld dat ze die brief niet kenden en dat zij helemaal geen bericht nar mij verzonden hebben.

3. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] , brigadier van politie Eenheid Zeeland West-Brabant, opgemaakt proces-verbaal verhoor van aangever van 27 januari 2015, (...), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 1]:

(...)

Naar aanleiding van mijn aangifte kan ik nog het volgende verklaren: Het bedrijf dat aan mij nog een huurschuld had, waarover ik verklaard heb, betreft: [J] , gevestigd te [a-straat 1] .

[J] had een huurachterstand van Euro 9425,00 en na het uitspreken van het faillissement had [J] nog een huurschuld bij mij van euro 5355,00.

Ik wilde dit geld innen en ben gaan zoeken naar een incassobureau om dit geld voor mij te innen.

Via de internetsite van [K] (www. [K] .nl) ben ik in contact gekomen met [C] . (...)

Ik heb met die [verdachte] contact gehad en wij kwamen overeen dat hij voor mij zou gaan werken.

(...)

Vanaf 29 september 2014 heb ik de eerste rekening van hem ontvangen. Alle rekeningen die ik van hem heb ontvangen heb ik ook daadwerkelijk betaald. Ik heb een aantal rekeningen aan hem contant betaald. Dit werd dan op de factuur vermeld. [verdachte] is in totaal driemaal bij mij thuis geweest om geld te halen. Hij kwam nooit alleen.

Op 22 oktober 2014 kwam hij bij ons thuis. Ik heb toen 5 rekeningen contant betaald aan hem.

Op 7 november 2014 is hij ook bij ons thuis geweest en toen heb ik ook een rekening contant betaald aan hem. Mijn dochter [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] , was er ook bij toen [verdachte] kwam om het contract te tekenen bij ons thuis.(...)

Op 20 januari 2015 heb ik het laatste emailbericht van hem ontvangen in verband met twee betalingen die ik al wel betaald had, maar waarvan [verdachte] zei dat deze niet betaald waren. Hij dwong mij om ze toch te betalen. Na de 20e januari heeft [verdachte] mij nog eenmaal gebeld.

Ik kan er nog steeds niet bij hoe het zover is gekomen dat hij mij opgelicht heeft. Het ging aanvankelijk om het innen van die huurachterstand/ huurschuld van [J] voor in totaal net geen euro 15.000 en uiteindelijk heeft hij mij zover weten te krijgen dat ik ongeveer euro 60.000 aan hem betaald heb.

Het ging zover dat ik op een gegeven moment op 24 december 2014 een rekening moest betalen van euro 4677,64. Mijn dochter was toen bij mij. Het was toen paniek want die factuur moest zogezegd per omgaande betaald worden. Omdat ik niet kan internetbankieren heeft [betrokkene 2] mij geholpen en betaalde zij deze rekening via internet. Er kwam toen direct bericht dat de betaling niet binnenkwam en toen heeft ze nogmaals via internet betaald. Ook toen kwam er weer bericht dat de betaling niet was aangekomen. [verdachte] gaf toen zelf iedere keer bericht dat de betaling niet binnen was. Ik heb toen zelf die rekening nog een keer betaald via de Rabobank. Pas bij mijn betaling gaf [verdachte] aan dat de betaling van mij wel binnen was.

Mijn dochter is toen contact gaan opnemen met [verdachte] , via de mail via de telefoon, en heeft toen met hem overeengekomen dat [verdachte] het geld contant aan [betrokkene 2] zou terugbetalen. [verdachte] had voorgesteld om [betrokkene 2] dan te ontmoeten in Roosendaal en onder het genot van een kop koffie dit met haar af te handelen. Dit is nooit doorgegaan.

(...)

[betrokkene 2] heeft haar geld tot nu toe nooit teruggekregen van [verdachte] . (...) [verdachte] heeft mij feitelijk gedwongen om hem te betalen waarna ik zou worden uitbetaald door [F] .

Pas later kreeg ik een kopie van een brief in handen, afkomstig van [F] waaruit blijkt dat hun briefhoofd valselijk was gebruikt door [C] , in kwestie [verdachte] .

4. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Zeeland West-Brabant, opgemaakt proces-verbaal verhoor van benadeelde van 14 mei 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 1]:

(...)

V: Op welke manier werd u gedwongen wat was er zo typerend?

A: Ik voelde mij gedwongen door de toon van de email en van het gesprek. Dat was heel dwingend en kwam zelfs intimiderend over op mij. Ik bedoel hiermee, dat ik geen andere keus had dan te betalen, omdat anders mijn gehele vordering zou komen te vervallen en ik helemaal niets meer terug zou krijgen. Dat heb ik reeds eerder verklaard, omdat dit ook in de mail stond. Het stond zelfs in rode letters in de email. Ik voelde mij klemgezet en moest eigenlijk gewoon betalen wilde ik ooit nog iets van mijn vordering terugzien samen met het bedrag van de reeds betaalde rekening. Ik heb meerdere keren tegen die [verdachte] gezegd, dat ik er vanuit ging, dat hij ging zorgen dat ik mijn geld terug kreeg. Ik hoorde hem toen zeggen, dat het wel goed kwam, want [F] stond borg.

5. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] , brigadier van politie Eenheid Zeeland West-Brabant, opgemaakt proces-verbaal verhoor van aangever van 31 januari 2015, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 2]:

Op vrijdag 7 november 2014 was ik in de avond bij mijn ouders in [plaats] , [b-straat 1] . Ik was met de bus van 21.00 uur aangekomen in [plaats] . Die avond omstreeks 22.15 uur kwam er een man bij mijn ouders langs. Ik had deze man nooit eerder gezien. De man noemde zich [verdachte] .

Het was puur toeval dat ik die man daar trof. Ik wist dat mijn vader bezig was met een huurachterstand terug te vorderen bij mensen die een huurschuld bij hem hadden. Ik wist dat mijn vader om die reden een incassobureau in de hand had genomen.

(...)

Mijn vader heeft die avond ruim vierduizend euro betaald aan [verdachte] . [verdachte] gaf ook aan dat het uitbetalen na het faillissement van die derde vennoot enkel maanden zou duren maar dat ze ook een kredietmaatschappij in handen konden nemen die de schuld van [betrokkene 1] , die failliet verklaard was, over zou nemen, zodat die kredietmaatschappij onmiddellijk mijn vader zou uitkeren en zelf de (het hof begrijpt: vordering) later zouden verhalen. Er moest hiervoor wel 8 procent provisie betaald worden. Later kwam [verdachte] met [F] op de proppen als kredietmaatschappij. Het klonk op dat moment niet ongeloofwaardig.

(...)

Op de dag voor de kerst, 24 december 2014, ontving mijn vader nog een email van [verdachte] waarin hij schreef dat er nogmaals provisie moest worden betaald. Deze betaling moest onmiddellijk gedaan worden omdat [F] , die mijn vader zou uitkeren, anders niet op tijd, voor 7 januari 2015 zou uitkeren.

