Home

Parket bij de Hoge Raad, 26-06-2020, ECLI:NL:PHR:2020:648, 19/02846

Parket bij de Hoge Raad, 26-06-2020, ECLI:NL:PHR:2020:648, 19/02846

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 juni 2020
Datum publicatie
21 juli 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:648
Formele relaties
Zaaknummer
19/02846

Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Faillissementsrecht. Vervolg van HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2729 (prejudiciële uitspraak). Curator van failliet aannemingsbedrijf vordert betaling van aanneemsommen voor meerwerk. Ontstaansmoment en opeisbaarheid; vervangende schadevergoeding; art. 6:87 en 6:88 BW. Ongerechtvaardigde verrijking; contractuele rente?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02846

Zitting 26 juni 2020

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

mr. L.B.A. van Logtestijn q.q. (hierna: “de curator”)

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerster 3]

4. [verweerder 4]

5. [verweerder 5]

6. [verweerster 6]

7. [verweerder 7]

8. [verweerster 8]

9. [verweerster 9]

10. [verweerder 10]

11. [verweerster 11]

12. [verweerder 12]

13. [verweerder 13]

14. [verweerster 14]

15. [verweerder 15]

(hierna gezamenlijk aangeduid als “ [verweerders] ” en afzonderlijk met de achternaam met uitzondering van verweerders sub 6 en 8, die afzonderlijk worden aangeduid als ‘ [verweerster 6] ’ respectievelijk ‘ [verweerster 8] ’)

Dit is de tweede keer dat deze zaak aan Uw Raad wordt voorgelegd. Eerder heeft Uw Raad al prejudiciële vragen beantwoord over de consequenties van art. 37 Fw voor een op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering van de curator.1

Deze zaak ziet, kort gezegd, op het meerwerk waartoe een aannemer zich jegens [verweerders] verbonden heeft. Nadat de aannemer failliet is gegaan, heeft de curator meegedeeld de meerwerkovereenkomsten niet gestand te doen (art. 37 Fw). Vervolgens zijn de woningen na tussenkomst van Woningborg N.V. op basis van een regeling van het Garantie Instituut Woningbouw afgebouwd. De eerste termijn van de meerwerkopdrachtsom (25%) was door [verweerders] reeds aan de aannemer voldaan. De vordering van de curator ziet op de resterende 75%. Primair beroept hij zich op nakoming, subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking. [verweerders] bestrijden dat zij tot betaling van genoemde 75% gehouden zijn. Zij zijn beducht voor dubbelbetaling, omdat zij deze resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg hebben voldaan om de afbouw van de woningen mogelijk te maken. [verweerders] beroepen zich in dit verband onder meer op verrekening met hun schadevordering op de aannemer.

De rechtbank heeft het verrekeningsberoep afgewezen en de vordering op de primaire grondslag toegewezen. In hoger beroep heeft het hof de vordering op de primaire grondslag afgewezen, maar de vordering op de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking toegewezen onder verrekening van een eventuele schadevordering (die [verweerders] aanvankelijk aan Woningborg hadden gecedeerd maar in de loop van de procedure voorwerp is geweest van een retrocessie). Zo is vergoeding voor het daadwerkelijk verrichte meerwerk voor de boedel weggelegd, maar is tegelijkertijd voorkomen dat [verweerders] met eventuele schade blijven zitten.

In het principaal cassatieberoep komt de curator op tegen verschillende elementen uit de redenering van het hof. Zo wordt onder meer de afwijzing van de primaire grondslag bestreden en wordt ook het honoreren van het beroep van [verweerders] op verrekening onder vuur genomen. Bovendien verwijt de curator het hof dat het heeft miskend dat [verweerders] (al dan niet vanwege een vrijwillige keuze daarvoor) aanspraak hebben gemaakt op vervangende schadevergoeding, hetgeen volgens de curator meebrengt dat de boedel recht heeft op betaling van de gehele meerwerkopdrachtsom.

In het gedeeltelijk voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep komen [verweerders] onder meer op tegen de beslissing omtrent de aan de curator verschuldigde contractuele rente.

Leeswijzer. Deze conclusie is behoorlijk omvangrijk geworden. Dat heeft in de eerste plaats te maken met het feit dat in cassatie verschillende schakels in de redenering van het hof aan de kaak worden gesteld. Deze redenering is uiteindelijk in vijf tussenarresten en een eindarrest neergelegd. Uitvoerige weergave van feiten en procesverloop (par. 1 en 2) leek mij hier onontkoombaar. Daar komt bij dat in het principaal cassatieberoep een groot aantal thema’s aan de hand van een nog groter aantal klachten aan de orde wordt gesteld. Sommige van deze klachten vragen ook om een juridisch kader. Ook par. 4 is zo behoorlijk uitgedijd. Om het de lezer wat gemakkelijker te maken heb ik in par. 3 een inleidend overzicht opgenomen waarin de kern van het geschil wordt aangeduid en ook een voorschot wordt genomen op de behandeling van de klachten in het principaal cassatieberoep.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2

1.2

[A] B.V. (hierna: “ [A] ”) hield zich bezig met de bouw van kantoorgebouwen en woningen. Woningborg N.V. (hierna: “Woningborg”) is een verzekeringsmaatschappij. Zij was tevens een van de aangesloten organisaties bij het Garantie Instituut Woningbouw (hierna: “GIW”). Een doel van het GIW is om de consument bescherming te bieden in geval van een faillissement van een bij het GIW aangesloten ondernemer. [A] was via Woningborg aangesloten bij het GIW. Een bij het GIW aangesloten ondernemer is verplicht door het GIW vastgestelde modelcontracten te gebruiken.

1.3

[verweerders] wilden allen in het plan “ [het plan] ” aan [a-straat] in [plaats] gaan wonen. Tussen [A] en iedere verweerder zijn begin 2009 koop-/ aannemingsovereenkomsten tot stand gekomen volgens het model “Koop-/ aannemingsovereenkomst voor appartementsrechten met toepassing van de GIW garantie- en waarborgregeling, overeenkomstig het model, vastgesteld door het GIW op 1 januari 2007” (hierna: de koop-/aannemingsovereenkomsten).3 In de koop-/aannemingsovereenkomsten is [A] “ondernemer” genoemd en iedere verweerder “verkrijger”.

1.4

De koop-/aannemingsovereenkomsten bevatten onder meer de volgende bepalingen.

“(…)

Termijnen en betalingsregeling

Artikel 5

1. De termijnen van de koop-/aanneemsom zijn de volgende:

a. de grondkosten en de sub III.C. van deze akte bedoelde vergoeding: verschuldigd per de in het hoofd van deze akte genoemde datum van overeenkomen en te betalen bij de in artikel 1 van deze akte bedoelde levering:

b. de koop-/aanneemsom minus de grondkosten en minus de sub III.C. van deze akte bedoelde vergoeding te betalen in de volgende termijnen:

(...)

2. Behoudens het geval waarin de verkrijger recht op uitstel van betaling heeft zoals bedoeld in lid 5 van dit artikel, dan wel lid 7 van dit artikel, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijnen steeds opeisbaar veertien dagen na de dagtekening van een door of vanwege de ondernemer gedaan betalingsverzoek. Een betalingsverzoek geeft aan op grond van welk feit de ondernemer recht heeft op betaling, welke termijn het betreft en dat de betaling uiterlijk veertien dagen na de dagtekening door de ondernemer ontvangen dient te zijn.

3. Per de in het hoofd van deze akte genoemde datum van overeenkomen zijn de navolgende termijnen verschuldigd:

termijn grondkosten € * (inclusief alle belastingen)

termijn * (* datum aanvang bouw gebouw) € * (inclusief omzetbelasting)

termijn * (* datum werkzaamheden gereed) € * (inclusief omzetbelasting)

termijn * (* datum werkzaamheden gereed) € * (inclusief omzetbelasting)

(...)

6. Indien en voor zover de verkrijger een reeds opeisbaar gedeelte van de koop- /aanneemsom of enige andere uit hoofde van de op deze overeenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden opeisbare betaling niet op de daarvoor gestelde vervaldag heeft voldaan, en de bepalingen in het vorige lid van dit artikel niet van toepassing zijn, is de verkrijger daarover aan de ondernemer een rente van 8% per jaar verschuldigd, vanaf de dag van opeisbaarheid tot die van de voldoening, zulks onverminderd de verdere rechten en verplichtingen van partijen uit deze overeenkomst en/of tussen partijen nader te maken afspraken.

(...)

8. De rente als bedoeld in de leden 5 sub a.2 en b, 6 en 7 van dit artikel wordt vermeerderd met omzetbelasting.

9. Indien meerwerk overeengekomen wordt, zal de volgende betalingsregeling gelden:

- voor meerwerk geldt dat bij opdracht door de verkrijger 25% mag worden gedeclareerd door de ondernemer als vergoeding voor algemene en voorbereidende kosten. Het resterende gedeelte dient te worden gedeclareerd bij het gereedkomen van het meerwerk dan wel bij de eerst komende betalingstermijn daarna;

- de leden 2, 4, 5, 6, 7, en 8 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing ter zake van meerwerk;

- het meerwerk dient betaald te zijn vóór oplevering van het privé-gedeelte, mits het meerwerk gereed is.

(...)

Artikel 23

De ten laste van de verkrijger komende verplichtingen zijn ondeelbaar. Indien de appartementsrechten door meerdere personen gezamenlijk worden aangekocht, zijn deze hoofdelijk aansprakelijk voor het nakomen van de verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst.(…)”

1.5

De GIW garantie- en waarborgregeling 20074 luidt onder meer als volgt:

“(…) De insolventiewaarborg

Artikel 11

(...)

11.3

Indien ten gevolge van insolventie de ondernemer in gebreke blijft om de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na te komen, wordt de garantiegerechtigde door de verzekeringsmaatschappij schadeloos gesteld met inachtneming van de volgende voorwaarden en bepalingen.

De verzekeringsmaatschappij heeft bij de schadeloosstelling de keuze uit de volgende opties:

a. de verzekeringsmaatschappij betaalt de meerkosten voor de garantiegerechtigde voor het afbouwen van het huis c.q. het privé-gedeelte en gebouw ten opzichte van de oorspronkelijk overeengekomen (koop-/)aanneemsom;

b. de verzekeringsmaatschappij betaalt de reeds door de garantiegerechtigde betaalde termijnen en overige betalingen ter zake van de verkrijging aan de garantiegerechtigde terug, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot de dag der voldoening.

11.4

De garantiegerechtigde machtigt door ondertekening van de overeenkomst de verzekeringsmaatschappij onherroepelijk en bij uitsluiting om ingeval van insolventie van de ondernemer voor en namens hem/haar de gevolgen van de insolventie van de ondernemer te regelen, waaronder begrepen het voeren van onderhandelingen met de curator en het treffen van een afbouwregeling.

Voorts is de verzekeringsmaatschappij gerechtigd om al die maatregelen te nemen met betrekking tot het in aanbouw zijnde huis c.q. privé-gedeelte/gebouw die de verzekeringsmaatschappij nodig of nuttig oordeelt ter beperking of regeling van de schade.

11.5

De garantiegerechtigde is op straffe van verlies van zijn recht op schadeloosstelling verplicht aan de verzekeringsmaatschappij alle gevraagde inlichtingen, stukken en medewerking te verschaffen en is in het bijzonder verplicht zijn vordering op de ondernemer uit hoofde van de overeenkomst ter zake van de geleden schade en te lijden schade aan de verzekeringsmaatschappij te cederen.

11.6

Wanneer er door de verzekeringsmaatschappij een afbouwregeling wordt getroffen ontvangt de verkrijger - als onderdeel van de schadeloosstelling - een vergoeding van 0,5 promille van de oorspronkelijke (koop-)aanneemsom per te laat opgeleverde kalenderdag tot de dag der algehele oplevering, doch deze aanspraak kan eerst geldend worden gemaakt met ingang van de dag waarop het oorspronkelijk aantal overeengekomen kalenderdagen voor het privé-gedeelte met 10% is overschreden (met dien verstande dat de eerste 10% overschrijding niet wordt vergoed).

(…)

11.8

De totale schadeloosstelling inclusief de vergoeding wegens de overschrijding van het beschikbare aantal kalenderdagen is in ieder geval beperkt tot 17% van de koop-/aanneemsom ingeval van eigen grond of afgekochte erfpacht.

Indien de grond van het huis/gebouw in erfpacht is of wordt uitgegeven zonder afkoop van de erfpachtcanon, of door een derde aan de verkrijger is of wordt verkocht, is de schadeloosstelling beperkt tot 20% van de aanneemsom.

(...)

11.10

De verzekeringsmaatschappij kan met de Aangesloten Organisatie overeenkomen om bepaalde werkzaamheden in het kader van dit artikel uit naam van de verzekeringsmaatschappij uit te voeren. (...)”

1.6

[verweerders] hebben ieder een meerwerkopdracht aan [A] verstrekt, inhoudende diverse meerwerkwerkzaamheden. Zij hebben allen bij opdracht aan [A] een bedrag ter hoogte van 25% exclusief BTW van de meerwerkopdrachtsom betaald. [A] heeft op grond van de desbetreffende overeenkomsten meerwerkwerkzaamheden verricht. De curator heeft kopieën overgelegd van de voor iedere verweerder geldende eindfactuur, inhoudende de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom en de verschuldigde BTW.

1.7

[A] is bij vonnis van de rechtbank Breda van 3 november 2009 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator in die hoedanigheid.

1.8

De curator heeft desgevraagd bij mailbericht van 11 november 20095 aan Woningborg verklaard de koop- /aannemingsovereenkomsten ten aanzien van de woningen van [verweerders] geen gestand te doen.

1.9

Woningborg heeft er vervolgens voor zorggedragen dat de nog niet verrichte werkzaamheden aan de woningen van [verweerders] werden voltooid. De (privé-gedeelten van de) woningen zijn op 22 december 2009 aan [verweerders] opgeleverd.

1.10

Bij mailbericht van 28 mei 20106heeft Woningborg aan de curator meegedeeld dat verweerders overeenkomstig de GIW-regeling aan Woningborg volmacht hebben gegeven de gevolgen van het faillissement van [A] te regelen, inhoudende onder meer het treffen van een afbouwregeling en dat zij hun vordering op [A] uit hoofde van de koop-/aannemingsovereenkomst ter zake van geleden en te lijden schade aan Woningborg hebben gecedeerd. Door de schadeloosstelling van [verweerders] in natura is Woningborg voorts gesubrogeerd in de rechten die [verweerders] uit hoofde van de koop-/aannemingsovereenkomsten ten aanzien van [A] hadden.

1.11

Bij brief van 22 november 20107 aan Woningborg heeft de curator onder meer het volgende geschreven:

“(...)

De meerwerken waren voltooid. Om die reden zijn de slottermijnen van de meerwerken aan de Verkrijgers in rekening gebracht, zo is bij navraag gebleken. Hierdoor verzoek ik u namens de Verkrijgers binnen 8 dagen na dagtekening van deze brief te verklaren of zij - zo sprake zou zijn van toerekenbare tekortkomingen van gefailleerde (quod non) - opteren voor vervangende schadevergoeding dan wel voor partiële ontbinding in verband met de beweerde tekortkomingen.(...) ”

1.12

[verweerders] hebben bij brief van 6 januari 20118 onder meer aan de curator geschreven:

"(...)

Bovenaan blz. 2 van uw brief d.d. 22 november 2010 vraagt u de verkrijgers nog mede te delen of zij opteren voor vervangende schadevergoeding dan wel partiële ontbinding. Ook hierin kan ik u niet goed volgen.

Wat is in dit geval immers de zelfstandige betekenis van een partiële ontbinding, nu u gebruikt heeft gemaakt van het recht op wanprestatie en wanneer daarmee vaststaat dat u niet meer zult en hoeft na te komen en daarmee toerekenbaar tekort bent gekomen (en dus schadeplichtig bent) jegens de verkrijgers?