Op de 23e december 2014 had mijn vader ook nog een mail gekregen waarin was vermeld dat hij nog 2 facturen diende te betalen alvorens er kon worden uitgekeerd. Omdat mijn vader dan weer naar de bank moest om dat te betalen heb ik die 2 laatste facturen, een bedrag van Euro 4306,88 via internet betaald aan [verdachte] .

De factuur van de 7 procent provisie die nogmaals betaald moest worden heb ik op de 29e december 2014 ook via internet betaald aan [verdachte] . Hierop kwam bericht dat dit geld zogezegd niet was aangekomen en dan heeft mijn vader deze factuur nogmaals betaald op de 30e december. Dit was dus tweemaal een bedrag van Euro 4677,64. [verdachte] had per email gereageerd naar mij dat mijn betaling van de 29e december niet was binnengekomen. Ik vond dit vreemd. Ik heb toen mijn bank, de ASN bank, gebeld en gevraagd hoe dit mogelijk was, want bij mij was het bedrag wel afgeschreven.

(...)

Ik had ook geen zin om die tweemaal te betalen. Volgens de ASN bank kon dit ook niet en zou het geld gewoon bij [verdachte] binnengekomen moeten zijn. Ik had het ook als spoedbetaling overgemaakt en dan had het uiterlijk de 30e op zijn rekening moeten staan. Ik vertelde dit tegen mijn vader en had hem gezegd dat hij niets moest doen en dat ik het zelf zou regelen en dat, als er toch nog opnieuw betaald moest worden, ik dat zelf zou doen. Mijn vader drong er op aan om toch nog maar opnieuw te betalen voor de zekerheid. Ik heb dit dan gedaan. [verdachte] had ook aangegeven dat mocht het dubbel betaald zijn ik het geld terug zou krijgen.

Mijn vader was, toen hij al 3 uur niets meer van mij had gehoord, die 30e december ook nog naar de bank gegaan en had die rekening ook nog betaald. Die rekening van in totaal Euro 4677,64 is nu dus drie keer betaald.

Ik heb een paar keer telefonisch contact gehad met [verdachte] op zijn mobiele nummer 06- [...] , dit was op 30 december 2014 om 14.41 uur, 14.44 uur en 14.46 uur. Die gesprekken werden iedere keer afgekapt omdat [verdachte] iedere keer buiten bereik was.

Ik heb naderhand nog een paar keer per email contact gehad met [verdachte] .

Er is door [verdachte] nooit geld aan mij of mijn vader terugbetaald.

Ik ben nu benadeeld voor bijna Euro 15.000.

6. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: Er is op vrijdag 9 januari 2015 aangifte gedaan door aangever [aangever 1] . [aangever 1] doet aangifte tegen [C CV] en [verdachte] ter zake oplichting. De oplichting vond plaats tussen 1 september 2014 en 9 januari 2015.

Wat is nu het eerste waar je aan denkt?

Ja, ik weet er van. Ik weet dat hij aangifte heeft gedaan en dat er dingen mis zijn gegaan.

V: Wat is er mis gegaan?

A: Hij had een opdracht aangeboden om te incasseren en kwam binnen via [K] . (...) Die heb ik aangenomen die opdracht. Ik was van plan dat te gaan incasseren. [aangever 1] heeft voorschotten betaald voor werkzaamheden die verricht zouden worden. Maar die werkzaamheden zijn nooit uitgevoerd.

(...)

V: Je zegt dat die werkzaamheden niet uitgevoerd zijn. Waarom niet?

A: Omdat het geld waar ik in voorschot rekende meteen gebruikte voor andere zaken en mijn eigen schulden te betalen. Dat geld was er op dat moment niet. [aangever 1] heeft vele malen contant betaald en hij zat in het onroerend goed en waarom zou je al die voorschotten voor zo'n hoog bedrag betalen.

V : Om wat voor een bedrag ging het?

A: Ongeveer 50.000 euro.

V : Hoeveel werd er contant betaald?

A: de helft.

V: Wat is er met dat geld gebeurd.

A: Dat is naar schulden gegaan en andere zaken, opdrachtgevers.

(...)

V: Dus [aangever 1] heeft voor 50.000 euro aan voorschotten betaald voor werkzaamheden die niet uitgevoerd zijn.

A: Dat klopt. Ik heb met dat geld het ene gat met het andere gevuld in mijn privé situatie en in mijn zaak om andere opdrachtgevers verder te helpen.

V: waarom is het niet tot de uitvoering van die werkzaamheden gekomen?

A: Geen geld.

V: Waarom blijf je dan facturen versturen?

A: Om toch geld binnen te krijgen om de andere schulden mee af te betalen. (...)

V: Werden alle facturen door [aangever 1] betaald?

(...)

A: Ja.

V: Werden alle facturen in 1 keer betaald of kon dat zijn dat het meerdere keren hetzelfde factuur werd gestuurd?

A: nee, die hadden andere factuurnummers. Hij betaalde alles in 1 keer en niet in delen.

(...)

V: [aangever 1] heeft een spoedbetaling moeten doen. Weet je nog waarom?

A: Dat zou wel kunnen. Nee.

V: Maar waarom laat je iemand een spoedoverboeking doen voor werkzaamheden die je niet gaat verrichten?

A: Dan zal ik ongetwijfeld op dat moment dat geld ergens hard voor nodig hebben gehad. Maar waarvoor kan ik u niet zeggen. Er moest gewoon geld binnen komen, daarom, heb ik dat zo gedaan.

7. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur, gedateerd 17-12-2014, (...), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ten aanzien van aangever [aangever 3]

8. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] , BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Den Haag, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 21 februari 2015, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 3]:

(...)

Mijn naam is [aangever 3] , eigenaar van een eenmansbedrijf, welke is genaamd [A] , welke is gelegen aan de [c-straat 1] , te [plaats] .

Ik doe aangifte van oplichting. Ik ben opgelicht voor een bedrag van ongeveer 15 duizend euro door [C] C.V. (...)

Ik heb [C] C.V middels internet gevonden. Dit middels Google. Mijn contact persoon bij [C] C.V was [verdachte] .

(...)

Ik heb uiteindelijk hiervoor dus [C] C.V in de arm genomen om het resterende bedrag van 1187,58, bij kinderdagverblijf [L] , voor mij, middels een rechtszaak te innen.

Ik heb de meeste contacten gehad met [verdachte] middels de mail en een inlogsite voor klanten van [C] C.V. Dit ging middels de site www. [C] .nl. Hier kon je als zijnde klant zien wat er al voor je was gedaan en hoe de zaken in het online-dossier waren weggeschreven. Tevens kon je hier gesprekken voeren met de medewerkers en dus ook met [verdachte] .

(...)

Ik heb op verzoek van [verdachte] steeds facturen betaald als zijnde voorschot op de rechtszaak. Dit zijn bedragen variërend van 63,00 euro tot 1500,00 euro.

(...)

Ik heb alle gevraagde bedragen gestort op rekening nummer: [...] ten name van [C] .

(...)

Op een gegeven moment kreeg ik op 2 januari 2015 middels mijn persoonlijke email (...) het bericht dat het bedrijf [C] C.V zou worden overgenomen door een bedrijf welke is genaamd [F] B.V, gevestigd en kantoorhoudend aan de [d-straat 1] , te [plaats] .

Ik kreeg in deze mail een voorstel voor overname van vordering. (...) Ik zou hier een provisie van 15% moeten betalen voor het te vorderen bedrag van 8.171,52 waar naar toe het verschuldigde bedrag van kinderdagverblijf [L] inmiddels was opgelopen. Dit door de proceskosten welke ik vooralsnog steeds heb voorgeschoten.

Ik heb zelf wat rekenwerk gedaan en ik kwam tot de ontdekking dat dit bovengenoemde bedrag niet klopte. Ik heb hierop contact opgenomen met de firma [F] aangezien ik meer had betaald dan wat er in de email beschreven stond.

(...)

Het telefoonnummer van [F] heb ik gezocht/gevonden op internet.

Deze ontbrak namelijk in de email. Ik heb hierop telefonisch contact opgenomen met Firma [F] en gevraagd naar [betrokkene 3] , Assistent financial director, de ondertekenaar van mijn email.

Ik heb mijn verhaal aan de telefoon uitgelegd. Eerst aan de klantenservice, meerdere keren doorgeschakeld en uiteindelijk na een paar weken heb ik besloten door middel van nog een (1)telefoontje naar [F] , om de email welke ik had gehad van de overname van het bedrijf [C] , om deze te mailen naar [F] .

Hierop heb ik op dezelfde dag, dinsdag 17 februari 2015, een email gehad van een gerechtsdeurwaarder. Deze is genaamd [M] . De ondertekenaar van de email is [betrokkene 4] .

(...) de inhoud komt neer op het feit dat er meerdere personen zijn, welke zijn oplicht door [C] C.V, welke uiteindelijk de naam van het bedrijf [F] B.V valselijk misbruikt/gebruikt om personen wederom op lichten.

9. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: Er is op zaterdag 21 februari 2015 aangifte gedaan door aangever [aangever 3] van het bedrijf " [A] ". [aangever 3] doet aangifte tegen [C CV] en [verdachte] ter zake oplichting. De oplichting vond plaats tussen 23 mei 2014 en 18 februari 2015.

V: [aangever 3] had je volgens mij al genoemd toch?

A: Ja, en wat betreft deze zaak is het hetzelfde als de voorgaande zaken. Ik heb die werkzaamheden niet verricht maar het geld ontvangen en dat geld gebruikt om andere rekeningen te betalen. Het gat weer te dichten. Ik wist op dat moment, dus het moment van het maken van de factuur, dat die werkzaamheden niet verricht gingen worden.

10. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur, gedateerd 17-07-2014, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ten aanzien van aangever [aangever 4]

11. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 7] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 3 februari 2015, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 4]:

(...)

Ik doe aangifte namens mijn bedrijf [B] BV te [plaats] .

(...)

Ik zal u in het kort vertellen wat er is voorgevallen. De verdachte [verdachte] heeft zich bij mijn bedrijf gemeld en zich voorgedaan als incassobedrijf. Ik weet nu niet meer of dit allemaal waar is. Hij wilde voor mijn bedrijf werkzaamheden gaan doen. Ik ben met hem in zee gegaan. Op basis van “No cure no pay” heeft hij een zaak

(...)

gekregen. Na een aantal weken kwam hij retour met geen resultaat. Hij stelde voor om een rechtszaak te starten. Dat zou haalbaar zijn. Ik heb 2211,69 betaald om die zaak te starten.

Een dag later moest daar nog 226,45 bij omdat hij een foutje had gemaakt.

(...)

Een week later nam hij contact op dat er een partij was die de vordering zou willen overnemen. Dit betekend dat er dan door die partij een rechtszaak aangevangen zal gaan worden en ik afstand moet tekenen van mijn gedeelte. Ze kopen mij dan eigenlijk uit de zaak en gaan zelf verder met de vordering.

Ik zou dan 6500 euro retour krijgen, dit na een eerste betaling van 3957,87. Het bedrijf die dit zou gaan regelen heet [F] . Dit is inderdaad een bestaand bedrijf. Maar naar later bleek niets wist van dit alles.

12. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een door [aangever 4] op schrift gestelde verklaring, (...), onder meer in houdende:

(...)

Op 23-1-2015 kregen we het voorstel tot overname van vordering dat getekend en voorzien van een legitimatiebewijs retour moest. (...) Tevens kregen we te horen dat de betaling nog niet was ontvangen en dat deze beslist voor 12:00 uur er moest zijn, daar anders het recht tot overname van de vordering aan [F] zou vervallen en waarin [verdachte] erop aandrong om de factuur € 3.957,87 nogmaals te betalen als SPOEDBETALING, dan zou hij het eerst gestorte bedrag bij aankomst terugstorten. Dit heeft hij ons bevestigd, tezamen me de garantiestelling voor wanneer [F] niet uiterlijk op 5-2-2014 (gelet op de bijlage en de datum van de brief begrijpt het hof: 2015) zou hebben betaald.

Dit hebben we in eerste instantie geweigerd en hebben contact opgenomen met ABNAMRO bank die ons het unieke betalingskenmerk [...] hebben gegeven van de betaling. Dit kenmerk is aan [verdachte] doorgegeven, waarna hij contact heeft opgenomen met zijn bank de ING bank. Daarna belde hij terug en liet ons een opname horen van het telefoongesprek tussen hem en een medewerker van de bank, waarin werd aangegeven dat er geen betaling was aangekomen met dit kenmerk, terwijl wij ervan overtuigd waren alles goed te hebben ingevuld, de betaling is gedaan op rekening nummer [...] tnv [C] C.V.

Na enig argwaan te hebben gekregen, hebben we contact opgenomen met [F] in [plaats] en gevraagd of we [betrokkene 3] mochten spreken die immers het voorstel tot overname van vordering heeft ondertekend. Helaas bleek [betrokkene 3] hier onbekend te zijn. Na [verdachte] opnieuw telefonisch te hebben benaderd en om uitleg vroegen, was het antwoord dat [betrokkene 3] in Luxemburg voor [F] werkzaam was en hij haar telefoonnummer niet kon geven. Het was inmiddels 15:30 uur en er werd behoorlijk druk op ons uitgeoefend om vooral nogmaals de betaling van € 3.957,87 te doen omdat deze nog steeds niet was bijgeschreven. Uiteindelijk werden wij gebeld door [betrokkene 3] , die aangaf dat het allemaal in orde was en ons adviseerde ervoor te zorgen dat de betaling vandaag nog op de rekening moest staan van [C] , omdat anders de transactie geen doorgang kon vinden. Via de SMS is aan het einde van de middag nog contact geweest met [verdachte] .