(…)"

2 Procesverloop

Eerste aanleg 9

2.1

In eerste aanleg heeft de curator na vermeerdering van eis gevorderd dat [verweerders] zouden worden veroordeeld tot betaling aan de curator van de volgende bedragen per gedaagde:

- [verweerder 1] : € 30.463,45;

- [verweerder 2] en [verweerster 3] hoofdelijk: € 20.003,60;

- [verweerder 4] : € 28.218,49;

- [verweerder 5] en [verweerster 6] hoofdelijk: een bedrag van € 18.309,28;

- [verweerder 7] : een bedrag van € 9.245,69;

- [verweerster 8] : een bedrag van € 39.518,69;

- [verweerster 9] : een bedrag van € 27.877,90;

- [verweerder 10] en [verweerster 11] hoofdelijk: een bedrag van € 20.135,09;

- [verweerder 12] : een bedrag van € 5.281,27;

- [verweerder 13] en [verweerster 14] hoofdelijk: € 4.079,49;

- [verweerder 15] : € 1.436,08,

deze bedragen te verhogen met de contractuele rente van 8% op jaarbasis, althans de wettelijke rente, vanaf 14 dagen na 27 oktober 2009 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast heeft de curator betaling van buitengerechtelijke incassokosten per gedaagde gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. Tot slot heeft de curator gevorderd dat [verweerders] hoofdelijk zouden worden veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

2.2

De curator heeft onder meer aangevoerd dat het meerwerk door [A] voltooid en gefactureerd was ter hoogte van bovengenoemde bedragen. Nadat [verweerders] verweer hebben gevoerd, heeft de rechtbank de vorderingen van de curator toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank als volgt overwogen. Nu de curator heeft aangegeven de koop-/aannemingsovereenkomsten geen gestand te zullen doen, heeft hij in beginsel op grond van art. 37 Fw zijn recht verloren om van zijn kant nakoming van een verbintenis uit de koop-/aannemingsovereenkomsten te vorderen. [verweerders] hebben echter vervolgens geen actie ondernomen toen de curator hen met een beroep op art. 6:88 BW heeft aangespoord snel duidelijk te maken welke actie zij naar aanleiding van de wanprestatie zouden instellen. Een dergelijke actie mocht op grond van art. 6:2 BW wel van hen verwacht worden. Nu zij dit niet hebben gedaan, is het verbod van art. 37 Fw aan de curator om nakoming te vorderen, niet langer van toepassing, aldus de rechtbank. Voorts was volgens de rechtbank de vordering inzake het meerwerk opeisbaar vanaf het tijdstip dat het meerwerk gereed was. Die feitelijke situatie heeft zich verwezenlijkt, ook al heeft [A] niet al het meerwerk zelf verricht. Het beroep van [verweerders] op verrekening met hun vordering tot schadevergoeding op [A] heeft de rechtbank vervolgens afgewezen. Volgens de rechtbank hebben [verweerders] geen schade geleden aangezien hun woningen zijn afgebouwd en de boven de koop-/aannemingssom uitstijgende kosten door Woningborg zijn vergoed. De rechtbank heeft voorts [verweerders] veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Hoger beroep

2.3

In hoger beroep hebben [verweerders] grieven gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van de curator, de afwijzing van hun beroep op verrekening en de overwegingen waarop deze beslissingen van de rechtbank zijn gebaseerd.

2.4

In het tussenarrest van 18 maart 2014 (hierna: “het eerste tussenarrest”) is het hof ingegaan op de stelling van de curator dat [verweerders] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep omdat zij niet een voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW zouden hebben. In dit verband heeft het hof partijen op de voet van art. 22 Rv een aantal vragen gesteld (rov. 4.5.3.) waarna het hof in zijn tussenarrest van 30 september 2014 (hierna: “het tweede tussenarrest”) heeft geoordeeld dat [verweerders] voldoende belang hebben bij hun hoger beroep (rov. 7.3.1.-7.3.3.). Omdat dit in cassatie nu niet van belang is, laat ik het bij deze vermelding.

Het tweede tussenarrest; art. 37 Fw en de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator

2.5

In het tweede tussenarrest heeft het hof eerst de inhoudelijke stellingen van de curator verkort weergegeven. Daarbij komt tot uitdrukking dat de curator zijn vordering primair op nakoming baseert, subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking:

“7.5. De curator heeft aan zijn vorderingen primair ten grondslag gelegd, dat [verweerders] hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de koop-/aannemingsovereenkomst dienen na te komen. De curator heeft betaling gevorderd van de in 4.1.6. van het tussenarrest genoemde, aan iedere appellant(e) verstuurde eindfactuur. Die eindfacturen hebben betrekking op de resterende 75% van de met die appellant(e) overeengekomen meerwerkopdrachtsom plus BTW. Subsidiair heeft de curator zich beroepen op ongerechtvaardigde verrijking van [verweerders] ”

2.6

Ook het verweer van [verweerders] heeft het hof de revue laten passeren:

“7.6. Als eerste komt aan de orde het verweer van [verweerders] dat de vorderingen van de curator op grond van artikel 5 lid 9 in combinatie met artikel 5 lid 2 van de koop- /aannemingsovereenkomsten op de faillissementsdatum niet opeisbaar waren omdat het meerwerk nog niet geheel gereed was. Volgens [verweerders] staat artikel 37 Fw er dan bij het niet gestand doen van die overeenkomsten aan in de weg dat de curator nakoming vordert van (enig bedrag van) de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom per appellant(e). (Zou het meerwerk geheel gereed zijn geweest, dan was volgens [verweerders] aan de curator betaling van het meerwerk toegekomen, memorie van grieven nr. 44).”

2.7

In dit verband heeft het hof een aantal omstandigheden benadrukt dat tussen partijen niet ter discussie staat:

“7.7. Het hof stelt voorop, dat partijen het er over eens zijn dat zich hier de in artikel 37 Fw bedoelde situatie voordoet dat er sprake is van wederkerige overeenkomsten tussen [A] en [verweerders] (de koop-/aannemingsovereenkomsten), die zowel door [A] als door [verweerders] niet of slechts gedeeltelijk zijn nagekomen. Tussen partijen is voorts niet in geschil, dat [A] in elk geval per appellant(e ) een deel van het overeengekomen meerwerk heeft verricht. Verder staat vast dat de curator heeft verklaard de koop-/aannemingsovereenkomsten niet gestand te doen (zie r.o. 4.1.8. van het tussenarrest). Artikel 37 Fw bepaalt dat bij het niet gestand doen van een dergelijke overeenkomst, de curator het recht verliest zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen.”

2.8

Daarop is de inhoudelijke beoordeling gevolgd van de grieven 5 tot en met 7 waarin [verweerders] het oordeel van de rechtbank hebben bestreden dat het uit art. 37 Fw voortvloeiende verbod aan de curator om nakoming te vorderen in dit geval buiten werking dient te blijven. Volgens het hof dienen die grieven in zoverre te slagen nu de reden die de rechtbank heeft gegeven voor haar oordeel dat art. 37 Fw geen werking heeft, volgens het hof niet klopt:

“7.8. Het hof zal eerst de in dit kader gevoerde grieven 5 tot en met 7 behandelen. Met deze grieven komen [verweerders] op tegen onder meer het oordeel van de rechtbank (r.o. 3.3.9.) dat het uit artikel 37 Fw voortvloeiende verbod aan de curator om nakoming te vorderen, in dit geval buiten werking dient te blijven. Hierover overweegt het hof als volgt. De curator heeft bij brief van 22 november 2010 aan [verweerders] gevraagd binnen 8 dagen een keuze te maken tussen partiële ontbinding en vervangende schadevergoeding (r.o. 4.1.11. van het tussenarrest). [verweerders] hebben daarop geantwoord bij brief van 6 januari 2011 (zie r.o. 4.1.12. van het tussenarrest). Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat zij noch in die brief, noch eerder een (duidelijke) keuze hebben gemaakt voor de vordering tot schadevergoeding, dan volgt in elk geval van rechtswege uit artikel 6:88 lid 1 aanhef BW dat zij niet meer kunnen kiezen voor ontbinding en dat de vordering tot schadevergoeding resteert. Aldus is er geen sprake geweest van de door de rechtbank geschetste onduidelijkheid (r.o. 3.3.8. en 3.3.9.). Evenmin is er, gelet op de feitelijke gang van zaken tussen partijen nadien, sprake geweest van het gebrek aan een actie of verweermiddel van [verweerders] , waarop de rechtbank in genoemde rechtsoverwegingen wijst. Derhalve is er ook geen reden om op die grond het in artikel 37 Fw neergelegde verlies van het recht op nakoming van de curator buiten toepassing te laten. In zoverre slagen de grieven 5 tot en met 7.”

2.9

Het hof heeft het beroep van [verweerders] op rechtsverwerking laten sneuvelen:

“7.9. Overigens betekent het enkele feil dat de curator in de brief van 22 november 2010 schrijft dat bij niet gestand doen van de overeenkomst de verplichting tot betaling van toekomstige leveringen vervalt, niet dat de curator zijn recht heeft verwerkt om nakoming van de koop-/aannemingsovereenkomsten te vorderen (zoals [verweerders] stellen, onder meer in memorie van grieven nr. 60). Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien de curator zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [verweerders] het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de curator zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van [verweerders] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de curator zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Nu naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk is, dat de curator zich in genoemde brief per abuis op zeer oude jurisprudentie met betrekking tot artikel 37 (oud) Fw. heeft beroepen, is er alleen al daarom geen sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Ook overigens hebben [verweerders] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat is voldaan aan bovenstaande vereisten voor rechtsverwerking.”

2.10

Het hof heeft vervolgens stilgestaan bij de vraag of het meerwerk op de faillissementsdatum geheel gereed was. Volgens de curator was dat het geval, maar het hof heeft anders geoordeeld:

“7.10. Vervolgens gaat het hof, met het oog op de stellingen van [verweerders] over het niet opeisbaar zijn van de vorderingen van de curator, over tot beantwoording van de vraag of het meerwerk op de faillissementsdatum geheel gereed was. Voor zover de curator ook in hoger beroep nog steeds bedoelt te betogen dat [A] op de faillissementsdatum het meerwerk per appellant(e) geheel had afgerond, wordt het volgende overwogen. Tegenover de door [verweerders] gemotiveerde en met stukken onderbouwde betwisting (onder meer prod. 1 bij conclusie antwoord en conclusie van dupliek, nrs 31 tot en met 37 en 96 tot en met 167), had het op de weg van de curator gelegen zijn inconsistente stellingen over het gereed zijn van het meerwerk vóór de faillissementsdatum nader te onderbouwen. Echter, de curator heeft op dit punt juist zijn eerdere, inconsistente stellingen gehandhaafd. Zo heeft hij in navolging van [verweerders] gesteld (onder meer memorie van grieven nr. 18), dat Woningborg na het faillissement van [A] tot afbouw voor [verweerders] is overgegaan (zie hierover ook r.o. 4.1.9. van het tussenarrest). Vaststaat dat Woningborg daarbij onder andere gebruik heeft gemaakt van de diensten van de heer [betrokkene], uitvoerder van [A] . Bij het door de curator overgelegde mailbericht van 15 december 2009 (prod. 18 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de curator aan Woningborg bevestigd dat hij een factuur aan haar zal toezenden voor de inleen van de heer [betrokkene]. Bij conclusie van repliek (nrs 16 respectievelijk 18) stelt de curator dat “de meerwerken nagenoeg gereed waren” en dat “nagenoeg al het meerwerk was voltooid”. In hoger beroep spreekt de curator meerdere malen over de door Woningborg verrichte afbouw en over “restpunten” (memorie van antwoord nr. 53) en stelt hij dat “de meeste meerwerken gereed waren ten tijde van het faillissement". Ten tijde van het pleidooi in hoger beroep ten slotte heeft de advocaat van de curator desgevraagd over het meerwerk bevestigd dat niet alles was afgemonteerd en dat dus toegegeven moest worden dat niet alles af was. Gelet op het voorgaande, heeft de curator naar het oordeel van het hof niet voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van het gereed zijn gekomen van al het meerwerk. Nu de curator evenmin voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het meerwerk voor bepaalde specifieke appellanten wel gereed was, moet het hof het er voor houden dat [A] bij geen van appellanten het meerwerk op de faillissementsdatum geheel had voltooid. Aan bewijslevering hierover wordt niet toegekomen.”

2.11

Daarna is het hof toegekomen aan de vraag of de vordering jegens iedere verweerder tot het nakomen van de resterende verplichting tot betaling van het overeengekomen meerwerk opeisbaar is geworden per meerwerkpost bij het gereedkomen daarvan (uitleg curator) of pas bij het gereedkomen van het gehele met de betrokken verweerder overeengekomen meerwerk (uitleg [verweerders] ). Het hof heeft [verweerders] gevolgd in hun uitleg:

“7.11.2. Naar het oordeel van het hof is de door [verweerders] gestelde uitleg juist. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Iedere appellant(e) heeft al een bedrag aan [A] betaald ter grootte van 25% van de totale met die appellante(e) overeengekomen meerwerkopdrachtsom. Artikel 5 lid 9 bepaalt dat: “het resterende gedeelte dient te worden gedeclareerd bij het gereedkomen van het meerwerk”. [A] heeft de resterende 75% van het meerwerk per appellant(e) in zijn geheel gedeclareerd, zoals blijkt uit de facturen gedateerd 27 oktober 2009 (producties 5 tot en met 13 bij dagvaarding in eerste aanleg). Op die facturen is onder meer het volgende vermeld: “(...) Hierbij factureren wij U volgens de aanneemovereenkomst betreffende [het plan] te [plaats] het overeengekomen meer- minderwerk. Restant van het overeengekomen meer minderwerk volgens ingesloten overzicht meer- minderwerk. (...)”. Daarbij zijn de bedragen van het gehele meerwerk per appellant(e) vermeld. Gelet op (i) voornoemde tekst van artikel 5 lid 9 van de koop-/aannemingsovereenkomsten, (ii) het feit dat [A] het meerwerk niet per post maar in zijn geheel declareerde en (iii) de daarop aansluitende tekst van voornoemde facturen, had het op de weg van de curator gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die de door hem gestelde uitleg van opeisbaarheid per meerwerkpost onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Dat als bijlage bij de facturen een overzicht is gevoegd waarop de diverse meerwerkposten zijn gespecificeerd, is hiertoe niet voldoende. Iedere appellant(e) kon na het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst uit de meer-/minderwerklijst kiezen voor welke meer- /minderwerkopties hij koos. Daaruit kan, anders dan de curator lijkt te betogen, niet worden afgeleid dat daarmee voor iedere afzonderlijke meerwerkpost een aparte betalingstermijn ging gelden, die bij het gereedkomen van die meerwerkpost opeisbaar werd. Anders dan de curator in de memorie van antwoord (nr. 100) aanvoert, gaat ook de rechtbank in r.o. 3.4.1. van het bestreden vonnis uit van voornoemde uitleg zoals gesteld door [verweerders] De rechtbank overweegt immers, dat er sprake is van opeisbaarheid bij het gereedkomen van het meerwerk en dat dit feit heeft plaatsgevonden na het faillissement (hof: toen het meerwerk alsnog geheel is afgerond). Aldus leidt het niet richten van een grief door [verweerders] tegen de door de rechtbank gegeven uitleg er niet toe, dat de uitleg van de curator is komen vast te staan. De stelling van de curator dat artikel 7:767 BW met zich brengt, dat de curator iedere meerwerkpost afzonderlijk kan vorderen (conclusie van repliek nr. 21) kan het hof niet volgen. Deze wetsbepaling is bedoeld om de gehoudenheid van de opdrachtgever tot vóórfinanciering te begrenzen, niet om de vorderingen van de aannemer eerder opeisbaar te doen zijn dan afgesproken in de overeengekomen termijnregeling.”

2.12

Ook de stelling van de curator in dit verband dat de keuze van [verweerders] voor vervangende schadevergoeding leidt tot de fictie dat het meerwerk alsnog gereed was gekomen met als gevolg opeisbaarheid van de vorderingen, heeft geen genade gevonden bij het hof:

“7.12.1. Uit het voorgaande volgt, dat de vorderingen van de curator tot betaling van de in 7.5. genoemde facturen noch op de factuurdatum, noch op de faillissementsdatum (geheel of gedeeltelijk) opeisbaar waren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, acht het hof de stelling van de curator (onder meer conclusie van repliek nr. 24) dat de keuze van [verweerders] voor vervangende schadevergoeding leidt tot de fictie dat het meerwerk alsnog gereed is gekomen met als gevolg opeisbaarheid van de betreffende vorderingen, onvoldoende begrijpelijk. Om die reden passeert het hof deze stelling.”

2.13

Het feit dat een derde het meerwerk alsnog heeft voltooid, leidt volgens het hof ook niet tot een ander oordeel over de niet-opeisbaarheid van de genoemde facturen:

“7.12.2. Naar het oordeel van het hof heeft het alsnog door een derde voltooien van het meerwerk na het faillissement er evenmin toe geleid dat genoemde vorderingen van de curator alsnog opeisbaar zijn geworden. Als onvoldoende betwist door de curator staat vast dat de afbouw heeft plaatsgevonden op grond van een geheel nieuwe overeenkomst (met die derden). Dat dit alsnog tot opeisbaarheid van de bewuste vorderingen heeft geleid is een niet voor de hand liggende uitleg van de overeenkomst tussen [A] en iedere appellant(e). De curator heeft onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat dit de bedoeling was van partijen en dat zij dit zijn overeengekomen. In zoverre slaagt grief 9.”