Hij benaderde ons per telefoon met het voorstel om de betaling via het rekening nummer van zijn medewerker bij ABNAMRO te laten lopen, omdat onze rekening ook bij ABNAMRO is en de betaling dan direct binnen zou komen. Uiteindelijk na een drukke werkweek hebben we toch rond 16:30 uur de betaling van € 3.957,87 nogmaals uitgevoerd naar de verkregen rekening [...] t.n.v [betrokkene 5] . Om 17:51 uur kregen we per SMS de bevestiging van [verdachte] dat de betaling was ontvangen op de rekening van de collega bij ABNAMRO.

13. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: Er is op dinsdag 3 februari 2015 aangifte gedaan door aangever [aangever 4] van het bedrijf [B] BV. [aangever 4] doet aangifte tegen [C CV] en [verdachte] ter zake oplichting. De oplichting vond plaats tussen 10 december 2014 en 3 februari 2015.

V: Wat is nu het eerste waar je aan denkt?

A: Hetzelfde geval als [aangever 1] . Hier is precies hetzelfde gebeurt als het verhaal van [aangever 1] .

(...)

V: Wat is dat verhaal?

A: Dat daar facturen zijn gestuurd en dat ik met dat geld andere verrichtingen heb gedaan dan de werkzaamheden waarvoor ik de factuur heb verstuurd en betaald heb gekregen.

(...)

V: Heb jij de naam van [F] misbruikt in de brieven naar je klanten om hen zo te bewegen dat ze het geld zouden overmaken?

A: Ja.

V: Had jij contacten bij [F] ?

A: Nee.

V: Je hebt dus doelbewust de naam van [F] gebruikt om geld los te krijgen van je klanten?

(...)

A: Ja.

V: Heb je bewust de brief van [F] nagemaakt om geld te krijgen van de klant?

A: Ja. (...)

V: Hoe heb je dat gedaan?

A: Ik heb het logo van internet afgehaald en via paint of Word het logo geknipt op een brief. Ik wilde de klanten laten denken dat de vordering was overgenomen om geld van ze los te krijgen.

(...)

V: Alle facturen werden betaald op de rekening van [C] CV toch?

A: Ja.

V: Aan het einde van de dag besloot AANGEVER om het geld over te maken aan een medewerker van [verdachte] . Wie zou dat kunnen zijn?

A: Als hij het heeft overgemaakt naar iemand anders dan zou dat [betrokkene 5] kunnen zijn geweest.

V: Wie is [betrokkene 5] ?

A: Dat is een kennis. Het is een vrouw genaamd [betrokkene 5] .

V: wist zij dat er geld op de rekening zou komen?

A: Ja.

V: Wat is er met dat geld gebeurd?

A: Opgenomen door haarzelf.

V: Wat heeft zij daar mee gedaan?

A: dat heeft ze aan mij gegeven.

(...)

V: Wat vertelde je tegen [aangever 4] waardoor hij nog een keer hetzelfde bedrag en hetzelfde factuur heeft overgemaakt.

A: Waarschijnlijk hetzelfde als tegen [aangever 1] . Dat het geld niet binnen was gekomen. Blijkbaar heb ik er niet op kunnen wachten en heb ik nog een keer gebeld om het geld over te maken.

(...)

V: Waar had je het zo hard voor nodig?

A: dat weet ik niet meer.

V: Waarom zou hij het nog een keer overmaken, als het van zijn rekening is afgeschreven?

A: Omdat ik denk ik gebeld heb dat het niet binnen was.

V: Zou het kunnen dat je wist dat de klant het geld nog wel een keer zou overmaken en je het om die reden nog een keer gevraagd hebt. Puur om nog meer geld te krijgen.

A: Ja

14. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur, gedateerd 22-01-2015, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ten aanzien van de aangever [aangever 5]

15. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 8] , BOA domein generieke opsporing, aktenummer [...] van politie Eenheid Noord-Holland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 24 april 2015, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 5]:

(...)

Ik heb een administratie en advies bureau genaamd " [E] " aan huis. Mijn woning is gelegen aan de [e-straat 1] te [plaats] .

‘Bij een eerdere in gebreken gebleven debiteur heb ik incassobureau " [C CV] (Commanditaire Vennootschap)" ingeschakeld, dit was toentertijd goed bevallen.

(...)

Daarom heb ik in februari 2015 dit bureau weer ingeschakeld voor een mevrouw die een betalingsachterstand had van 986,- euro.

Op vrijdag 27 februari 2015 had ik telefonisch overleg met [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , eigenaar van het incassobureau. Hierin werd mij uitgelegd dat de klant niet akkoord ging met de vordering en dat daarom een procedure bij de rechtbank gestart moest worden.

Om deze procedure te bekostigen werd er door [C] om 12:27 uur een factuur gestuurd per email (emailadres: info@ [C] .nl) van 654,84 euro. Als het Vonnis in mijn voordeel zou zijn, zou ik dit bedrag teruggestort krijgen. De email werd onderschreven door [verdachte] . Ik heb deze dag het bedrag middels internetbankieren vanaf mijn bankrekening Rabobanknummer: [...] , overgemaakt naar bankrekening [...] ten name van [C] .

Op dinsdag 17 maart om 14:35 uur ontving ik een email van [C CV] waarin ik las dat er twee facturen diende betaald te worden in verband met de kosten van de Jurist die mij zou vertegenwoordigen bij de rechtszitting die zou plaatsvinden op vrijdag 20 maart 2015 zodat ik niet aanwezig hoefde te zijn. Dit waren twee bedragen van 750,25 euro en 296,50 euro die ik op deze dag middels internetbankieren heb overgemaakt.

Vervolgens ontving ik per email van [C] op woensdag 25 maart 2015 om 11:38 uur nog een email waarin ik las dat het vonnis aan mij was toegewezen. Hierin las ik een overzicht van de verrichte werkzaamheden en het nieuwe vorderingsbedrag op mijn klant.

Ik las ook dat er en deurwaarder ingezet moest worden waarvoor ik een factuur ontving per email op deze dag om 13:21 uur. De kosten zouden dan later verhaald worden op mijn klant. Het bedrag van de factuur à 1.231,37 euro heb ik overgemaakt op donderdag 26 maart 2015 naar [C] .