2.14

Daarna heeft het hof herhaald dat vaststaat dat [A] vóór haar faillissement meerwerkwerkzaamheden heeft verricht waarvoor zij behoudens de eerste termijn van 25% geen betalingen heeft ontvangen. Vervolgens heeft het hof in de erkenning door [verweerders] dat de tegenprestatie voor het door [A] daadwerkelijk verrichte meerwerk per appellant(e) hoger is dan de reeds betaalde 25% van de met de appellant(e) overeengekomen meerwerkopdrachtsom, aanleiding gezien om na te gaan of een lager bedrag dan gevorderd is kan worden toegewezen: namelijk de tegenprestatie voor het daadwerkelijk verrichte meerwerk (rov. 7.13.). In dat kader heeft het hof als volgt overwogen:

“7.14.1. Voor zover de curator ook in hoger beroep nog steeds bedoelt te betogen dat zijn vorderingen geheel voor toewijzing in aanmerking komen, overweegt het hof als volgt. Een eventuele toewijzing van deze vorderingen kan hooguit betrekking hebben op het bedrag per appellant(e), dat de tegenprestatie vormt voor daadwerkelijk door [A] vóór de faillissementsdatum ten behoeve van die appellant(e) verricht meerwerk. Dat meerwerk werkzaamheden die na faillissementsdatum door anderen dan [A] zijn verricht aan de curator zouden moeten worden betaald, volgt niet uit de koop-/aannemingsovereenkomsten. Ook overigens is hiervoor geen geldige grondslag gesteld. De stellingen van de curator zullen hierna dan ook worden beoordeeld (en weergegeven) alsof zij slechts betrekking hebben op betaling van die bedragen, die betrekking hebben op het daadwerkelijk door [A] gerealiseerde gedeelte van het meerwerk.”

2.15

Het hof heeft in dit kader aangegeven nadere informatie van partijen nodig te hebben:

“7.14.2. Ten aanzien van de omvang van de bedragen waarvoor [A] daadwerkelijk meerwerk heeft verricht, overweegt het hof nu alvast het volgende. Indien de vorderingen van de curator in het vervolg van deze procedure tot de bedragen van dit daadwerkelijk verrichte meerwerk in beginsel voor toewijzing in aanmerking zullen komen, dient de hoogte van die bedragen te worden vastgesteld. Hoewel beide partijen zich over de hoogte van die bedragen hebben uitgelaten, is deze discussie naar het oordeel van het hof nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Dit betekent dat in het voorkomende geval in beginsel nadere informatie van partijen gewenst zou zijn. Of deze nadere informatie relevant is, kan echter pas worden beoordeeld na beantwoording door de Hoge Raad van de in 7.15. en verder te behandelen prejudiciële vraag. Indien relevant, zal het hof partijen in het vervolg van deze procedure in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten over voornoemde bedragen. Op basis van de stukken in dit geding tot nu toe en de op dit moment beschikbare informatie gaat het hof er overigens voorlopig van uit, dat een substantieel gedeelte van het meerwerk door [A] is verricht. Het enkele feit dat volgens de stellingen van [verweerders] nog voor € 176.175.07 aan meerwerk door Woningborg is uitgevoerd maakt dit vooralsnog niet anders. De curator heeft dit gemotiveerd en onderbouwd betwist. Bovendien kunnen hogere bedragen dan de oorspronkelijk overeengekomen bedragen gemoeid zijn met afbouw door een andere partij dan de oorspronkelijke aannemer. Daarnaast staat vast dat het voltooien van het meerwerk relatief kort heeft geduurd, nu de oplevering van de woningen drie weken na het begin van de afbouw heeft plaatsgevonden.”

2.16

Daarop heeft het hof de te beantwoorden rechtsvraag geformuleerd:

“7.15. Gelet op al het bovenstaande ligt eerst ter beantwoording de volgende rechtsvraag voor:

Verliest de curator ingevolge artikel 37 lid 1 Fw het recht om nakoming te vorderen van de verplichting tot betaling van de overeengekomen en door [A] vóór de faillissementsdatum daadwerkelijk verrichte meerwerk werkzaamheden, terzake waarvan op de faillissementsdatum de afgesproken betalingstermijnen (nog) niet opeisbaar waren?”

2.17

Vervolgens heeft het hof de standpunten van partijen met betrekking tot deze rechtsvraag weergegeven:

“7.16.1. Naar het hof begrijpt, luidt het standpunt hierover van [verweerders] als volgt (zie onder meer hierboven [bedoeld zal zijn rov. 7.6., randnummer 2.6 van deze conclusie, A-G] en in conclusie van antwoord nrs. 74 en 88, memorie van grieven nrs 45 en 82 en pleitnota in hoger beroep nr. 24). De curator heeft, door het niet gestand doen van de koop-/aannemingsovereenkomsten en dus het niet afmaken van het meerwerk, gebruik gemaakt van zijn wettelijk recht op wanprestatie. Ingevolge artikel 37 Fw betekent dit, dat hij niet meer bevoegd is om nakoming van de vorderingen inzake het meerwerk te vorderen, nu deze (op grond van artikel 5 lid 9 van de koop-/aannemingsovereenkomsten) niet-opeisbaar waren op de faillissementsdatum (en deze dit nadien niet meer konden worden).

7.16.2.

Uit de stellingen van de curator (onder meer conclusie van repliek nr. 16 en memorie van antwoord nr. 100) begrijpt het hof dat hij zich er op beroept: (i) dat (mede op basis van artikel 7:767 BW en een restrictieve uitleg van artikel 37 Fw) de curator in elk geval recht heeft op betaling van de daadwerkelijk door [A] gerealiseerde meerwerk werkzaamheden en (ii) dat het meerwerk door afbouw door Woningborg uiteindelijk in elk geval is gereedgekomen op 22 december 2009 (de opleveringsdatum), zodat de vorderingen van de curator alsnog opeisbaar zijn geworden en betaald dienen te worden door [verweerders] ”

2.18

Daarna is het hof ingegaan op (onduidelijkheden bij toepassing van) art. 37 Fw:

“7.17.1. De letterlijke tekst van artikel 37 lid 1 Fw lijkt het standpunt van [verweerders] te ondersteunen. In de Parlementaire Geschiedenis (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 387 tot en met 390) wordt geen duidelijkheid gegeven over de vraag of het verlies van het recht om nakoming te vorderen ook betrekking heeft op vóór faillissement door de gefailleerde verrichte werkzaamheden. Uit literatuur en jurisprudentie op dit punt blijkt dat er de nodige onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw in een situatie als deze (zie onder meer de stukken van partijen, memorie van grieven nr. 81 e.v. en memorie van antwoord nr. 77 e.v. en bijvoorbeeld: T. T. van Zanten, De overeenkomst in het insolventierecht, 2012, § 4.7.1.2.2., F.M.J. Verstijlen, De betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement, Preadvies voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, 2006, § 6.1., N.E.D. Faber, Verrekening, 2005. nr. 448, rechtbank 's-Gravenhage 18 juli 2012, met annotatie van J.J. van Hees, JOR 2012/308, annotatie H. Brouwer bij Raad van Arbitrage voor de Bouw, 13 februari 2013, TBR, 2013/190 en Gerechtshof Arnhem Leeuwarden, 25 februari 2014, met annotatie van T. T. van Zanten, JOR 2014/146). Daarbij komt ook de vraag aan de orde, of artikel 37 Fw restrictief dient te worden uitgelegd in die zin, dat het verlies van het recht om nakoming te vorderen geen betrekking heeft op de vordering tot nakoming van de tegenprestatie voor de al door de gefailleerde vóór de faillietverklaring verrichte werkzaamheden.”

2.19

Vervolgens heeft het hof het belang benadrukt van de beantwoording van de in rov. 7.15. geformuleerde en met het oog op het voorleggen aan Uw Raad nog enigszins aangepaste rechtsvraag (hiervoor randnummer 2.16). Daarbij heeft het hof ook de mogelijke eindbeslissingen – afhankelijk van de wijze van beantwoording van de prejudiciële vraag door Uw Raad – in beeld gebracht:

“7.17.2. Beantwoording van bovenstaande in r.o. 7.15. geformuleerde rechtsvraag, die het hof hierna met het oog op het voorleggen aan de Hoge Raad enigszins zal herformuleren, is nodig ter beslechting van het geschil.

Beantwoordt de Hoge Raad de rechtsvraag in bevestigende zin, dan zal het hof de op nakoming van de koop-/aannemingsovereenkomsten gebaseerde vorderingen van de curator afwijzen. Er resteert vervolgens nog slechts het beroep van de curator op ongerechtvaardigde verrijking. Dit kan het hof dan, in het licht van de beantwoording door de Hoge Raad van genoemde rechtsvraag, beoordelen. Wordt de rechtsvraag door de Hoge Raad ontkennend beantwoord, dan kan vervolgens de omvang van de in beginsel toe te wijzen bedragen [te] worden vastgesteld en zal daarna het beroep van [verweerders] op verrekening aan de orde komen.

7.17.3.

Beantwoording van bovenstaande rechtsvraag is eveneens van belang voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet. Daarbij gaat het niet alleen om situaties waarin de aannemer in staat van faillissement wordt verklaard vóór het afronden van het aangenomen werk. Het kan ook gaan om soortgelijke situaties bij faillissementen in andere branches en in andere rechtsverhoudingen.”

2.20

Het hof heeft daarop de volgende prejudiciële vraag voorgesteld:

“7.18. (…)

Verliest een curator die een slechts gedeeltelijk nagekomen aannemingsovereenkomst niet gestand doet, ingevolge artikel 37 lid 1 Fw het recht om nakoming te vorderen van de verplichting tot betaling voor door de gefailleerde vóór de faillissementsdatum daadwerkelijk verrichte (meerwerk) werkzaamheden, terzake waarvan op de faillissementsdatum de in de aannemingsovereenkomst overeengekomen betalingstermijnen (nog) niet opeisbaar waren?”

2.21

Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over deze prejudiciële vraag (rov. 7.19.). Iedere verdere beslissing heeft het hof aangehouden (rov. 7.20.).

Het tussenarrest van 24 maart 2015; andere prejudiciële vraag geformuleerd

2.22

In zijn tussenarrest van 24 maart 2015 (hierna: “het derde tussenarrest”) heeft het hof uit de uitlatingen van partijen naar aanleiding van de door het hof voorgestelde prejudiciële vraag (randnummer 2.20) afgeleid dat het debat tussen partijen zich niet langer toespitst op de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator, maar juist ook betrekking heeft op het ontstaan van die vorderingen:

“10.2.1. Mede op grond van de nadere stellingen van beide partijen in hun hierboven onder 9. genoemde akten overweegt het hof als volgt. In de eerdere processtukken spitste het debat tussen partijen zich onder meer toe op de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator tot nakoming van de betalingsverbintenissen van [verweerders] inzake het meerwerk en op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw. [verweerders] brengen in hun akte na het tussenarrest (nrs 7 tot en met 9) nadrukkelijk het onderscheid naar voren tussen het ontstaan van het vorderingsrecht van de aannemer en de opeisbaarheid (14 dagen na factuurdatum) daarvan. Zij stellen dat in het geval dat een aannemingstermijn op het moment van faillissement slechts gedeeltelijk is gepresteerd, contractueel gezien het vorderingsrecht van de aannemer nog niet is ontstaan. Naar het hof begrijpt, stellen [verweerders] zich op het standpunt dat de bovengenoemde vorderingen van de curator tot nakoming van de betalingsverbintenissen van [verweerders] op de faillissementsdatum nog niet waren ontstaan en evenmin daarna zijn ontstaan (zie ook conclusie van antwoord, nr. 81).

Ook de curator maakt zowel in zijn stellingen als in zijn herformulering van de door het hof voorgestelde vraag onderscheid tussen het ontstaan van de betalingsverbintenissen van de opdrachtgever en de opeisbaarheid daarvan. De curator voert verder aan, naar het hof uit diens stellingen begrijpt, dat indien artikel 37 lid 1 Fw als zodanig niet aan zijn vorderingen tot nakoming in de weg staat er nog een ander obstakel is. Daarmee doelt hij onder meer op de vaststelling van het hof dat de meerwerktermijnen op de faillissementsdatum nog niet gereed waren en dat derhalve de vorderingen van de curator tot nakoming niet opeisbaar waren. (De curator behoudt zich overigens het recht voor in cassatie op te komen tegen de aldus door het hof vastgestelde niet-opeisbaarheid.).”

2.23

Het hof heeft hieraan consequenties verbonden voor de inhoud van de aan Uw Raad voor te leggen prejudiciële vraag. Bij nader inzien gaat het in deze zaak niet zozeer om de (niet-) opeisbaarheid van de vorderingen van de aannemer (c.q. curator), maar meer nog om het al of niet ontstaan van die vorderingen:

“10.2.2. Mede naar aanleiding van bovenstaande stellingen van partijen is het hof nu tot de conclusie gekomen dat hier meer nog dan de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator (in beginsel 14 dagen na factuurdatum) het al dan niet ontstaan van die vorderingen relevant is. Bij aanneming van werk geldt als uitgangspunt dat tenzij anders overeengekomen, de betalingsverplichting van de opdrachtgever ontstaat op het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst is tot stand gebracht en opgeleverd. In de koop-/aannemingsovereenkomsten zijn [verweerders] en [A] een termijnenregeling voor de betaling overeengekomen, welke termijnen zijn gekoppeld aan een bepaalde stand van het werk. Ten aanzien van het meerwerk zijn partijen de volgende termijnen overeengekomen (artikel 5 lid 9 in verbinding met artikel 5 lid 2 van de koop-/aannemingsovereenkomsten): 25% mag worden gedeclareerd bij de opdracht (dit deel is ook door [verweerders] betaald) en de overige 75% eerst bij het gereedkomen van het meerwerk. Aldus geldt, mede gelet op voornoemd algemeen uitgangspunt, dat elke appellant(e) pas betaling van de resterende 75% van het overeengekomen meerwerk verschuldigd wordt bij het gereedkomen van het gehele met die appellant(e) overeengekomen meerwerk. Daarbij verwijst het hof tevens naar r.o. 7.11.1. tot en met 7.12.2. van het tussenarrest, die hier van overeenkomstige toepassing zijn. Op de faillissementsdatum had [A] bij geen van de appellanten het overeengekomen meerwerk geheel voltooid (r.o. 7.10. van het tussenarrest). Gelet op het voorgaande geldt dat de vorderingen van de curator tot betaling van het meerwerk op de faillissementsdatum nog niet (geheel of gedeeltelijk) waren ontstaan en dat deze evenmin daarna zijn ontstaan toen het meerwerk door derden is voltooid. Dit betekent dat van een recht op nakoming van de bewuste verbintenissen tot betaling van het meerwerk alleen al om die reden geen sprake kan zijn. Derhalve kunnen de vorderingen van de curator in elk geval niet worden toegewezen op de primair gestelde grondslag. Ook brengt dit mee dat de door het hof in bovengenoemd tussenarrest aan partijen voorgelegde prejudiciële vraag geen beantwoording behoeft.”

2.24

Vervolgens heeft het hof het voornemen uitgesproken een andere prejudiciële vraag aan Uw Raad voor te leggen, die betrekking zou hebben op de subsidiaire grondslag van de vorderingen van de curator (ongerechtvaardigde verrijking) en heeft het hof de rechtsvraag geherformuleerd:

“10.3.1. Het hof is echter nu voornemens een andere prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. Daartoe overweegt het hof als volgt. De curator beroept zich subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking van [verweerders] als gevolg van het door [A] vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk (onder meer conclusie van repliek nrs 25 tot en met 32 en memorie van antwoord nr. 42, zie ook tussenarrest r.o. 7.5.).

In dat kader rijst als eerste de rechtsvraag of geldt dat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd kan zijn, gelet op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw en op het gegeven dat die verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling.”

2.25

Het hof heeft die rechtsvraag als volgt uitgewerkt:

“10.3.2. In verband met eerstgenoemd punt overweegt het hof als volgt. Op grond van het in 1992 ingevoerde artikel 37 lid 1 Fw wordt een wederkerige overeenkomst die zowel door de schuldenaar ( [A] ) als door zijn wederpartij ( [verweerders] ) slechts gedeeltelijk is nagekomen en die door de curator niet gestand wordt gedaan, niet langer van rechtswege ontbonden. Dit was wel het geval ingevolge artikel 37 (oud) Fw. Indien die wederpartij ( [verweerders] ) niet kiest voor ontbinding, ontstaan er derhalve geen ongedaanmakingsverplichtingen als bedoeld in artikel 6:272 BW. Derhalve ontstaat er dus ook op die grond geen verplichting tot vergoeding van de door de schuldenaar vóór de faillissementsdatum al verrichte werkzaamheden. Artikel 37 lid 1 Fw bepaalt voorts dat de curator het recht verliest om zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen. In de literatuur en jurisprudentie bestaat zeer veel onduidelijkheid over de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw. Daarbij wordt onder meer gepleit voor een restrictieve uitleg, in die zin dat het recht blijft bestaan om nakoming te vorderen van vóór de faillissementsdatum verrichte prestaties. Zoals in het bovenstaande al overwogen, kunnen de onderhavige vorderingen van de curator tot nakoming alleen al niet worden toegewezen omdat deze op de faillissementsdatum nog niet waren ontstaan en ook daarna niet meer zijn ontstaan. In zoverre mist artikel 37 lid 1 Fw hier rechtstreekse toepassing. Echter, het hof ziet zich gesteld voor de rechtsvraag of uit het wettelijke systeem dat: (a) niet langer leidt tot de hierboven genoemde ontbinding van rechtswege en (b) leidt tot het verlies van het recht om nakoming te vorderen, dient te worden begrepen dat de gestelde verrijking zoals hier aan de orde niet als ongerechtvaardigd kan worden bestempeld. Daarbij is naar het oordeel van het hof relevant of de door de Hoge Raad gegeven uitleg van artikel 37 lid 1 Fw inhoudt dat ook indien er sprake is van al wel ontstane (al dan niet opeisbaar geworden) vorderingen tot betaling van vóór de faillissementsdatum verrichte werkzaamheden, een curator het recht verliest nakoming daarvan te vorderen.”

2.26

Daarbij kan het volgens het hof ook van belang zijn dat de contractspartij een consument is:

“10.3.3. Nu, zoals [verweerders] aanvoeren, het in het onderhavige geval gaat om overeenkomsten die steeds zijn gesloten met een consument (natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf) en dit relevant kan zijn, is het hof voornemens dit op te nemen in de prejudiciële vraag.”

2.27

Op basis van het voorgaande is het hof tot de volgende prejudiciële vraag gekomen:

“10.3.4. Het hof komt, onder verwijzing naar r.o. 10.3.2., tot de volgende voorgenomen prejudiciële vraag:

Indien: (i) een aannemer vóór de datum van zijn faillissement een deel van de op grond van een koop-/aannemingsovereenkomst met een consument overeengekomen (meerwerk) werkzaamheden heeft verricht, (ii) de consument hiervoor slechts gedeeltelijk heeft betaald, (iii) vervolgens de curator na het faillissement de overeenkomst niet gestand doet en (iv) de consument niet voor ontbinding opteert, terwijl (v) op basis van de koop-/aannemingsovereenkomst de betalingstermijn van die werkzaamheden pas verschuldigd is na het geheel voltooien van die werkzaamheden, geldt dan dat een verrijking van die consument als gevolg van genoemde werkzaamheden niet ongerechtvaardigd kan zijn, gelet op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw en op het gegeven dat die verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling?”

2.28

Volgens het hof is voldaan aan de voorwaarden die art. 392 Rv in dit verband stelt. In ieder geval is beantwoording van deze rechtsvraag volgens het hof nodig om het geschil te kunnen beslechten (zie verder nog rov. 10.5., hierna randnummer 2.31):

“10.3.5 Beantwoording van deze rechtsvraag is naar het oordeel van het hof nodig ter beslechting van het geschil.

Beantwoordt de Hoge Raad deze rechtsvraag in bevestigende zin, dan komen de vorderingen van de curator ook niet voor toewijzing in aanmerking op de subsidiaire grondslag. Het hof zal de vorderingen dan alsnog afwijzen.

Wordt de rechtsvraag door de Hoge Raad ontkennend beantwoord, dan zal het hof vervolgens beoordelen of is voldaan aan de overige vereisten voor een succesvol beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Indien aan die vereisten is voldaan, dan zal het hof vervolgens de omvang van de in beginsel toe te wijzen bedragen beoordelen en daarna het beroep van [verweerders] op verrekening.”

2.29

Het hof heeft de volgende standpunten in dit kader uit de processtukken afgeleid:

“10.4.1. Uit de stellingen van de curator (onder meer conclusie van repliek nrs. 29 tot en met 32 en memorie van antwoord nr. 42) begrijpt het hof dat zijn standpunt over bovenstaande vraag als volgt luidt. De verrijking van [verweerders] als gevolg van het door [A] vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk is ongerechtvaardigd. Volgens de curator dient iedere rechtsgrond zelfstandig te worden getoetst. In de koop-/aannemingsovereenkomsten en meer in het bijzonder in de daarin opgenomen termijnenregeling kan geen rechtvaardigingsgrond worden gevonden, zeker niet nu in die overeenkomst geen bepalingen zijn opgenomen voor het geval de aannemer failleert nadat nagenoeg alle werkzaamheden zijn verricht. De curator verwijst onder meer naar het arrest van gerechtshof Amsterdam, 23 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9293[)]. Verder stelt de curator dat er ook geen wettelijke rechtvaardigingsgrond is voor genoemde verrijking. Artikel 37 lid 1 Fw dient volgens de curator restrictief te worden uitgelegd. Indien de meerwerk werkzaamheden gereed waren geweest op de faillissementsdatum, had artikel 37 lid 1 Fw niet in de weg gestaan aan zijn op de grondslag nakoming gebaseerde vorderingen (memorie van antwoord nr. 78 en pleitnota p.4).

10.4.2.

Naar het hof begrijpt, luidt het standpunt van [verweerders] over bovenstaande vraag als volgt (onder meer memorie van grieven nr. 96 en conclusie van dupliek nr. 67). Wanneer een vordering op grond van de vigerende overeenkomst tussen partijen moet worden afgewezen, zal er doorgaans geen sprake kunnen zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Partijen hebben in die situatie in hun contract al voorzien. Uit de koop-/aannemingsovereenkomsten volgt dat betaling van de resterende 75% van het meerwerk nog niet verschuldigd was en daarom kan er in dit geval ook geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. De werking van de insolventiewaarborg is mede gebaseerd op het feit dat er tijdens de bouw niet wordt vooruitbetaald door de verkrijgers ( [verweerders] ). Zo is er bij een faillissement voldoende geld beschikbaar om de woning af te (laten) bouwen en blijven de financiële risico’s van de verkrijgers beperkt. [verweerders] wijzen voorts nog op het artikel “Ongerechtvaardigde verrijking in bouwgerelateerde geschillen”, De Hoon, TBR 2008, p. 806-813. Ten aanzien van de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw gaan ook [verweerders] , naar het hof begrijpt, uit van een restrictieve uitleg. Indien de meerwerk werkzaamheden gereed waren geweest op de faillissementsdatum, had volgens [verweerders] artikel 37 lid 1 Fw als zodanig niet in de weg gestaan aan de op nakoming gebaseerde vorderingen van de curator (onder meer memorie van grieven nrs 69 tot en met 71 en pleitnota nr. 63).”

2.30

In dit verband heeft het hof het verweer van [verweerders] dat de rechtvaardiging van de door de curator gestelde verrijking mede is gebaseerd op de koop-/aannemingsovereenkomsten, al in dit stadium behandeld:

“10.4.3. Voor zover [verweerders] voorts overigens bedoelen te betogen dat de rechtvaardiging van de gestelde verrijking mede daarop is gebaseerd dat uit de koop-/aannemingsovereenkomsten voortvloeit dat zij verplicht waren tot 100% van de oorspronkelijke koop-/aanneemsom bij te dragen in de afbouwkosten van Woningborg, oordeelt het hof al in dit stadium als volgt. [verweerders] hebben deze stellingen tegenover de betwisting door de curator onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Zij hebben ook niet concreet aangevoerd uit welke bepaling in de koop-/aannemingsovereenkomsten dit zou volgen. De enkele omstandigheid dat Woningborg slechts de meerkosten zou betalen voor het afbouwen van de woningen boven de oorspronkelijk overeengekomen koopaanneemsom tot maximaal 17% daarvan (artikel 11 van de GIW garantie- en waarborgregeling 2007, zie r.o. 4.1.5. van het tussenarrest van 18 maart 2014) betekent als zodanig niet dat [verweerders] niet meer gehouden kunnen zijn tot een vergoeding voor de door [A] vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk werkzaamheden. Het betoog van [verweerders] op dit punt faalt dan ook.”

2.31

Ook overigens is volgens het hof voldaan aan de voorwaarden die art. 392 Rv stelt:

“10.5. Beantwoording van bovenstaande rechtsvraag uit 10.3.4. is eveneens van belang voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet. Ter onderstreping van het belang van prejudiciële vragen in dit geding, verwijst de curator in zijn akte nog naar enkele aanhangige gedingen bij gerechtshof Den Haag en gerechtshof Arnhem. Voorts zijn er ook vele soortgelijke situaties bij faillissementen in andere branches en in andere rechtsverhoudingen, waarbij eveneens de lopende wederkerige overeenkomsten niet gestand worden gedaan en tevens termijnregelingen gelden.”

2.32

Daarbij heeft het hof in rov. 10.6. nogmaals gememoreerd dat er over de reikwijdte van art. 37 Fw veel onduidelijkheid bestaat (eerder al in rov. 7.17.1. (randnummer 2.18)) 10 en heeft het specifiek ten aanzien van ongerechtvaardigde verrijking in situaties zoals de onderhavige verwezen naar literatuur en jurisprudentie.

2.33

Het hof heeft – ten slotte – overwogen dat het de door de curator voorgestelde tweede vraag of op de wederpartij in een situatie zoals hier aan de orde is, een verplichting rust tot vergoeding van de waarde van de concreet door de schuldenaar geleverde prestaties op het tijdstip van ontvangst daarvan, ook indien de overeenkomst niet (partieel) is ontbonden maar gekozen is voor vervangende schadevergoeding en de betalingsverbintenis van de wederpartij jegens de schuldenaar nog niet opeisbaar c.q. ontstaan is, niet zal overnemen:

“10.7. Voor alle duidelijkheid overweegt het hof nog dat de door de curator voorgestelde vraag 2 niet zal worden overgenomen. Uit het bovenstaande (10.3.2.) vloeit voort dat er geen sprake is van een met de ongedaanmakingsverplichting uit artikel 6:272 BW overeenkomende vergoedingsplicht van [verweerders] voor de door [A] vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk werkzaamheden (boven de al betaalde 25% van de totale meerwerkopdrachtsom).”

2.34

Ten slotte heeft het hof partijen opnieuw in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de voorgestelde prejudiciële vraag en iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 10.8. en 10.9.).

Het tussenarrest van 16 februari 2016; stellingen partijen over de voorgenomen vraag

2.35

In zijn tussenarrest van 16 februari 2016 (hierna: “het vierde tussenarrest”) heeft het hof, nadat het de voorgenomen prejudiciële vraag heeft herhaald (rov. 13.1.), eerst de stellingen van partijen in hun aktes weergegeven:

“13.2.2. [verweerders] heeft wijzigingen voorgesteld in de onderdelen (iii) en (iv) van bovengenoemde rechtsvraag en in de passage “gelet op (...) termijnenregeling”.

13.2.3.

De curator heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met de eindbeslissingen in de rechtsoverwegingen 10.2.2., 10.3.2., 10.3.5. en 10.7. in het tussenarrest. Voorts heeft de curator naar voren gebracht dat hij in het licht van de subsidiaire grondslag van zijn vorderingen (ongerechtvaardigde verrijking) geen opmerkingen heeft bij de door het hof voorgestelde vraag. Tenslotte heeft de curator bezwaar gemaakt tegen de door [verweerders] voorgestelde wijzigingen.”

2.36

Het verzoek van de curator om terug te komen op de eindbeslissingen in rov. 10.2.2., 10.3.2. en 10.7., heeft het hof verworpen:

“13.3. Voor zover de curator beoogt het hof te verzoeken terug te komen op de eindbeslissingen zoals genoemd in 13.2.3. (die onder meer betrekking hadden op het niet ontstaan zijn van de vorderingen van de curator tot betaling van het meerwerk), overweegt het hof als volgt. In beginsel is het hof aan een bindende eindbeslissing in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen het volgende mee. De rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven en niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, bevoegd om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing. Aldus wordt voorkomen dat de rechter op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Naar het oordeel van het hof berusten bedoelde eindbeslissingen niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De curator heeft in zijn akte na tussenarrest ook in het geheel geen inhoudelijke stellingen hierover naar voren gebracht. Het hof volhardt dan ook bij genoemde eindbeslissingen.”

2.37

Daarop volgt de beoordeling door het hof van de door [verweerders] voorgestelde aanpassingen:

“13.4.2. Het hof acht het juist om ter verduidelijking in de vraag tot uitdrukking te brengen dat de vraag betrekking heeft op de situatie als bedoeld in artikel 37 lid 1 Fw, waarbij aan de curator een redelijke termijn is gesteld om zich bereid te verklaren de koop-/aannemingsovereenkomst gestand te doen. De vraag heeft immers ook betrekking op bedoelde situatie en wordt daarmee, anders dan de curator betoogt, niet onnodig casuïstisch. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat in zijn algemeenheid geldt dat de Hoge Raad de vraag kan herformuleren (artikel 393 lid 7 Rv), bijvoorbeeld indien hij een ruimere formulering van de vraag geraden acht. Het hof zal de aanpassing enigszins anders formuleren dan voorgesteld door [verweerders] De betreffende passage komt als volgt te luiden:

(iii) vervolgens de curator, nadat hem overeenkomstig artikel 37 lid 1 Fw door de consument een redelijke termijn daartoe is gesteld, de overeenkomst niet gestand doet.

13.4.3.

Naar aanleiding van punt (iv) van de vraag hebben partijen in hun aktes een debat gevoerd over de gevolgen van een eventuele keuze van de consument voor (partiële) ontbinding (voor de toekomst). Anders dan [verweerders] stellen, is het niet uitgesloten dat in een situatie als de onderhavige de consument kiest voor algehele ontbinding. Derhalve zal het eerste voorstel tot aanpassing van punt (iv) van de vraag (nr. 16 van de akte van [verweerders] ) niet worden overgenomen. Verder zal naar het voorshandse oordeel van het hof een keuze voor partiële ontbinding voor de toekomst niet leiden tot de door de curator bedoelde ongedaanmakingsverplichtingen ten aanzien van de in het verleden verrichte prestaties. De gevolgen van de partiële ontbinding treden immers in beginsel slechts in ten aanzien van het ontbonden (in dit geval toekomstige) gedeelte van de overeenkomst (TM, Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 1026). Echter, gelet op de onduidelijkheid over de reikwijdte en uitleg van artikel 37 Fw lid 1, acht het hof het zinvol om voor alle volledigheid en in lijn met het tweede voorstel van [verweerders] (nr. 17 van de akte van [verweerder 1] ) de voorgenomen vraag als volgt aan te vullen:

b) Maakt het voor de beantwoording van deze vraag verschil en zo ja in welke zin, indien punt (iv) aldus wordt aangepast dat de consument opteert voor partiële ontbinding voor de toekomst?”

2.38

Het hof heeft [verweerders] evenwel niet gevolgd in hun voorstel tot wijziging van het eerste deel van prejudiciële vraag. Daarbij heeft het hof de achtergrond van de voorgenomen prejudiciële vraag benadrukt:

“13.4.4. [verweerders] stellen voor om het laatste deel van de vraag als volgt te wijzigen:

“gelet op de niet gestanddoening door de curator ex artikel 37 lid 1 Fw en op het gegeven dat die vermeende verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling” (cursivering van de voorstellen door het hof).

Met het eerste cursieve gedeelte gaan [verweerders] voorbij aan de achtergrond van de voorgenomen rechtsvraag aan de Hoge Raad. Het gaat niet om de niet gestanddoening door de curator op basis van artikel 37 lid 1 Fw. De vraag ziet op de reikwijdte van dit artikel in situaties waarbij de schuldenaar vóór de faillissementsdatum bepaalde werkzaamheden heeft verricht die nog niet zijn voldaan. Beoogd wordt om met de aan de Hoge Raad gevraagde uitleg over de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of in een situatie als deze sprake kan zijn van een verrijking die ongerechtvaardigd is. Voor alle duidelijkheid herhaalt het hof hieronder de bewuste rechtsoverwegingen in 10.3.1. en 10.3.2. van het tussenarrest van 24 maart 2015:

“10.3.1. (...) De curator beroept zich subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking van [verweerders] als gevolg van het door [A] vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk (onder meer conclusie van repliek nrs 25 tot en met 32 en memorie van antwoord nr. 42, zie ook tussenarrest r.o.7.5. ). In dat kader rijst als eerste de rechtsvraag of geldt dat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd kan zijn, gelet op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw en op het gegeven dat die verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling.

10.3.2.

In verband met eerstgenoemd punt overweegt het hof als volgt.

Op grond van het in 1992 ingevoerde artikel 37 lid 1 Fw wordt een wederkerige overeenkomst die zowel door de schuldenaar ( [A] ) als door zijn wederpartij ( [verweerders] ) slechts gedeeltelijk is nagekomen en die door de curator niet gestand wordt gedaan, niet langer van rechtswege ontbonden. Dit was wel het geval ingevolge artikel 37 (oud) Fw. Indien die wederpartij ( [verweerders] ) niet kiest voor ontbinding, ontstaan er derhalve geen ongedaanmakingsverplichtingen als bedoeld in artikel 6:272 BW. Derhalve ontstaat er dus ook op die grond geen verplichting tot vergoeding van de door de schuldenaar vóór de faillissementsdatum al verrichte werkzaamheden.