Eind maart 2015 heeft [verdachte] mij een aantal keer bericht per email dat hij het bedrag van 1.231,37 niet had ontvangen. Ik heb het daarna aangetoond met behulp van de Rabobank dat ik het bedrag wel had overgemaakt. [verdachte] bleef ontkennen dat het aangekomen was. Om alles toch in gang te kunnen zetten heb ik op 25 maart 2015 een bedrag van 617,- euro overgemaakt.

Omdat ik toen al achterdocht kreeg heb ik verzocht om aan te tonen welke werkzaamheden zij voor mij hadden verricht voor dat bedrag. Ik heb hiervan nooit bericht ontvangen.

Toen werd ik op donderdag 2 april 2015 gemaild door [verdachte] dat hij nog een bedrag misgelopen was van 307, toen ik [verdachte] belde naar telefoonnummer: 06- [...] , hoorde ik hem zeggen dat deze bankrekening geblokkeerd was.

Toen heb ik gezocht op internet bij de kamer van koophandel en zag ik dat het bedrijf [C] al op 24 maart 2015 failliet was verklaard. Ik begrijp hierdoor dat ik ben opgelicht.

Ook heeft mijn advocaat gesproken met de klant die aangaf het geld van 500,- euro overgemaakt te hebben naar [C] , dat het binnen is gekomen heeft [verdachte] mij ook bevestigd. Ook hoorde ik dat er tegen de klant helemaal geen procedure was gevoerd bij de rechtbank.

16. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: Er is op vrijdag 24 april 2015 aangifte gedaan door aangever [aangever 5] . [aangever 5] doet aangifte tegen [C CV] en [verdachte] ter zake oplichting. De oplichting vond plaats tussen 27 februari 2015 en vrijdag 24 april 2015.

(...)

V: We hebben inmiddels de gegevens van [aangever 5] erbij en willen je voorhouden wat er verklaard is;

"Aangever heeft een incassobureau, [C] ingeschakeld voor een betalingsachterstand van 986 euro van een klant. Eigenaar van dit incassobureau is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] . Na diverse contacten met [verdachte] nam hij telefonisch contact op met aangever en hem werd uitgelegd dat de klant niet akkoord ging met de vordering en dat daarom een procedure bij de rechtbank gestart werd.

Om de procedure via de rechtbank te bekostigen moest aangever een bedrag overmaken.

Als het vonnis in voordeel van aangever zou uitpakken dan zou hij dat geld weer terugkrijgen. Aangever heeft dat geld overgemaakt. Een dag later ontving aangever via de mail twee facturen die betaald moesten worden i.v.m. een jurist die hem zou vertegenwoordigen bij de rechtszitting. Aangever heeft deze rekeningen betaald middels internetbankieren."

V: Je geeft aan dat je werkzaamheden verricht hebt, heb je dat ook gedaan?

A: Dat denk ik niet.

V: Waarom verstuur je dan toch die facturen?

A: uiteindelijk heb ik geen werkzaamheden verricht en is het geld verbruikt aan andere zakelijke doeleinden.

V: Hij is benadeeld voor een bedrag van 3845,14 euro.

A: Oke.

V: hij heeft voor een opdracht van 986 euro een bedrag van 3845 euro betaald. Hoe kan dat?

A: Werkzaamheden in dienst (het hof begrijpt: in rekening) gebracht die niet uitgevoerd zijn.

Ten aanzien van de aangever [aangever 6]

17. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] (...), BOA domein generieke opsporing, aktenummer [...] van politie Eenheid Rotterdam, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 28 februari 2015, (...), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 6]:

(...)

Ik doe aangifte tegen [verdachte] , verdere gegevens onbekend welke eigenaar is van [C] .

(...)

Ik zal u verklaren wat er aan de hand is.

Ik heb een eigen schoonmaak bedrijf met de naam [H] , gevestigd [f-straat 1] te [plaats] .

Ik had een klant welke niet aan zijn betaalplicht voldeed waarop ik een incassobureau heb moeten inschakelen. Dit incassobureau was [C] C.V., KvK [...] gevestigd [g-straat 1] [plaats] , telefoonnummer [...] .

Via de website www. [C] .nl heb ik contact opgenomen met de eigenaar van [C] zijnde [verdachte] .

[verdachte] vertelde dat hij mijn zaken wilde behartigen en zou de crediteur aanschrijven. Ik vertrouwde het wel en ging met [verdachte] in zee.

Het contact liep via de website waarop ik in kon loggen zodat ik de voorgang van mijn dossier kon bijhouden.

Ik zag dat de brief in behandeling was genomen en ik ging ervan uit dat [verdachte] de financiële afhandeling was gestart, dit was echter niet het geval. Ik ontving rekeningen voor vervolgstappen voor een deurwaarders brief, bezoek aan de crediteur, opstarten rechtszaak, punten salaris jurist. Op dat moment begon ik te twijfelen en kreeg een gevoel dat [verdachte] mij aan het oplichten was. Ik heb verschillende mailtjes gestuurd naar [verdachte] waarin ik aangaf dat ik de zaak niet vertrouwde en de zaak wil stoppen en ook mijn geld terug wilde hebben omdat [verdachte] aan had gegeven dat hij op basis van No cure No pay werkte.

(...)

[verdachte] kwam keer op keer met verschillende smoesjes. Van deze mail wisseling heb ik een heel dossier, deze stel ik u ter beschikking mocht dit nodig zijn voor verder onderzoek.

Via de mail kreeg ik van [verdachte] te horen dat er een rechtszaak was opgestart op 18 juli 2104, omstreeks 13:30 uur. Welke rechtbank weet ik niet want dat vermeld de mail van [verdachte] niet.

Om een lang verhaal kort te maken kreeg ik niets meer te horen over de voortgang van de rechtszaak, wel dat het goed was verlopen, dat de crediteur aanwezig was en dat het vonnis toegekend was maar dat het nog wel vier weken zou kunnen duren. Ondertussen bleven de facturen van [verdachte] binnenstromen en kreeg ik een onbehagelijk gevoel en vroeg [verdachte] naar het vonnis zoals deze was uitgegeven door de rechtbank. [verdachte] bleef om de feiten heen draaien en heeft nooit het vonnis aan mij opgestuurd. Ik ben toen zelf een onderzoek gestart en heb ik met de bewindvoerder van de crediteur contact gehad. Deze bewindvoerder vertelde dat zijn cliënt nooit op de rechtbank is geweest en ook geen brieven hier omtrent te hebben ontvangen. Ik heb [verdachte] via de mail laten weten dat ik het idee had dat ik opgelicht werd door hem en vroeg hem gespecificeerde rekeningen te sturen en nogmaals de vraag om het vonnis in handen te krijgen. Ik heb [verdachte] ook een ultimatum gesteld van 24 uur. Ondertussen had ik rekeningen aan [verdachte] voldaan voor een bedrag van euro 1500,00 en heb [verdachte] ook medegedeeld dat ik niets meer zou betalen als ik geen inzage in mijn dossier zou krijgen.