Artikel 37 lid 1 Fw bepaalt voorts dat de curator het recht verliest om zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen. In de literatuur en jurisprudentie bestaat zeer veel onduidelijkheid over de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw. Daarbij wordt onder meer gepleit voor een restrictieve uitleg, in die zin dat het recht blijft bestaan om nakoming te vorderen van vóór de faillissementsdatum verrichte prestaties. Zoals in het bovenstaande al overwogen, kunnen de onderhavige vorderingen van de curator tot nakoming alleen al niet worden toegewezen omdat deze op de faillissementsdatum nog niet waren ontstaan en ook daarna niet meer zijn ontstaan. In zoverre mist artikel 37 lid 1 Fw hier rechtstreekse toepassing. Echter, het hof ziet zich gesteld voor de rechtsvraag of uit het wettelijke systeem dat: (a) niet langer leidt tot de hierboven genoemde ontbinding van rechtswege en (b) leidt tot het verlies van het recht om nakoming te vorderen, dient te worden begrepen dat de gestelde verrijking zoals hier aan de orde niet als ongerechtvaardigd kan worden bestempeld. Daarbij is naar het oordeel van het hof relevant of de door de Hoge Raad gegeven uitleg van artikel 37 lid 1 Fw inhoudt dat ook indien er sprake is van al wel ontstane (al dan niet opeisbaar geworden) vorderingen tot betaling van vóór de faillissementsdatum verrichte werkzaamheden, een curator het recht verliest nakoming daarvan te vorderen.”

De door [verweerders] voorgestelde aanpassing wordt gezien het voorgaande dan ook niet overgenomen. Verder acht het hof het gelet op de neutrale formulering van de vraag ook niet opportuun om het voorgestelde woord “vermeende” aan de vraag toe te voegen.”

2.39

Vervolgens heeft het hof de balans opgemaakt:

“13.4.5. De slotsom luidt dat het hof aan de Hoge Raad de in het dictum vermelde rechtsvraag zal stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

“13.4.6. In dat kader verwijst het hof met het oog op de diverse vereisten uit artikel 392 Rv inzake het stellen van een prejudiciële vraag naar de drie eerdere tussenarresten van 18 maart 2014, 30 september 2014 en 24 maart 2015. Meer in het bijzonder verwijst het hof naar de hierboven geciteerde rechtsoverwegingen 10.3.1. en 10.3.2. (onderwerp van geschil) en naar de volgende rechtsoverwegingen:

Tussenarrest van 18 maart 2014:

- 4.1.1. tot en met 4.1.12. (vermelding van door het hof vastgestelde feiten),

Tussenarrest van 30 september 2014:

- 7.4. en 7.5. (onderwerp van geschil),

Tussenarrest van 24 maart 2015:

- 10.3.5. (het antwoord op de prejudiciële vraag is nodig om op de eis te beslissen),

- 10.4.1. en 10.4.2. (de door partijen ingenomen standpunten ten aanzien van de onderhavige rechtsvraag),

- 10.5. (uiteenzetting dat een antwoord op de vraag rechtstreeks van belang is voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet).

Alle tussenarresten zullen tezamen met dit arrest aan de Hoge Raad worden gezonden.”

2.40

Uiteindelijk, zo blijkt uit het dictum, heeft het hof de volgende prejudiciële vragen aan Uw Raad voorgelegd:

“a) Indien: (i) een aannemer vóór de datum van zijn faillissement een deel van de op grond van een koop-/aannemingsovereenkomst met een consument overeengekomen (meerwerk) werkzaamheden heeft verricht, (ii) de consument hiervoor slechts gedeeltelijk heeft betaald, (iii) vervolgens de curator, nadat hem overeenkomstig artikel 37 Fw door de consument een redelijke termijn daartoe is gesteld, de overeenkomst niet gestand doet en (iv) de consument niet voor ontbinding opteert, terwijl (v) op basis van de koop-/aannemingsovereenkomst de betalingstermijn van die werkzaamheden pas verschuldigd is na het geheel voltooien van die werkzaamheden, geldt dan dat een verrijking van die consument als gevolg van genoemde werkzaamheden niet ongerechtvaardigd kan zijn, gelet op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw en op het gegeven dat die verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling?

b) Maakt het voor de beantwoording van deze vraag verschil en zo ja in welke zin, indien punt (iv) wordt aangepast in die zin dat de consument opteert voor partiële ontbinding voor de toekomst?”

De prejudiciële beslissing van 2 december 2016 (hierna: “de prejudiciële beslissing”)

2.41

In de prejudiciële beslissing11 heeft Uw Raad vooropgesteld dat de prejudiciële vragen verband houden met de betekenis die art. 37 Fw heeft. Daarbij is, nadat de inhoud van die bepaling is weergegeven, haar strekking in beeld gebracht:

“3.5.1 De vragen houden verband met de betekenis die art. 37 Fw heeft. Het eerste lid van deze bepaling houdt in dat indien een wederkerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zowel door de schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen en de curator zich niet binnen een hem daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen, de curator het recht verliest zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen. Het tweede lid bepaalt dat indien de curator zich wel tot nakoming van de overeenkomst bereid verklaart, hij verplicht is bij die verklaring voor deze nakoming zekerheid te stellen.

3.5.2

Art. 37 Fw strekt ertoe, blijkens zijn inhoud en de daarop gegeven toelichting, de wederpartij van de gefailleerde te beschermen tegen het risico dat zij loopt doordat na de faillietverklaring jegens haar nakoming kan worden gevorderd van haar verplichtingen uit hoofde van de wederkerige overeenkomst, terwijl zij geen zekerheid heeft dat de boedel de daartegenoverstaande, aan haar verschuldigde prestaties zal verrichten. Door de curator overeenkomstig deze bepaling een termijn te stellen om zich over de nakoming van de overeenkomst door de boedel uit te laten, kan zij dat risico vermijden. Indien de curator verklaart niet te zullen nakomen, verliest hij zijnerzijds het recht om nakoming te vorderen. (Desgewenst kan de wederpartij in dat geval zich door middel van een gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst bevrijden van haar verplichting tot het verrichten van de harerzijds nog verschuldigde prestaties, dan wel aanspraak maken op vervangende schadevergoeding; in beide gevallen kan de wederpartij voorts eventueel aanspraak maken op aanvullende schadevergoeding.) Indien de curator verklaart wel te zullen nakomen en overeenkomstig art. 37 lid 2 Fw zekerheid stelt, heeft de wederpartij zekerheid dat de curator zijnerzijds de nog verschuldigde prestaties zal verrichten dan wel dat zij voor het niet verrichten daarvan wordt schadeloosgesteld. (Vgl. Van der Feltz I, p. 409, en Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w., p. 387).”

2.42

Dit is het fundament voor het oordeel dat de niet-gestanddoening door de curator op de voet van art. 37 lid 1 Fw alleen tot gevolg heeft dat hij zijn recht verliest om nakoming te vorderen van door de wederpartij te verrichten prestaties waarvoor de tegenprestatie door de gefailleerde nog verricht moet worden:

“3.5.3 Indien de gefailleerde ter uitvoering van een overeenkomst zoals bedoeld in art. 37 Fw vóór de faillietverklaring een prestatie heeft verricht, maar de wederpartij nog niet de daarvoor verschuldigde tegenprestatie, is art. 37 Fw naar zijn strekking niet van toepassing met betrekking tot deze tegenprestatie. Die bepaling ziet immers, zoals hiervoor in 3.5.2 overwogen, op het geval dat de wederpartij na de faillietverklaring dient te presteren terwijl de daarvoor verschuldigde tegenprestatie nog niet door de gefailleerde is voldaan. De in art. 37 lid 1 Fw bedoelde verklaring van de curator dat hij niet zal nakomen, heeft dan ook niet tot gevolg dat de curator ook het recht verliest om van de wederpartij de tegenprestaties te vorderen die op grond van de overeenkomst verschuldigd zijn geworden doordat de gefailleerde reeds vóór het faillissement een of meer prestaties heeft verricht. Dat zou ook niet te rechtvaardigen zijn, nu het hier gaat om een bate die, als tegenprestatie voor een reeds verrichte prestatie, de boedel zonder meer toekomt. Het in art. 37 Fw bedoelde verlies van het recht van de curator op nakoming heeft dan ook alleen betrekking op de door de wederpartij te verrichten prestaties waarvoor de tegenprestatie door de gefailleerde nog verricht moet worden.”

2.43

Volgens Uw Raad strookt het voorgaande met de geschiedenis van art. 37 Fw:

“3.5.4 Het vorenstaande volgt niet alleen uit de inhoud en strekking van art. 37 Fw, maar strookt ook met de geschiedenis van die bepaling. Voor 1992 bepaalde art. 37 Fw dat de daarin bedoelde wederkerige overeenkomsten van rechtswege werden ontbonden door het faillissement. Dit had tot gevolg dat de curator vergoeding kon verlangen voor prestaties die vóór het faillissement door de gefailleerde waren verricht, zulks op grond van onverschuldigde betaling. Uit de toelichting op de wijziging die art. 37 Fw in 1992 heeft ondergaan, blijkt niet dat beoogd zou zijn om wijziging te brengen in hetgeen waarop de boedel in dit verband feitelijk aanspraak kan maken. (Zie voor het voorgaande ook het arrest van de Hoge Raad van heden in zaak 15/01672, ECLI:NL:HR:2016:2730, rov. 3.4.2-3.4.5)”12

2.44

Vervolgens heeft Uw Raad toegelicht hoe het voorgaande uitpakt voor de onderhavige zaak:

“3.6.1 Vraag (a) ziet op het zich in deze zaak voordoende geval dat de gefailleerde een prestatie vóór de faillietverklaring slechts voor een deel heeft verricht en in verband daarmee de wederpartij de tegenprestatie voor die prestatie contractueel nog niet verschuldigd is geworden, terwijl de curator heeft verklaard de overeenkomst niet gestand te doen, in verband waarmee de prestatie van de zijde van de boedel niet wordt voltooid (zie hiervoor in 3.4 bij vraag (a) onder (i), (iii) en (v)). In dat geval brengt reeds de inhoud van de overeenkomst mee dat, vanwege het niet voltooid zijn van de prestatie door de gefailleerde, de tegenprestatie niet door de wederpartij verschuldigd is geworden, zoals het hof zelf ook in zijn derde tussenarrest overweegt (in rov. 10.2.2 en 10.3.2, hiervoor in 3.3 aangehaald). Dat is dan dus niet een gevolg van het verlies door de curator van het recht om nakoming te vorderen ingevolge art. 37 lid 1 Fw.”

2.45

In de onderhavige zaak is het dus niet art. 37 Fw dat aan de nakomingsvordering van de curator (de primaire grondslag, hiervoor randnummer 2.5) in de weg staat, maar de overeenkomst zelf omdat deze met zich brengt dat zolang de prestatie van de gefailleerde niet geheel voltooid is, de wederpartij geen tegenprestatie verschuldigd is.

2.46

Aan het voorgaande heeft Uw Raad toegevoegd dat de wederpartij in het in rov. 3.6.1 besproken geval, de overeenkomst op de voet van art. 6:265 BW kan ontbinden. In de onderhavige zaak hebben [verweerders] hiervoor evenwel niet gekozen:

“3.6.2 In het hiervoor in 3.6.1 genoemde geval kan de wederpartij op grond van de verklaring van de curator de overeenkomst ontbinden op de voet van art. 6:265 BW. In dat geval ontstaat met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie een ongedaanmakingsvordering van de boedel op de wederpartij ten belope van de waarde van die prestatie (art. 6:272 BW). In deze zaak hebben de wederpartijen (de Kopers) echter geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst te ontbinden (zie hiervoor in 3.4 bij vraag (a) onder (iv))13 en is dus niet een ongedaanmakingsvordering ontstaan.”

2.47

Vervolgens is Uw Raad toegekomen aan de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag:

“3.6.3 Als de wederpartij ervoor kiest om de overeenkomst in stand te laten, staat in het hiervoor in 3.6.1 genoemde geval art. 37 Fw niet in de weg aan een vordering van de boedel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie. Deze bepaling heeft immers slechts de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 genoemde beperkte strekking. De mogelijkheid van het kunnen instellen van die vordering strookt bovendien met de hiervoor in 3.5.4 weergegeven geschiedenis van art. 37 Fw. Voorheen hield die bepaling immers in dat de daarin bedoelde wederkerige overeenkomsten door het faillissement van rechtswege werden ontbonden, zodat de hiervoor in 3.6.2 genoemde ongedaanmakingsvordering van rechtswege ontstond. Uit de toelichting op de wijziging van die bepaling blijkt niet dat is beoogd verandering te brengen in hetgeen waarop de boedel aanspraak kan maken. Hiermee is in overeenstemming dat ingeval de wederpartij niet overgaat tot ontbinding van de overeenkomst, de boedel thans in beginsel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie. Daaraan staat niet in de weg dat de overeenkomst blijft voortbestaan. Indien vaststaat dat de curator de overeenkomst niet gestand doet, is immers de verdere uitvoering van de overeenkomst in feite niet meer aan de orde.”

2.48

Uit de overeenkomst kan volgens Uw Raad echter anders voortvloeien:

“3.6.4 Aan een vordering van de boedel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie kan eventueel wel de inhoud van de overeenkomst in de weg staan, namelijk wanneer deze een zodanige vordering uitsluit of wanneer deze een rechtvaardiging bevat voor de aan de orde zijnde vermogensverschuiving. Het enkele feit dat de overeenkomst inhoudt dat de tegenprestatie voor een prestatie eerst verschuldigd wordt na voltooiing van die prestatie, sluit echter een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet uit. Dat is slechts anders indien de overeenkomst niet slechts ertoe strekt het tijdstip van opeisbaarheid van de tegenprestatie te regelen, maar (ook) ertoe strekt dat bij het niet volledig voltooid zijn van de desbetreffende prestatie geen vergoeding door de wederpartij verschuldigd is.”

2.49

In de onderhavige zaak sluit de termijnenregeling in de betrokken overeenkomsten een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking echter niet uit:

“3.6.5 In deze zaak is sprake van aannemingsovereenkomsten die strekken tot de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, als bedoeld in art. 7:765 BW. De prestaties waartoe deze overeenkomsten verplichten – de bouw van een woning enerzijds en de betaling van de aanneemsom anderzijds – zijn daarin opgedeeld in verschillende, tegenover elkaar staande (deel) prestaties, te weten de diverse bouwwerkzaamheden en de termijnen van de aanneemsom. De opdracht tot het meerwerk en de betaling daarvan zijn op vergelijkbare wijze in die overeenkomsten geregeld (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)). Deze contractuele regeling houdt in dat de termijnen van de aanneemsom, respectievelijk het restant (75%) van de meerwerkopdrachtsom eerst na voltooiing van de desbetreffende bouwfase of het meerwerk gefactureerd (kunnen) worden. Deze regeling is overeenkomstig het in art. 7:767 BW bepaalde, dat inhoudt dat de opdrachtgever slechts kan worden verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw, welke bepaling strekt ter bescherming van de in art. 7:765 BW genoemde opdrachtgever en waarvan bij de hier aan de orde zijnde overeenkomsten niet in zijn nadeel kan worden afgeweken (art. 7:769 BW).

3.6.6

De hiervoor in 3.6.5 genoemde regeling en het in art. 7:767 BW bepaalde staan in het geval dat de aannemer een bouwfase of het meerwerk door faillissement niet kan voltooien en vaststaat dat de curator de verplichting daartoe niet gestand doet, niet in de weg aan een vordering van de boedel uit ongerechtvaardigde verrijking met betrekking tot het verrichte gedeelte van de onvoltooide bouwfase of van het onvoltooide meerwerk. De bestaansgrond van de met die bepaling beoogde bescherming van de opdrachtgever – kort gezegd: dat deze de bouw slechts beperkt behoeft te voorfinancieren (vgl. Kamerstukken II 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 39) – doet zich in dat geval immers niet voor. Slechts in het hiervoor aan het slot van 3.6.4 genoemde geval is een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wel uitgesloten.”

2.50

De tweede prejudiciële vraag (heeft ontbinding wat betreft de nog te verrichten prestaties (“partiële ontbinding voor de toekomst”) enige invloed op de beantwoording van de eerste vraag?), moet volgens Uw Raad ook ontkennend worden beantwoord:

“3.6.7 Bij het vorenstaande maakt het geen verschil of de wederpartij van de gefailleerde de overeenkomst ontbindt wat betreft de nog te verrichten prestaties, zoals in vraag (b) aan de orde wordt gesteld. De overeenkomst blijft bij deze ontbinding immers in stand voor zover de prestaties zijn uitgevoerd en daarvoor blijft derhalve gelden wat hiervoor is overwogen.”

2.51

De slotsom van Uw Raad is dan ook dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord (rov. 3.6.8).