(...)

Ik heb geen geld meer overgemaakt aan [verdachte] omdat ik ondertussen geïnformeerd had wat zo'n zaak mocht kosten. Dit was ongeveer euro 300,00.

18. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: Er is op zaterdag 28 februari 2015 aangifte gedaan door aangever [aangever 6] van het bedrijf ‘ [H] '. [aangever 6] doet aangifte tegen [C CV] en [verdachte] ter zake oplichting. De oplichting vond plaats tussen 19 mei 2014 en 28 februari 2015.

(...)

V: Hierbij is het eigenlijk hetzelfde verhaal. AAB heeft een bedrag van 1441,54 overgemaakt voor werkzaamheden die kennelijk niet verricht zijn.

A: Dat klopt. Hetzelfde als de zaken hiervoor. Ik heb die werkzaamheden niet verricht maar het geld ontvangen en dat geld gebruikt om andere rekeningen te betalen, het gat weer te dichten.

Ten aanzien van de aangever [aangever 7]

19. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 10] (...), BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Den Haag, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2016, (...), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 7]:

(...)

Ik doe aangifte van oplichting door [C] C.V, postbus [...] te [plaats] .

Ik heb in 2014 geld uitgeleend aan [betrokkene 6] , wonende op de [h-straat 1] te [plaats] . Ik heb [betrokkene 6] herhaaldelijk gevraagd om het geleende geld terug te betalen aan mij.

Ik heb echter het aan haar uitgeleende geld nooit teruggekregen.

In juni 2014 ben ik op zoek gegaan via het internet naar een incassobureau. Ik vond op internet het bedrijf [C] C.V.

(...)

Ik heb via de mail contact opgenomen met het bedrijf en gevraagd of het incassobedrijf mij kon helpen om de 400 euro terug te krijgen van [betrokkene 6] .

Op 3 juni 2014 heb ik de eerste factuur van [C] gehad. Dit was een factuur van 232,95 euro om een brief te sturen naar [betrokkene 6] .

[C] heeft namens mij een brief gestuurd naar [betrokkene 6] met dagtekening 04-06-2014 waarin zij werd gesommeerd om een bedrag van 474,21 euro binnen 5 dagen te betalen aan [C] .

(...)

Na de eerste factuur heb ik in de loop der tijd nog 8 andere facturen gehad van de firma [C] . Het totaal aan facturen is een bedrag van 10.586,24 euro. Ik heb al deze facturen betaald.

Het is voorgekomen dat ik sommige facturen meerdere malen heb betaald omdat [C] aangaf deze betaling niet te hebben ontvangen. Omdat het op een gegeven moment de facturen zo hoog werden heb ik deze in delen betaald.

Ik heb in totaal 14866,- euro betaald aan [C] . Ik heb 21 maal een bedrag overgemaakt op de girorekening [...] en 1 maal een bedrag op de rekening van [betrokkene 5] te weten [...] .

Ik heb het gevoel te zijn opgelicht doordat ik via mooie praatjes en door een samenweefsel van verdichtsels ben bewogen tot afgifte van 14866,- euro.

20. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 september 2016, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

(...)

O: Er is op vrijdag 1 juli 2016 aangifte gedaan door aangever [aangever 7] . [aangever 7] doet aangifte tegen [C CV] en N. [verdachte] ter zake oplichting. De oplichting vond plaats tussen 2 juni 2014 en 1 juni 2015.

V: (...) Bij hem is het begonnen. Ik heb hem dubbel laten betalen. En dat om extra geld binnen te krijgen, gewoon om alle gaten te dichten en te kunnen leven zoals ik leefde op dat moment.

21. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur, gedateerd 17-07-2014, (...) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

22. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , voornoemd, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2016, (...) inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

(...)

Door de ING Bank werd aan de politie de transacties verstrekt van de volgende bankrekeningen:

Rekening [...] ( [...] )

[C CV]

[g-straat 1]

[plaats] .

(...)

[...] betreft een zakelijke rekening van [C CV] . Op deze rekening is te zien dat:

(...)

Op deze rekening van [C] wordt in het jaar 2014 en 2015 totaal 87.040,11 bijgeschreven door de 6 aangevers.’

6. Aan de bewezenverklaring van feit 1 heeft het hof de volgende bewijsoverweging gewijd:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van feit 1:

Inleiding

Verdachte heeft in en vóór de ten laste gelegde periode een incassobureau, genaamd [C] , (opeenvolgend) als eenmanszaak, commanditaire vennootschap en als besloten vennootschap geëxploiteerd. Klanten konden zich tot verdachte wenden om openstaande vorderingen door hem te laten incasseren, eventueel met gebruikmaking van een deurwaarder. Verdachte heeft zijn klanten facturen verstuurd in verband met te verrichten of reeds verrichte werkzaamheden. Volgens verdachte heeft hij in een aantal zaken ook daadwerkelijk werkzaamheden verricht, maar heeft hij ook steken laten vallen. Door wijziging in de regelgeving met betrekking tot de bedrijfsvoering en door een te hoog privé uitgavepatroon is verdachte in de financiële moeilijkheden gekomen. Hij heeft daarom het geld van aangevers deels voor privézaken en deels voor andere zaken aangewend. Aangevers in deze zaak hebben zich op enig moment tot verdachte gewend en hebben verdachte opdracht gegeven om openstaande vorderingen te innen. Ze hebben gesteld dat zij hebben moeten betalen voor nooit verrichte werkzaamheden en dat zij door verdachte zijn opgelicht.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep aangegeven dat de intentie van verdachte in beginsel goed was en gesteld dat de pleegperiode in de zaken van alle zes aangevers dient aan te vangen met het moment van betaling van de eerste factuur en niet op 1 januari 2014. Voorts heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid.

Oordeel Hof

Voor een bewezenverklaring van oplichting is het volgende door de Hoge Raad geschetst kader van belang (Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889).

Niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin levert op het misdrijf oplichting.

Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.

Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een ‘bonafide’ deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte in de uitvoering van een incassobureau de aangevers in deze zaak facturen heeft gestuurd betreffende incassowerkzaamheden, wetende dat hij die werkzaamheden niet had verricht, noch zou gaan verrichten. Verdachte heeft door zo te handelen zich in ieder geval ten aanzien van de aangevers ten onrechte voorgedaan als een bonafide incassobureau. Daarnaast heeft verdachte zich telkens ook nog bediend van een of meer andere oplichtingsmiddelen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde periode overweegt het hof dat, gelet op het geringe verschil in de door de verdediging voorgestelde pleegperiode en de ten laste gelegde pleegperiode, het verschil in duur van die perioden voor de strafwaardigheid en de op te leggen straf niet uitmaakt, zodat (al) om die reden het hof de pleegperiode in de bewezenverklaring niet zal beperken.’