2.52

Uit de prejudiciële beslissing van Uw Raad blijkt in het algemeen het volgende:

- wanneer de curator de overeenkomst niet gestand doet, verliest hij op grond van art. 37 Fw het recht nakoming van de tegenprestatie van de wederpartij te vorderen;

- dat verlies heeft enkel betrekking op het geval dat de wederpartij na de faillietverklaring nog dient te presteren, terwijl de daarvoor verschuldigde (door de gefailleerde te verrichten) tegenprestatie nog niet is voldaan;

- heeft echter de gefailleerde ter uitvoering van de overeenkomst reeds vóór de faillietverklaring een prestatie verricht, maar de wederpartij nog niet de daarvoor verschuldigde tegenprestatie dan is art. 37 Fw niet van toepassing met betrekking tot deze tegenprestatie;

- de in art. 37 Fw bedoelde verklaring van de curator heeft in dat geval niet tot gevolg dat hij het recht verliest op nakoming van deze tegenprestatie;

- aan (het vorderen van) nakoming in een dergelijk geval kan in de weg staan dat (de inhoud van) de overeenkomst meebrengt dat de wederpartij de tegenprestatie voor een prestatie van de gefailleerde eerst verschuldigd is ingeval die prestatie voltooid is geworden;

- brengt de (inhoud van de) overeenkomst mee dat de wederpartij de tegenprestatie voor een prestatie van de gefailleerde eerst verschuldigd is ingeval die prestatie voltooid is, dan staat dat enkele feit, in gevallen waarin de wederpartij ervoor kiest de overeenkomst in stand te laten (in plaats van de overeenkomst te ontbinden ex art. 6:265 BW), niet in de weg aan een op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering van de curator met betrekking tot het vóór het faillissement door de gefailleerde voltooide gedeelte van de prestatie waarvoor de wederpartij (nog) niet heeft betaald omdat de overeenkomst dat nu eenmaal meebrengt;

- dat is slechts anders indien de overeenkomst niet slechts ertoe strekt het tijdstip van opeisbaarheid van de tegenprestatie te regelen, maar (ook) ertoe strekt dat bij het niet volledig voltooid zijn van de desbetreffende prestatie geen vergoeding door de wederpartij verschuldigd is;

- ontbinding ex art. 6:265 BW door de wederpartij wat betreft de nog te verrichten prestaties doet aan dit alles niet af; bij een dergelijke ontbinding blijft de overeenkomst immers in stand voor zover de prestaties zijn uitgevoerd. In zoverre gaat het voorgaande ook dan op.

2.53

Voor de onderhavige zaak is dus, zo blijkt uit de prejudiciële beslissing, van belang dat het hier niet art. 37 Fw is, maar de inhoud van de betrokken overeenkomsten zelf die aan het vorderen van nakoming door de curator in de weg staat. Deze contractuele regeling staat echter niet in de weg aan een door de curator in te stellen vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Het tussenarrest van 20 februari 2018; de consequenties van de prejudiciële beslissing

2.54

In zijn op de prejudiciële beslissing volgende tussenarrest van 20 februari 2018 (hierna: “het vijfde tussenarrest”) heeft het hof eerst gerespondeerd op het verzoek van de curator om terug te komen op de beslissing in het derde tussenarrest dat de nakomingsvordering van de curator (de primaire grondslag, hiervoor randnummer 2.5), niet kan worden toegewezen. Daarbij heeft het hof eerst weergegeven waarop de curator zijn verzoek heeft gebaseerd:

“16.3. In zijn memorie na tussenarrest van 7 februari 2017 verzoekt de curator, kort samengevat, het hof om terug te komen van zijn beslissingen (in onder meer 10.2.2. en 10.3.2. van het tussenarrest van 24 maart 2015) dat de vordering van de curator niet kan worden toegewezen op de primaire grondslag nakoming. De curator stelt dat nu er sprake is van een omzetting (conform artikel 6:88 BW) in vervangende schadevergoeding, de curator recht heeft op de volledige aanneemsom. Naar het hof begrijpt, doelt de curator hiermee op de meerwerkopdrachtsom en meer in het bijzonder op de nog niet betaalde, resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom (zie onder meer r.o. 4.1.6. van het tussenarrest van 18 maart 2014). Deze is per omzettingsdatum opeisbaar en als nakomingsvordering toewijsbaar, aldus de curator. Hij verwijst hiertoe onder meer naar de conclusie van de Advocaat-Generaal (nr 2.13. en verder) bij de prejudiciële beslissing.”

2.55

Dit verzoek heeft evenwel schipbreuk geleden:

“16.4. Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op bedoelde beslissing, aangezien er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De Hoge Raad overweegt in de prejudiciële beslissing, onder expliciete verwijzing naar de volgens de curator onjuiste overwegingen 10.2.2. en 10.3.2. van het tussenarrest van het hof van 24 maart 2015:

“3.6.1. Vraag (a) ziet op het zich in deze zaak voordoende geval dat de gefailleerde een prestatie vóór de faillietverklaring slechts voor een deel heeft verricht en in verband daarmee de wederpartij de tegenprestatie voor die prestatie contractueel nog niet verschuldigd is geworden, terwijl de curator heeft verklaard de overeenkomst niet gestand te doen, in verband waarmee de prestatie van de zijde van de boedel niet wordt voltooid (zie hiervoor in 3.4 bij vraag (a) onder (i), (iii) en (v)). In dat geval brengt reeds de inhoud van de overeenkomst mee dat, vanwege het niet voltooid zijn van de prestatie door de gefailleerde, de tegenprestatie niet door de wederpartij verschuldigd is geworden, zoals het hof zelf ook in zijn derde tussenarrest overweegt (in rov. 10.2.2 en 10.3.2, hiervoor in 3.3 aangehaald). (...) ”

Dat [verweerders] hebben geopteerd voor (vervangende) schadevergoeding toen hen de in artikel 6:88 lid 1 BW bedoelde termijn werd gesteld, brengt niet mee dat voor de boedel alsnog een nakomingsvordering ontstaat, bestaande uit de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom. Anders zou ten onrechte na het faillissement een vordering van de curator ontstaan, die [A] zonder het faillissement niet zou hebben gehad (terwijl uitgangspunt is dat het faillissement op zichzelf geen wijziging brengt in de verbintenissen die voortvloeien uit een door de failliet aangegane overeenkomst, zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal, nr. 2.8). Het meerwerk was immers nog niet gereed en daarom was betaling van genoemde 75% van de meerwerkopdrachtsom nog niet verschuldigd op grond van de termijnenregeling, zoals de Hoge Raad in bovenstaand citaat ook overweegt. Daarbij komt dat de Hoge Raad (anders dan de curator bepleit onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal) aan de keuze van [verweerders] om niet te ontbinden, niet het gevolg verbindt dat daarmee alsnog een betalingsverplichting ontstaat van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom. Wèl overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.6.3. (zie citaat hieronder in r.o. 16.6.) dat indien de wederpartij ( [verweerders] ) niet overgaat tot ontbinding, de boedel in beginsel een vordering heeft uit ongerechtvaardigde verrijking. Gelet op het voorgaande, blijft het hof bij zijn oordeel dat de vordering tot nakoming van de curator niet kan slagen en dat beoordeling van de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking resteert.”

2.56

Vervolgens heeft het hof in rov. 16.5. rov. 3.6.2 tot en met 3.6.6 uit de prejudiciële beslissing geciteerd (hiervoor randnummers 2.46 tot en met 2.49).

2.57

Uit de prejudiciële beslissing heeft het hof de conclusie getrokken dat de curator in de situatie die in casu aan de orde is in beginsel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt; daaraan staat de contractuele termijnenregeling niet in de weg:

“16.6. Uit het voorgaande en uit de concrete omstandigheden van dit geval volgt dat de curator in beginsel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt voor het door [A] per appellant(e) verrichte meerwerk. Daartoe overweegt het hof als volgt. Het gaat hier om een situatie zoals bedoeld in de punten (i) tot en met (v) van de prejudiciële vraag. Verder staat de onderhavige termijnenregeling in de koop-/aannemingsovereenkomsten niet in de weg aan de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in 3.6.5. en 3.6.6. van de prejudiciële beslissing. Op basis van de stellingen van [verweerders] , kan voorts niet worden geoordeeld dat de koop-/aannemingsovereenkomsten er (ook) toe strekken dat bij het niet volledig voltooid zijn van het desbetreffende meerwerk, geen vergoeding door [verweerders] verschuldigd is.”

2.58

In verband met de omvang van de in beginsel (op grond van ongerechtvaardigde verrijking; de subsidiaire grondslag, hiervoor randnummer 2.5) toe te wijzen bedragen, heeft het hof in rov. 16.8. benadrukt dat het gaat om het bedrag per appellant(e) dat de tegenprestatie vormt voor daadwerkelijk door [A] vóór de faillissementsdatum verricht meerwerk. Omdat volgens het hof op dat moment nog onvoldoende uitgekristalliseerd was welk bedrag aan meerwerk daadwerkelijk door [A] per appellant(e) vóór de faillissementsdatum is verricht, heeft het hof de curator opgedragen om een overzicht over te leggen waaruit dat zou kunnen worden afgeleid.

2.59

Vervolgens is het hof ingegaan op het beroep van [verweerders] op verrekening. De betreffende overwegingen van het hof vat ik als volgt samen. Onder verwijzing naar het op dezelfde datum als de prejudiciële beslissing gewezen arrest in de zaak […] /Peters q.q.14heeft het hof geconcludeerd dat het mogelijk is dat ook [verweerders] schade hebben geleden die voor verrekening in aanmerking komt als de vordering van de curator op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt toegewezen. Dit alles hangt volgens het hof af van de vraag of het per appellant(e) voor zijn of haar woning benodigde afbouwbedrag hoger was dan de resterende meerwerktermijn. In dat geval hebben [verweerders] meer betaald dan met [A] was overeengekomen en lijden zij daarmee schade ter hoogte van het bedrag dat aan de curator uit ongerechtvaardigde verrijking verschuldigd is. Als het afbouwbedrag evenwel lager is dan de resterende meerwerktermijn, dan heeft dat ook gevolgen voor de eventuele verrekening met het aan de curator toe te wijzen bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking. De betreffende overwegingen van het hof luiden als volgt:

“16.9.2. Zoals al overwogen in r.o. 7.8. van het tussenarrest van 30 september 2014, hebben [verweerders] afgezien van ontbinding en hebben zij hun keuze bepaald op een vordering tot schadevergoeding. Over de schade in een vergelijkbare situatie heeft de Hoge Raad zich ook gebogen in het arrest van 2 december 2016 in de zaak […] /Peters q.q. (ECLI:NL:HR:2016:2730; overigens waren in die zaak de vorderingen van de aannemer op grond van de termijnenregeling al wél ontstaan, zodat de curator in beginsel nakoming kon vorderen van het vóór de faillissementsdatum verrichte werk.). In die zaak overwoog de Hoge Raad als volgt:

"3.5.4. (...) De Kopers hebben aangevoerd dat zij de volledige met [hof: de aannemer] overeengekomen aanneemsom aan Woningborg hebben betaald. Toewijzing van de vordering van de Curator in dit geding zou daarom in beginsel meebrengen dat zij meer voor de bouw moeten betalen dan die aanneemsom en dat zij aldus schade lijden. Dat zij die schade op grond van de in de afbouwovereenkomsten bedongen vrijwaring voor rekening van Woningborg kunnen brengen, betekent niet dat in zoverre van schade geen sprake is. Het staat de Kopers in beginsel vrij de door hen gestelde schade niet op Woningborg maar (door middel van verrekening) op de boedel te verhalen. De door het hof in aanmerking genomen verplichting van Woningborg tot vrijwaring brengt dus, anders dan het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, niet mee dat de Kopers geen schade lijden door de niet-nakoming van de aannemingsovereenkomsten door [de aannemer] en de boedel.”

16.9.3.

Ook in de onderhavige zaak, staat vast dat ieder van appellanten het voor hem of haar nog resterende bedrag van 75% van de meerwerkopdrachtsom (hierna: de resterende meerwerktermijn) heeft betaald aan Woningborg. Tevens staat vast dat Woningborg die aldus betaalde bedragen geheel of gedeeltelijk heeft aangewend om de afbouwende aannemers te betalen voor het afbouwen van de woningen. Tussen partijen is in geschil of deze wijze van afhandeling betekent dat [verweerders] geen schade heeft geleden. Bovendien betwist de curator de stelling van [verweerders] dat het per appellant(e) voor zijn of haar woning benodigde afbouwbedrag (hierna: het afbouwbedrag) hoger was dan de resterende meerwerktermijn.

16.9.4.

Indien voor een appellant(e) het afbouwbedrag inderdaad hoger was dan de resterende meerwerktermijn of even hoog, dan was de betaling van de gehele resterende meerwerktermijn aan Woningborg in zoverre terecht dat dit bedrag geheel nodig was voor de afbouw en daaraan ook is besteed. Toewijzing van de vordering van de curator jegens die appellant(e) zou dan meebrengen dat die appellant(e) meer voor de bouw moet betalen dan met [A] overeengekomen. Conform de in r.o. 16.9.2. geciteerde overwegingen van de Hoge Raad lijdt de bewuste appellant(e) in dat geval schade. Die schade loopt gelijk op met het aan de curator verschuldigde bedrag uit ongerechtvaardigde verrijking en komt in beginsel in aanmerking voor verrekening daarmee. Of deze verrekening ook daadwerkelijk mogelijk is, komt in r.o. 16.10.1[.] tot en met r.o. 16.10.7. aan de orde. Het hof is dus van oordeel dat de omstandigheid dat [verweerders] de resterende meerwerktermijnen aan Woningborg hebben betaald om daarmee (voor hen) de afbouwende aannemer te betalen, niet verhindert dat [verweerders] schade hebben geleden. Hiertoe verwijst het hof allereerst naar meergenoemde overwegingen van de Hoge Raad in de zaak […] /Peters q.q. Ook in dat geval hadden de kopers de nog resterende bedragen van de overeengekomen aanneemsom na het faillissement aan Woningborg betaald voor de afbouw. In aanvulling daarop overweegt het hof dat deze wijze van afhandeling van de afbouw na faillissement via Woningborg in lijn is met de GIW regeling, die [A] heeft onderschreven en die is verankerd in de met [A] gesloten koop-/aannemingsovereenkomsten (zie ook tussenarrest van 18 maart 2014, r.o. 4.1.2[.] tot en met 4.1.5.).

16.9.5.

Is echter het voor een appellant(e) geldende afbouwbedrag lager dan de resterende meerwerktermijn, dan heeft de bewuste appellant(e) meer aan Woningborg betaald dan nodig voor de afbouw van de woning. Dit betekent dat de schade van die appellant(e) in beginsel lager is dan het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking; dit heeft ook gevolgen voor de eventuele verrekening daarmee. De nadere uitwerking hiervan wordt in dit stadium aangehouden.”

2.60

Op basis van het voorgaande heeft het hof [verweerders] onder meer opgedragen om ook een overzicht over te leggen waarbij het afbouwbedrag per appellant(e) zo concreet en onderbouwd mogelijk wordt becijferd (rov. 16.9.6.).

2.61

Aan de door [verweerders] opgevoerde aanvullende schadepost van € 5.000,-- wegens het wegvallen van de garantie door [A] , is het hof voorbijgegaan, omdat deze pas in de memorie na tussenarrest van 7 februari 2017, en dus te laat, naar voren is gebracht. De enkele omstandigheid dat de Advocaat-Generaal in haar conclusie bij de prejudiciële beslissing een dergelijke schadepost noemt,15 is volgens het hof onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een uitzondering op de twee-conclusie regel (rov. 16.9.7.).

2.62

Het hof is vervolgens, ervan uitgaande dat na aktewisseling wordt geoordeeld dat er in beginsel sprake is van schade aan de zijde van één of meer kopers, toegekomen aan de vraag of [verweerders] een beroep op verrekening kunnen doen. Daarbij heeft het hof stilgestaan bij het verweer van de curator dat verrekening niet mogelijk is omdat Woningborg als verzekeraar is gesubrogeerd in de rechten van [verweerders] en omdat [verweerders] hun schadevergoedingsvordering hebben gecedeerd aan Woningborg. Ook het verweer van [verweerders] dat de vorderingen door Woningborg aan [verweerders] zijn “geretrocedeerd”, is daarbij in beeld gekomen:

“16.10.2. De curator voert onder meer aan dat verrekening niet mogelijk is: (i) omdat Woningborg als verzekeraar is gesubrogeerd in de rechten van [verweerders] en (ii) omdat [verweerders] hun schadevorderingen hebben gecedeerd aan Woningborg. Daarmee vielen die schadevorderingen ten tijde van het uitbrengen van de verrekeningsverklaring niet meer in het vermogen van [verweerders] Verrekening met de vordering van de curator was dus niet meer mogelijk, aldus de curator. Volgens de curator brengt de gestelde retrocessie van deze vorderingen door Woningborg aan [verweerders] hierin geen verandering, omdat verrekening na de retrocessie in strijd zou zijn met artikel 54 lid 2 Fw.

16.10.3.

Ten aanzien van de gestelde subrogatie als bedoeld in artikel 7:962 BW, overweegt het hof als volgt. De in 16.9.4. en 16.9.5. bedoelde schade is (nog) niet door Woningborg aan [verweerders] vergoed, zodat geen sprake is van subrogatie.

16.10.4.

De stellingen van partijen over de cessie en de retrocessie dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de volgende feiten en omstandigheden die tussen partijen (als onvoldoende betwist) vaststaan. [verweerders] hebben in november 2009 op grond van artikel 11.5. van de GlW-regeling aan Woningborg hun vorderingen op [A] uit hoofde van geleden en nog te lijden schade gecedeerd. Mededeling van de cessie aan de curator heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010. [verweerders] hebben op 6 januari 2011 (prod. 31 bij akte overleggen producties van de curator van 29 juni 2011) een verklaring uitgebracht, waarin zij zich hebben beroepen op verrekening van hun schadevordering met de op het meerwerk gebaseerde vordering van de curator. Bij akten van eind november 2012 (producties 2 tot en met 12 bij memorie van grieven) heeft Woningborg “haar vordering op de Ondernemer voor dat gedeelte dat Verkrijger in zijn/haar relatie met de curator in het faillissement van de Ondernemer kan verrekenen, over[ge]dragen aan Verkrijger (...) Deze retrocessie heeft plaatsgevonden “onder de voorwaarde dat het door Woningborg/Verkrijger jegens de curator in het faillissement van de Ondernemer reeds gedane beroep op verrekening wordt gefrustreerd door de eerdere cessie van Verkrijger aan Woningborg.”

16.10.5.

Voor zover de curator zich er op beroept dat deze retrocessie nog niet aan hem is meegedeeld, overweegt het hof dat overeenkomstig de stellingen van [verweerders] de memorie van grieven als mededeling geldt. Het enkele feit dat in de akten van retrocessie is bepaald dat mededeling plaats zal vinden door Woningborg, brengt niet mee dat de curator zich er op kan beroepen dat mededeling niet geldig door [verweerders] kan worden gedaan.

16.10.6.

[verweerders] voeren aan dat de cessie van hun bestaande en toekomstige schadevorderingen geen betrekking heeft op vorderingen die zij zelf konden verrekenen (onder meer conclusie van dupliek, nr. 75 en 76 en antwoordakte van 16 mei 2012, nr 11). Indien zij het bedrag van de al verrichte meerwerken alsnog aan de curator verschuldigd zouden zijn, hebben zij dit bedrag eerst verrekend met hun schadevordering en vielen alleen de resterende schadevorderingen onder de cessie aan Woningborg, aldus [verweerders] De curator voert aan dat de cessie alle schadevorderingen van [verweerders] omvatte, zodat deze buiten hun vermogen vielen en niet meer in verrekening konden worden gebracht met de vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking. Beoordeling van deze stellingen van partijen kan in het midden blijven, gelet op het volgende.

16.10.7.

Indien overeenkomstig de stellingen van de curator de cessie ook de bewuste schadevorderingen van [verweerders] omvatte, dan zijn deze vorderingen door de retrocessie weer terug gevloeid in het vermogen van [verweerders] Aldus is verrekening mogelijk met de vorderingen van de curator uit ongerechtvaardigde verrijking.(…)”

2.63

Ten slotte heeft het hof het beroep van de curator op art. 54 lid 2 Fw in dit verband verworpen:

“16.10.7 (…) Anders dan de curator aanvoert, is het hof van oordeel dat deze specifieke verrekening niet onder het toepassingsbereik van artikel 54 lid 2 Fw valt. Voor zover hier relevant, geldt ingevolge dit artikel dat na de faillietverklaring overgenomen vorderingen niet kunnen worden verrekend. De strekking hiervan is om te voorkomen dat een schuldenaar van de gefailleerde zijn positie op ongerechtvaardigde wijze verbetert door tijdens het faillissement een vordering op de gefailleerde van een derde over te nemen en daardoor een verrekeningsmogelijkheid te creëren die hem van zijn schuld aan de gefailleerde geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Het gaat hier immers om schadevorderingen die na de faillietverklaring aanvankelijk in het vermogen van [verweerders] vielen. Zij zijn slechts op grond van de ook door [A] onderschreven GlW-regeling aan Woningborg gecedeerd, met het oog op een goede afwikkeling van de insolventiewaarborg. Voor zover dit als onbedoeld gevolg heeft gehad dat de gerechtvaardigde verrekeningsmogelijkheden van [verweerders] daarbij verloren zijn gegaan, kan herstel daarvan niet worden aangemerkt als een op ongerechtvaardigde wijze gerealiseerde verbetering van de positie van [verweerders] ten opzichte van andere schuldeisers. Uit de ratio van artikel 54 lid 2 Fw volgt dus dat deze bepaling niet in de weg staat aan de bedoelde verrekening door [verweerders] na de retrocessie.

16.10.8.

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Ook indien artikel 54 lid 2 Fw de verrekening wel zou verhinderen, zou dit niet tot een andere uitkomst voor [verweerders] leiden. In dat geval zou: (i) ofwel de verrijking van ieder van appellanten niet ongerechtvaardigd zijn, tot een bedrag van hun vanwege het voorgaande niet verrekenbare schade, (ii) ofwel het aan de curator toe te wijzen bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking dienen te worden verminderd met het bedrag van de niet verrekenbare schade, vanwege de redelijkheidstoets in artikel 6:212 BW.”

2.64

De slotsom van het hof luidt dat partijen de gelegenheid krijgen tot het nemen van akten zoals bedoeld in rov. 16.8. en 16.9.6. (randnummers 2.58 en 2.60).

Het eindarrest van 12 maart 2019

2.65

In het eindarrest van 12 maart 2019 (hierna: “het eindarrest”) heeft het hof naar aanleiding van de door partijen bij akten overgelegde overzichten, uitgebreid stilgestaan bij de vraag welk schadebedrag aan de curator wegens ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [verweerders] moet worden toegekend na verrekening met de door [verweerders] geleden schade. Ik volsta hierna met een korte bespreking van de belangrijkste overwegingen uit het eindarrest, omdat het in cassatie niet gaat om de specifieke uitkomsten van de diverse berekeningen.

2.66

Het hof heeft in het eindarrest eerst opnieuw uiteengezet (nadat het hof dat in zijn vijfde tussenarrest al had gedaan, zie randnummer 2.59) hoe het verrekeningsberoep van [verweerders] concreet zou kunnen uitpakken:

“19.3.1. Voorts geldt het volgende. Iedere appellant(e) heeft de gehele resterende meerwerktermijn (de resterende “75%” van de met [A] overeengekomen meerwerkopdrachtsom) aan Woningborg betaald, zodat de woning zou worden afgebouwd (zie tussenarrest van 20 februari 2018, r.o. 16.9.3.). In genoemd tussenarrest (r.o. 16.10.1. tot en met 16.10.7.) heeft het hof voorts geoordeeld, dat [verweerders] hun eventuele schadevorderingen kunnen verrekenen met het aan de curator op grond van ongerechtvaardigde verrijking verschuldigde bedrag. In r.o. 16.9.4[.] en 16.9.5. heeft het hof vervolgens overwogen dat daarbij relevant is of het per appellant(e) voor zijn of haar woning benodigde afbouwbedrag (gedefinieerd als: het afbouwbedrag): (i) hoger was dan of even hoog was als de resterende meerwerktermijn, of (ii) lager was dan de resterende meerwerktermijn.

In geval (i) zou de schade van de appellant(e) dan gelijk op lopen aan het eventueel aan de curator verschuldigde bedrag uit ongerechtvaardigde verrijking. Die appellant(e) zou dan immers terecht de gehele resterende meerwerktermijn aan Woningborg hebben betaald en zou aldus het volledige met [A] overeengekomen bedrag voor de woning hebben betaald. Toewijzing van de vordering van de curator zou dan meebrengen dat dit aan de curator verschuldigde bedrag daar nog bovenop zou komen. Dit is schade die geheel voor verrekening in aanmerking komt. Bij de concrete beoordeling per appellant(e) vanaf r.o. 19.7.4[.] zal echter blijken dat dit zich bij geen van appellanten voordoet.

In geval (ii) heeft de bewuste appellant(e) echter door de resterende meerwerktermijn aan Woningborg te betalen, ten onrechte méér aan Woningborg betaald dan het voor zijn of haar woning toepasselijke, lagere afbouwbedrag. Hetgeen de appellant(e) méér aan Woningborg heeft betaald dan het afbouwbedrag, had beschikbaar dienen te blijven voor betaling van het door [A] daadwerkelijk verrichte meerwerk dat nog niet betaald was (de vordering van de curator uit ongerechtvaardigde verrijking). Dit bedrag (het verschil tussen de aan Woningborg betaalde, resterende meerwerktermijn en het lagere afbouwbedrag) zal hierna worden aangeduid als: “het beschikbaar te houden meerwerkbedrag”.

Indien het aan de curator uit ongerechtvaardigde verrijking verschuldigde bedrag hoger is dan dit beschikbaar te houden meerwerkbedrag, behoeft de bewuste appellant(e) slechts het beschikbaar te houden meerwerkbedrag aan de curator te voldoen. Al hetgeen de appellant(e) meer zou moeten betalen aan de curator, zou alsnog leiden tot de hierboven bedoelde, verrekenbare schade voor die appellant(e). De appellant(e) zou dan meer voor de woning hebben betaald dan oorspronkelijk met [A] overeengekomen.

19.3.2.

Het bovenstaande betekent het volgende voor de verderop in dit arrest door het hof per appellant(e) te becijferen bedragen. Bij enkele appellanten kan worden volstaan met het berekenen van het beschikbaar te houden meerwerkbedrag en het oordeel dat dit lager is dan het uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking minimaal aan de curator verschuldigde bedrag. De hoogte van de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking hoeft in die gevallen niet exact te worden vastgesteld, omdat de vordering van de curator ten aanzien van die appellanten slechts kan worden toegewezen tot maximaal de beschikbaar te houden meerwerkbedragen.”

2.67

Vervolgens heeft het hof in rov. 19.4.2. benadrukt dat – anders dan [verweerders] in hun laatste akte hebben gesuggereerd – het afbouwbedrag uitsluitend bestaat uit de kosten van de afbouw van het meerwerk en dus niet ook uit de kosten voor het afmaken van het reguliere werk. In rov. 19.4.3. heeft het hof daaraan nog toegevoegd dat onbetwist vaststaat dat het met [A] overeengekomen meerwerk bestaat uit de posten die genoemd zijn op de meerwerkspecificatie, gevoegd bij de eindfactuur die ieder appellant(e) heeft ontvangen. Wat dit concreet betekent, volgt daarop:

“19.4.4. Meer concreet houdt dit in dat de ook volgens [verweerders] in Akte- [verweerders] buiten het meerwerk vallende kosten van bewaking, de uitvoerder en het binnen- en buitenschilderwerk buiten beschouwing zullen worden gelaten bij de bepaling van het afbouwbedrag. Deze posten zijn overigens ook niet (kenbaar) vermeld op de hierboven genoemde specificaties van het overeengekomen meerwerk. Per appellant(e) zal het gestelde afbouwbedrag dan ook worden verminderd met een bedrag van € 4.265,18 (= € 1.552,54 + 956,64 + € 1.756,--). Voor partij [verweerder 13] en [verweerster 14] is bij het door [verweerders] gestelde afbouwbedrag geen binnen- en buitenschilderwerk begroot, zodat bij deze partij het gestelde afbouwbedrag dan ook slechts wordt verminderd met een bedrag van € 2.509,18.”

2.68

Voordat het hof is overgegaan tot een schadeberekening per appellant(e), heeft het hof aangegeven dat het een schatting van de bedragen conform art. 6:97 BW betreft, nu de omvang van de relevante bedragen naar het oordeel van het hof niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (rov. 19.5.1.). Het hof heeft de per saldo in aanmerking komende bedragen exclusief BTW toegewezen, omdat partijen over de BTW-aspecten onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft (rov. 19.5.2.).

2.69

Vervolgens heeft het hof de posten die in zijn berekening terugkomen, weergegeven en kort toegelicht:

“19.7.1. Vervolgens komt het hof toe aan de beoordeling van de concrete bedragen per appellant(e). Daarbij zal het hof voor de overzichtelijkheid in tabelvorm voor elke appellant(e) de volgende posten weergeven:

a) het volgens de facturen van [A] van 27 oktober 2009 (prod. 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 12a, 12b en 13 bij inl. dagvaarding) nog te betalen meerwerk bedrag = de aan Woningborg betaalde resterende meerwerktermijn van “75%” (ex BTW),

b) het bedrag van het totaal door [A] in de woning van de appellant(e) verrichte meerwerk volgens de curator (ex BTW),

c) het door de appellant(e) al aan [A] betaalde gedeelte van het meerwerk (ex BTW),

d) post b) verminderd met post c),

e) het afbouwbedrag volgens [verweerders] (ex BTW).

19.7.2.

Ten aanzien van posten b), c) en d) overweegt het hof als volgt. De curator heeft zijn vordering, die was gebaseerd op volledige uitvoering van het meerwerk, niet verminderd. Wel heeft hij in zijn overzicht van het per appellant(e) in totaal daadwerkelijk verrichte meerwerk voor alle appellanten een lager bedrag genoemd dan het overeengekomen meerwerk. Kortom, bij geen van appellanten was het overeengekomen meerwerk al gereed ten tijde van het faillissement van [A] . Rekening houdend met de uitgangspunten in de tussenarresten van het hof en in dit arrest, is de onder d) genoemde post het maximaal per appellant(e) aan de curator uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking toe te wijzen bedrag (totaal daadwerkelijk verricht meerwerk verminderd met de al ontvangen betaling). In hoeverre dit bedrag eventueel nog dient te worden verlaagd als gevolg van betwisting door [verweerders] , komt hierna aan de orde.”

2.70

Op basis van de uitgangspunten die het hof in rov. 19.3.1. en 19.3.2. (randnummer 2.66) voor het verrekenen van de schade van [verweerders] met die van de curator heeft uiteengezet, heeft het hof in rov. 19.7.4. tot en met 19.7.14. steeds per appellant(e) twee bedragen berekend: het beschikbaar te houden meerwerkbedrag (dat is de aan Woningborg betaalde resterende meerwerktermijn van 75% minus het afbouwbedrag, zie ook rov. 19.7.1., randnummer 2.69) en het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking (dat is het bedrag van het totaal door [A] verrichte meerwerk minus het door appellant(e) al aan [A] betaalde meerwerk, zie ook rov. 19.7.1., randnummer 2.69). Daartoe heeft het hof in de genoemde rechtsoverwegingen ook steeds per appellant(e) de door de curator respectievelijk [verweerders] opgevoerde bedragen (wat de curator betreft: het door [A] in totaal verrichte meerwerk en wat [verweerders] betreft: het afbouwbedrag), inhoudelijk beoordeeld. Het hof heeft daarbij consequent de volgende uitgangspunten toegepast: als het beschikbaar te houden meerwerkbedrag lager is dan het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking, is het eerstgenoemde bedrag het maximale aan de curator toe te kennen bedrag. Is evenwel het beschikbaar te houden meerwerkbedrag hoger dan het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking, dan is het laatstgenoemde bedrag het maximale aan de curator toe te kennen bedrag (zoals het hof in rov. 19.3.1. en 19.3.2. heeft vooropgesteld, randnummer 2.66).

2.71

Ten slotte is het hof nog ingegaan op de grieven van [verweerders] die zijn gericht tegen toewijzing van de door de curator gevorderde contractuele rente van 8% op jaarbasis. Het hof heeft die grieven laten falen:

“19.7.15. Vervolgens dienen ten aanzien van alle appellanten de gevorderde contractuele rente van 8% op jaarbasis, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten in eerste aanleg te worden beoordeeld. [verweerders] hebben de toewijzing van deze rente en kosten bestreden in de summiere grieven 14, 15 en 16. Zij hebben hierover alleen aangevoerd dat deze posten ten onrechte zijn toegewezen omdat de vorderingen van de curator afgewezen hadden dienen te worden. Gelet op het bovenstaande slaagt dit betoog niet en falen de grieven 14, 15 en 16. De toewijzing van de rente en kosten zoals verwoord in het dictum van het bestreden vonnis van de rechtbank zal dan ook worden gehandhaafd (en in hoger beroep opnieuw worden uitgesproken, zie hierna in 19.8.).”

2.72

De slotsom van het hof luidt dan als volgt:

“19.8. (…) Voor alle duidelijkheid zal het hof het gehele bestreden vonnis van de rechtbank vernietigen. Opnieuw rechtdoende zal het hof appellanten veroordelen tot betaling aan de curator van de in 19.7.4. tot en met 19.7.14. genoemde bedragen, vermeerderd met de in 19.7.15. genoemde rente en kosten. Nu beide partijen over en weer op onderdelen van het hoger beroep in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.”