Het eerste middel

7. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring in het bijzonder voor zover inhoudend dat de verdachte ‘(telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’ zes personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen niet steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

8. Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder wordt geklaagd over ‘s hofs overweging dat de verdachte ‘in de uitvoering van een incassobureau de aangevers (...) facturen heeft gestuurd betreffende incassowerkzaamheden, wetende dat hij die werkzaamheden niet had verricht, noch zou gaan verrichten.’ Aangevoerd wordt dat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat de verdachte bij zes van de zeven aangevers reeds ten tijde van het versturen van de facturen wist dat hij geen werkzaamheden had verricht of zou gaan verrichten. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte bij aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij ‘van plan (was de opdracht) te gaan incasseren’ (bewijsmiddel 6) en dat hij bij aangever [aangever 5] op de vraag waarom hij dan toch de facturen verstuurde heeft geantwoord: ‘uiteindelijk heb ik geen werkzaamheden verricht en is het geld verbruikt aan andere zakelijke doeleinden’ (bewijsmiddel 16). Dat het hof deze (onderdelen van de) verklaring van de verdachte ‘klaarblijkelijk’ redengevend heeft geacht, zou ernstig afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie. Dat de verdachte voorschotten in rekening heeft gebracht die daarna werden gebruikt om andere rekeningen te betalen of zelfs vroeg om dubbele betalingen doet daaraan niet af, aldus de steller van het middel, omdat de mogelijkheid open blijft dat de verdachte een goede intentie had. Dat de verdachte door het blijven factureren zijn (civielrechtelijke) verplichtingen niet meer na kon komen, zou nog niet impliceren dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Alleen bij de aangever [aangever 3] zou, zo begrijp ik, uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte met het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling heeft gehandeld.

9. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte oprichter was van het incassobedrijf [C] C.V.. [C] C.V. is opgericht in 2012 en heeft bestaan tot 1 januari 2015 (bewijsmiddel 1). Tegen de verdachte is door [aangever 1] (en zijn dochter [aangever 2] ), [aangever 3] (namens [A] ), [aangever 4] (namens [B] B.V.), [aangever 5] (namens [E] ), [aangever 6] (namens [H] ) en [aangever 7] aangifte gedaan wegens oplichting. In 2014 en 2015 is door deze aangevers in totaal € 87.040,11 bijgeschreven op de rekening van [C] C.V. (bewijsmiddel 22). De aangevers verklaren elk dat zij contact hadden of kregen met de verdachte om deze incassowerkzaamheden voor hen te (laten) verrichten en dat zij in dat verband voor verschillende werkzaamheden aan de verdachte hebben betaald. Uit de aangiftes en uit verklaringen van de verdachte blijkt dat hij deze werkzaamheden niet heeft verricht.

10. Aangever [aangever 1] verklaart onder meer dat hij ‘steeds rekeningen (kreeg) van onkosten die (verdachte) zou hebben gemaakt’ en dat hij deze steeds heeft betaald (bewijsmiddel 2). Hij specificeert in een latere verklaring wanneer hij rekeningen heeft betaald, en verklaart daarbij ook dat verdachte hem op 20 januari 2015 ‘dwong’ om rekeningen die hij had betaald nog eens te betalen, en dat hij en zijn dochter op 24 december 2014 een rekening van € 4677,64 een aantal keren hebben betaald omdat verdachte telkens berichtte dat de betaling niet binnen was (bewijsmiddel 3). De dwang bestond erin dat verdachte aangaf dat hij als hij niet betaalde ‘helemaal niets meer terug zou krijgen’ (bewijsmiddel 4). Zijn dochter verklaart ook over het meermalen betalen van een rekening rond de kerst van 2014 (bewijsmiddel 5). De verdachte verklaart in verband met de aangifte van [aangever 1] dat er ‘dingen mis zijn gegaan’. Hij geeft aan dat hij de opdracht van [aangever 1] heeft aangenomen en ‘van plan (was) dat te gaan incasseren’. Hij geeft daarna aan dat [aangever 1] voorschotten heeft betaald voor werkzaamheden die verricht zouden worden maar nooit zijn uitgevoerd (bewijsmiddel 6). Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen de bewezenverklaring voor zover betrekking hebbend op aangever [aangever 1] en zijn dochter, in het bijzonder voor wat betreft het oogmerk van de verdachte, kunnen afleiden. Daaraan doet niet af dat het hof kennelijk geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte voor zover inhoudend dat hij (aanvankelijk) van plan is geweest de opdracht te gaan incasseren. Want dat (aanvankelijke) voornemen doet er niet aan af dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte nadien met het bewezenverklaarde oogmerk facturen heeft opgesteld en verstuurd aan aangever [aangever 1] in verband met (onder meer de in de bewezenverklaring omschreven) niet verrichte werkzaamheden (waaronder het hof kennelijk mede heeft begrepen: werkzaamheden die nooit zouden worden verricht). En dat hij met datzelfde oogmerk vervolgens heeft aangegeven dat hij het bedrag van de facturen niet had ontvangen en aan aangever heeft verzocht om nogmaals het bedrag over te maken (waarna dubbele betalingen volgden). Ik teken daarbij aan dat van handelen ‘met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ sprake is als de verdachte besefte dat dit handelen die wederrechtelijke bevoordeling ‘als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht’.4

11. Aangever [aangever 5] heeft verklaard dat hij incassobureau [C] C.V. heeft ingeschakeld voor een mevrouw die een betalingsachterstand had van € 986,-. Verdachte gaf in telefonisch overleg aan dat een procedure bij de rechtbank gestart moest worden en bracht daarvoor € 654,84 euro in rekening. Later werden twee facturen (van respectievelijk € 750,25 en € 296,50) verzonden en betaald in verband met de kosten van een jurist die aangever zou vertegenwoordigen bij een zitting. Daarna volgde een e-mail waarin werd gemeld dat ‘het vonnis’ aan aangever was ‘toegewezen’, met een overzicht van verrichte werkzaamheden en het nieuwe vorderingsbedrag op de klant, en een factuur van € 1.231,37 voor kosten van de deurwaarder. Na ontkenning door de verdachte dat dit bedrag was overgekomen heeft aangever nog een bedrag overgemaakt. Aangever heeft nadien vernomen dat tegen de klant helemaal geen procedure is gevoerd bij de rechtbank (bewijsmiddel 15). De verdachte geeft toe ‘uiteindelijk’ geen werkzaamheden te hebben verricht en het geld dat aangever heeft betaald te hebben ‘verbruikt aan andere zakelijke doeleinden’ (bewijsmiddel 16). Ook deze verklaring is redengevend voor de bewezenverklaring voor zover betrekking hebbend op aangever [aangever 5] . In deze verklaring ligt besloten dat geen werkzaamheden zijn verricht, terwijl voor die werkzaamheden wel kosten in rekening zijn gebracht. Het hof heeft het woord ‘uiteindelijk’ daarbij kennelijk opgevat en kunnen opvatten in die zin dat in de gehele periode waarin [aangever 5] facturen betaalde geen werkzaamheden zijn verricht. In de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte ligt niet besloten dat hij ooit van plan is geweest de in rekening gebrachte werkzaamheden daadwerkelijk te (laten) verrichten. Ik wijs er daarbij nog op dat het genoemde telefonisch overleg tussen de verdachte en [aangever 5] op 27 februari 2015 plaatsvond en dat zich bij andere aangevers ( [aangever 1] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 6] , [aangever 7] ) op dat moment al een praktijk had ontwikkeld waarin facturen werden verzonden voor werkzaamheden die niet werden verricht.

12. Bij de aangevers [aangever 4] , [aangever 6] en [aangever 7] heeft de steller van het middel geen specifieke klachten geformuleerd tegen de bewijsconstructie. De gang van zaken die uit de bewijsmiddelen naar voren komt, vertoont belangrijke overeenkomsten met de gang van zaken bij aangevers [aangever 1] en [aangever 5] . Aangever [aangever 4] heeft verklaard dat verdachte een zaak heeft gekregen, na een aantal weken retour kwam zonder resultaat, en dat hij voorstelde om een rechtszaak te starten. [aangever 4] heeft daarvoor € 2211,69 betaald. Daar moest een dag later € 226,45 bij ‘omdat hij een foutje had gemaakt’. Later nam verdachte contact op omdat een partij de vordering wilde overnemen; aangever zou € 6500 retour krijgen na een eerste betaling van € 3.957,87. Een en ander zou geregeld worden door [F] , een bestaand bedrijf dat later van niets bleek te weten (bewijsmiddel 11). Nadien is het bedrag van € 3.957,87 op aandringen van verdachte nogmaals betaald (bewijsmiddel 12). Verdachte verklaart dat met [aangever 4] ‘precies hetzelfde’ gebeurd is als met [aangever 1] , dat facturen zijn gestuurd en het geld voor andere doeleinden is aangewend en dat de naam van [F] is misbruikt (bewijsmiddel 13). Aangever [aangever 6] nam contact op met [C] C.V. vanwege ‘een klant welke niet aan zijn betaalplicht voldeed’. Hij ontving rekeningen voor ‘een deurwaarders brief, bezoek aan de crediteur, opstarten rechtszaak, punten salaris jurist’ en betaalde rekeningen voor een bedrag van € 1.500,00 (bewijsmiddel 17). Verdachte verklaart dat het hier hetzelfde is ‘als de zaken hiervoor’; hij heeft de werkzaamheden niet verricht en het geld gebruikt om andere rekeningen te betalen. Aangever [aangever 7] heeft incassobureau [C] C.V. in de arm genomen in verband met een onbetaalde rekening van € 400,00. De eerste factuur, van 3 juni 2014, betrof een rekening van € 232,95 voor het sturen van een brief. In totaal heeft [aangever 7] 21 bedragen betaald tot een totaal van € 14.866,00; sommige facturen zijn meerdere malen betaald omdat [C] C.V. aangaf dat de betaling niet was ontvangen (bewijsmiddel 19). Verdachte heeft verklaard dat het bij [aangever 7] is ‘begonnen’ en dat hij hem ‘dubbel (heeft) laten betalen. En dat om extra geld binnen te krijgen, gewoon om alle gaten te dichten en te kunnen leven zoals ik leefde op dat moment’ (bewijsmiddel 20).

13. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, voor zover de facturen aan de aangevers betrekking hadden op reeds verrichte werkzaamheden, wist dat hij deze niet had verricht. En het hof heeft uit de bewijsmiddelen eveneens kunnen afleiden dat de verdachte besefte (wist) dat hij gefactureerde toekomstige werkzaamheden niet zou verrichten. Ik wijs daarbij in het bijzonder op de verklaring van de verdachte in verband met de betalingen door [aangever 7] , waarmee het is ‘begonnen’, en die er (enkel) toe strekten ‘extra geld binnen te krijgen’, ‘gaten te dichten’ en zijn levensstijl te kunnen voortzetten. Verdachte plaatst derhalve de eerste betalingen zelf al niet in het kader van wederzijdse prestaties in het kader van de uitvoering van een overeenkomst. Ik wijs in dit verband ook op de verklaring van verdachte in relatie tot de aangifte van [aangever 3] : ‘Ik wist op dat moment, dus het moment van het maken van de factuur, dat die werkzaamheden niet verricht gingen worden’ (bewijsmiddel 9). Ook zonder expliciet te refereren aan de constructie van schakelbewijs heeft het hof deze verklaring mede redengevend kunnen achten voor de bewezenverklaring in zoverre deze op sterk vergelijkbare gedragingen in relatie tot andere aangevers betrekking heeft. Deze verklaringen van de verdachte weerspreken ook dat sprake was van ‘goede intenties’; het welbewust dubbel laten betalen van de aangevers is evenmin met die gestelde goede intenties verenigbaar. Of de verdachte op enig moment zijn civielrechtelijke verplichtingen niet meer zou kunnen waarmaken, is niet van belang in verband met de bewezenverklaring van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Daarvoor volstaat, als gezegd, dat de verdachte besefte dat zijn handelen wederrechtelijke bevoordeling ‘als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht’. Van wederrechtelijke bevoordeling is sprake als de verdachte overgemaakte bedragen niet aanwendt als overeengekomen maar deze ten eigen bate gebruikt voor andere doeleinden, zoals afbetaling van privéschulden.5 Dat verdachte op die wederrechtelijke bevoordeling niet slechts voorwaardelijk opzet had, ligt in de bewijsvoering besloten. Daarmee is derhalve ook niet sprake van een ‘omslagpunt’ waarop voorwaardelijk opzet zou zijn overgegaan in (minst genomen) noodzakelijkheidsbewustzijn, zoals de steller van het middel meent, en behoefde het hof in de bewijsvoering ook niet een dergelijk omslagpunt vast te stellen.

14. Al met al heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen bij elk van de aangevers heeft gepleegd ‘met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’. De bewezenverklaring, voor zover inhoudend dat de verdachte ten aanzien van alle aangevers heeft gehandeld met ‘het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’, is ook overigens niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Ik neem daarbij in aanmerking dat de raadsvrouw blijkens haar tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft aangevoerd dat ‘niet gezegd’ is dat de verdachte ‘vanaf het allereerste begin het oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen’ en meent dat ‘de pleegperiode ten minste aanvangt vanaf de dag dat de eerste factuur voor niet verrichte werkzaamheden is betaald per aangever’. Integrale vrijspraak van feit 1 is niet bepleit.

15. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

Ontzetting van het recht tot uitoefening van bepaalde beroepen

Het derde middel

Ambtshalve en afronding