2.73

Uit het dictum volgt dat het hof de appellanten heeft veroordeeld tot voldoening aan de curator van de volgende bedragen wegens ongerechtvaardigde verrijking (te vermeerderen met de contractuele rente van 8% op jaarbasis conform rov. 3.6. van het eindvonnis van de rechtbank):

- [verweerder 1] : € 12.518,46;

- [verweerder 2] en [verweerster 3] hoofdelijk: € 13.503,75;

- [verweerder 4] : € 18.226,08;

- [verweerder 5] en [verweerster 6] hoofdelijk: € 9.620,14;

- [verweerder 7] : € 5.609,39;

- [verweerster 8] : € 22.877,98;

- [verweerster 9] : € 20.169,24;

- [verweerder 10] en [verweerster 11] hoofdelijk: € 13.284,24;

- [verweerder 12] : € 4.088,04;

- [verweerder 13] en [verweerster 14] hoofdelijk: € 419,91;

- [verweerder 15] : € 794,19.

Daarnaast zijn de appellanten veroordeeld tot betaling aan de curator van buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2011 tot de dag van voldoening. Ook zijn zij, hoofdelijk, veroordeeld tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum van het bestreden vonnis tot de dag van de voldoening. De proceskosten in hoger beroep heeft het hof gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.

2.74

De curator heeft bij procesinleiding van 12 juni 2019 – derhalve tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen alle arresten van het hof met uitzondering van het eerste tussenarrest. [verweerders] hebben daartegen verweer gevoerd en tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest en het vijfde tussenarrest van het hof. De curator heeft vervolgens verweer gevoerd tegen het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, waarna beide partijen hun standpunten schriftelijk hebben doen toelichten. De curator heeft ten slotte gerepliceerd. [verweerders] hebben afgezien van dupliek.

3 Een inleidend overzicht

3.1

Deze zaak gaat in de kern om de vraag of de curator, die zelf heeft aangegeven de overeenkomst niet gestand te zullen doen, recht heeft op betaling van door de gefailleerde aannemer voor diens faillissement verricht werk. In eerste instantie zet hij zijn geld op nakoming, in tweede instantie op ongerechtvaardigde verrijking. Van belang is dat de verkrijgers de overeenkomst niet (gedeeltelijk) hebben ontbonden. In dit verband rijst onder meer de vraag welke consequenties art. 37 Fw verbindt aan de mededeling van de curator dat hij de overeenkomt niet gestand doet. Verder wordt deze zaak sterk beïnvloed door de contractuele termijnenregeling. Ten slotte bestaat een terugkerend door de curator aan de orde gesteld thema, zij het niet met het door hem gewenste resultaat, in de consequenties van een (al dan niet gedwongen) keuze van de verkrijgers voor vervangende schadevergoeding. Volgens de curator heeft dat cruciale gevolgen voor zijn recht op betaling: voor zover dat nog niet was ontstaan of nog niet opeisbaar was, is dat door die keuze alsnog gebeurd.

3.2

Omdat het om een lastige zaak gaat waarin de nodige rechtsvragen aan de orde zijn in een behoorlijk aantal in cassatie bestreden (tussen)arresten geef ik, voordat ik overga tot de bespreking van de klachten in het door de curator ingestelde principaal cassatieberoep (par. 4) en van de klachten in het door [verweerders] ingestelde incidenteel cassatieberoep, een inleidend overzicht. Aan het slot van dit overzicht neem ik een voorschot op de behandeling van de klachten in het principaal cassatieberoep.

Betaling van het meerwerk; twee grondslagen

3.3

Deze zaak heeft betrekking op door een aannemer, [A] , te verrichten meerwerk op basis van met de verkrijgers, [verweerders] , gesloten koop-/aannemingsovereenkomsten. Op grond van deze overeenkomsten hebben [verweerders] 25% exclusief BTW van de meerwerkopdrachtsom aan [A] betaald. [A] is tijdens het meerwerk failliet gegaan, waarna de curator desgevraagd heeft meegedeeld de overeenkomsten niet gestand te doen (art. 37 Fw). Ingevolge de op basis van de koop-/aannemingsovereenkomsten toepasselijke GIW-regeling zijn de woningen vervolgens na tussenkomst van Woningborg afgebouwd. In dat verband hebben [verweerders] de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg ter beschikking gesteld.

3.4

In de onderhavige procedure vordert de curator betaling door [verweerders] van de eindfacturen met betrekking tot het meerwerk (de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom plus BTW over de volledige meerwerkopdrachtsom). Daarbij is een tweetal grondslagen aan de orde: primair gaat het om nakoming, subsidiair om ongerechtvaardigde verrijking. [verweerders] betwisten niet alleen dat zij tot betaling gehouden zijn, maar beroepen zich ook op verrekening in verband met (eventuele) door hen geleden schade. Zij zijn beducht voor dubbelbetaling, omdat zij deze resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg hebben voldaan om de afbouw van de woningen mogelijk te maken.

3.5

Nadat de rechtbank de vorderingen van de curator op de primaire grondslag (nakoming) had toegewezen en daarbij het beroep van [verweerders] op verrekening had afgewezen, is de strijd in hoger beroep pas echt losgebrand met vijf tussenarresten, een prejudiciële beslissing van Uw Raad en een eindarrest als resultaat. Uiteindelijk is het hof uitgekomen bij toewijzing ten laste van [verweerders] van op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vergoedingen voor het daadwerkelijk door [A] verrichte meerwerk. Daarbij heeft het hof het beroep van [verweerders] op verrekening met eventuele door hen geleden schade gehonoreerd.

Art. 37 Fw en de keuze van [verweerders]

3.6

In deze zaak speelt art. 37 Fw een hoofdrol. Naar oud recht had het niet gestand doen van een overeenkomst die nog niet volledig is uitgevoerd door de curator tot gevolg dat deze van rechtswege werd ontbonden. Daarmee werden partijen van rechtswege bevrijd van nog openstaande verplichtingen, maar ontstond voor hen ook een verplichting tot ongedaanmaking van reeds ontvangen prestaties. Dat zou in een geval als het onderhavige betekenen dat, eventuele schadevergoeding daargelaten, de aannemer (althans de curator) kon rekenen op vergoeding van de waarde van het door hem verrichte werk. Naar huidig recht is die ontbinding van rechtswege niet langer aan de orde. Wanneer de curator verklaart een overeenkomst niet gestand te zullen doen, heeft dat uiteraard consequenties voor het recht op (verdere) nakoming, maar wat de (verdere) gevolgen, bijvoorbeeld voor het reeds door de failliet verrichte werk, zijn, is afhankelijk van de vraag waarvoor de wederpartij kiest: vervangende schadevergoeding of (gedeeltelijke) ontbinding al dan niet gecombineerd met aanvullende schadevergoeding.

3.7

In de onderhavige zaak heeft de curator [verweerders] op de voet van art. 6:88 BW een termijn gesteld waarin zij haar keuze voor vervangende schadevergoeding danwel partiële ontbinding zou moeten maken. Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat voor zover [verweerders] niet al vrijwillig hadden gekozen voor schadevergoeding, moet worden aangenomen dat de consequentie van het onbenut laten van de op de voet van art. 6:88 BW gestelde termijn is dat [verweerders] niet meer voor ontbinding kunnen kiezen en dat de vordering tot schadevergoeding resteert (rov. 7.8., tweede tussenarrest).

3.8

Dat [verweerders] niet gekozen hebben voor ontbinding, is niet zonder belang. Bij gehele ontbinding zouden de zojuist in randnummer 3.6 genoemde rechtsgevolgen aan de orde zijn (bevrijding en ongedaanmaking). Voor de curator zou dat, eventuele schadevergoeding daargelaten, betekenen dat hij zou kunnen rekenen op vergoeding van de waarde van het door [A] verrichte werk. Bij gedeeltelijke ontbinding (voor zover de overeenkomst nog niet is uitgevoerd) zou van ongedaanmaking en van waardevergoeding op die voet voor het reeds verrichte werk geen sprake zijn. De curator zou in zoverre dan in beginsel aangewezen zijn op nakoming.

De termijnenregeling en de consequenties voor de primaire grondslag

3.9

In de onderhavige zaak heeft de curator in eerste instantie zijn geld ook gezet op nakoming: hij stuurde, als gezegd, aan op betaling van de eindfacturen (hiervoor randnummer 3.4). Het hof heeft echter aangenomen dat het meerwerk niet door [A] was voltooid (rov. 7.10., tweede tussenarrest). Vervolgens heeft het hof beoordeeld wat de overeenkomst tussen partijen op dit punt meebrengt (de termijnenregeling). Het hof is daarbij [verweerders] gevolgd in de uitleg dat hun betalingsverplichting niet opeisbaar is geworden bij het gereedkomen van elke meerwerkpost (uitleg curator), doch pas bij het gereedkomen van het gehele meerwerk (rov. 7.11.2., tweede tussenarrest).

3.10

Dat het meerwerk alsnog door anderen is voltooid, brengt geen verandering in het oordeel over de opeisbaarheid (rov. 7.12.2., tweede tussenarrest). De stelling van de curator dat de keuze van [verweerders] voor vervangende schadevergoeding zou leiden tot de fictie dat het meerwerk is tot stand gekomen zodat de betalingsvordering opeisbaar is geworden, is door het hof gepasseerd (rov. 7.12.1., tweede tussenarrest).

3.11

Van algehele toewijzing van de vorderingen van de curator zou dus geen sprake kunnen zijn, hooguit gedeeltelijke toewijzing voor daadwerkelijk door [A] verricht meerwerk (rov. 7.14.1., tweede tussenarrest). Vaststaat dat de daarmee corresponderende tegenprestatie hoger is dan de reeds betaalde 25% van de meerwerkopdrachtsom (rov. 7.13., tweede tussenarrest). In dit verband had het hof het voornemen aan Uw Raad ex art. 392 Rv de vraag voor te leggen of de curator ingevolge art. 37 Fw het recht zou verliezen om nakoming te vorderen van de verplichting tot betaling van het vóór faillissementsdatum verrichte meerwerk terzake waarvan op die datum de afgesproken betalingstermijnen (nog) niet opeisbaar waren (rov. 7.15., tweede tussenarrest).

3.12

Zover is het echter niet gekomen, omdat het hof op basis van de reacties van partijen op de voorgenomen vraag heeft geconcludeerd dat de termijnenregeling niet in de weg staat aan het opeisbaar worden van de vorderingen van de curator maar aan het ontstaan ervan. Vervolgens heeft het hof beslist dat de vorderingen van de curator dan in elk geval niet op de primaire grondslag, nakoming, kunnen worden toegewezen. De vorderingen waren nog niet ontstaan op de faillissementsdatum en zijn ook later bij voltooiing van het werk door anderen niet alsnog ontstaan, aldus het hof (rov. 10.2.2., derde tussenarrest).

De subsidiaire grondslag

3.13

Daarmee is de subsidiaire grondslag, ongerechtvaardigde verrijking, in beeld gekomen. In dit verband heeft het hof gewezen op het verschil tussen art. 37 Fw (oud) en het huidige art. 37 Fw (hiervoor randnummer 3.6). Anders dan onder het oude recht leidt de verklaring van de curator dat hij de overeenkomst niet gestand doet niet tot ontbinding van rechtswege. Wanneer de wederpartij dan, zoals hier [verweerders] , niet kiest voor ontbinding ontstaan er geen ongedaanmakingsverplichtingen. Er ontstaat dus ook geen verplichting tot vergoeding van de door de schuldenaar, hier [A] , al verrichte werkzaamheden ex art. 6:272 BW. De termijnenregeling leidt zo bekeken tot verrijking. Voor het hof rees vervolgens de vraag of het systeem van art. 37 Fw (geen ontbinding meer van rechtswege, verlies voor de curator van het recht op nakoming) meebrengt dat deze verrijking niet ongerechtvaardigd is (rov. 10.3.2., derde tussenarrest). In dat geval zouden de vorderingen van de curator ook op subsidiaire grondslag moeten worden afgewezen.

3.14

In dit verband nam het hof zich voor een daarop gerichte prejudiciële vraag aan Uw Raad voor te leggen waarover partijen zich mochten uitlaten (rov. 10.3.4., derde tussenarrest).

3.15

Het hof was niet bereid de door de curator voorgestelde vraag over te nemen of op de wederpartij in een situatie zoals hier aan de orde is, een verplichting rust tot vergoeding van de waarde van de concreet door de schuldenaar geleverde prestaties op het tijdstip van ontvangst daarvan, ook indien de overeenkomst niet (partieel) is ontbonden maar gekozen is voor vervangende schadevergoeding en de betalingsverbintenis van de wederpartij jegens de schuldenaar nog niet opeisbaar c.q. ontstaan is. Volgens het hof vloeit uit hetgeen het heeft overwogen in rov. 10.3.2. (geen ontbinding van rechtswege zoals onder art. 37 Fw (oud) en ook geen keuze voor ontbinding door [verweerders] ) al voort dat er geen sprake is van een met de ongedaanmakingsverplichting uit art. 6:272 BW overeenkomende vergoedingsplicht van [verweerders] voor de door [A] vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerkwerkzaamheden (boven de al betaalde 25% van de totale meerwerkopdrachtsom) (rov. 10.7., derde tussenarrest).

Terugkomen op eerdere eindbeslissingen?

3.16

In het vierde tussenarrest dat uiteindelijk is uitgemond in de formulering van de twee aan Uw Raad voorgelegde prejudiciële vragen (hiervoor randnummer 2.40), heeft het hof het verzoek van de curator om terug te komen op de eindbeslissingen in rov. 10.2.2., 10.3.2., 10.3.5. en 10.7. van het derde tussenarrest (die onder meer betrekking hadden op het niet ontstaan zijn van de vorderingen van de curator tot betaling van het meerwerk) afgewezen. Deze eindebeslissingen berusten volgens het hof niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en de curator heeft in zijn akte na het derde tussenarrest ook geen inhoudelijke stellingen hierover naar voren gebracht (rov. 13.3., vierde tussenarrest).

De prejudiciële beslissing

3.17

De prejudiciële beslissing van Uw Raad heeft een aantal zaken duidelijk gemaakt. Voor de onderhavige zaak is van belang dat:

- de curator na de in art. 37 Fw bedoelde verklaring van de curator het recht op nakoming behoudt van de tegenprestatie voor de prestatie die de gefailleerde ter uitvoering van de overeenkomst reeds vóór de faillietverklaring heeft verricht;

- aan (het vorderen van) nakoming in zo’n geval echter in de weg kan staan dat (de inhoud van) de overeenkomst meebrengt dat de wederpartij de tegenprestatie voor een prestatie van de gefailleerde pas verschuldigd is ingeval die prestatie voltooid is;

- een dergelijke regeling, in gevallen waarin de wederpartij ervoor kiest de overeenkomst in stand te laten (in plaats van de overeenkomst te ontbinden ex art. 6:265 BW), op zich niet in de weg staat aan een op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering van de curator met betrekking tot het vóór het faillissement door de gefailleerde voltooide gedeelte van de prestatie waarvoor de wederpartij (nog) niet heeft betaald omdat de overeenkomst dat nu eenmaal meebrengt;

- dit slechts anders is wanneer de overeenkomst niet slechts ertoe strekt het tijdstip van opeisbaarheid van de tegenprestatie te regelen, maar (ook) ertoe strekt dat bij het niet volledig voltooid zijn van de desbetreffende prestatie geen vergoeding door de wederpartij verschuldigd is.

Terugkomen op afwijzing nakomingsvordering vanwege omzetting?

3.18

Na de prejudiciële beslissing heeft de curator het hof, daartoe geïnspireerd door de conclusie van A-G De Bock voor de prejudiciële beslissing, opnieuw verzocht om terug te komen van zijn beslissingen (onder meer in rov. 10.2.2. en 10.3.2., derde tussenarrest) dat de vordering van de curator niet kan worden toegewezen op de primaire grondslag nakoming. Omdat conform art. 6:88 BW sprake zou zijn van omzetting in vervangende schadevergoeding zou de aannemer alsnog recht hebben op de nog niet betaalde 75% van de meerwerkopdrachtsom. Deze zou, aldus de curator, per omzettingsdatum opeisbaar zijn en als nakomingsvordering toewijsbaar (rov. 16.3., vijfde tussenarrest). Het hof heeft ook nu geen aanleiding gezien op zijn beslissingen terug te komen, omdat van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag geen sprake zou zijn (rov. 16.4., vijfde tussenarrest).

3.19

In dit verband overweegt het hof dat het opteren voor (vervangende) schadevergoeding door [verweerders] toen de curator hen een termijn stelde op de voet van art. 6:88 BW niet meebrengt dat voor de boedel alsnog een nakomingsvordering ontstaat terzake van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom. Het hof blijft bij zijn oordeel dat de vordering tot nakoming van de curator niet kan slagen en dat de beoordeling van de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking resteert. Voor het hof is daarbij kennelijk redengevend dat (rov. 16.4., vijfde tussenarrest):

- na het faillissement in dat geval ten onrechte een vordering van de curator zou ontstaan die [A] zonder het faillissement niet zou hebben gehad (terwijl het faillissement als zodanig geen wijziging brengt in de verbintenissen uit een door de failliet aangegane overeenkomst); het meerwerk was nog niet voltooid en betaling van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom was gelet op de termijnenregeling nog niet verschuldigd;

- ook Uw Raad in de prejudiciële beslissing aan de keuze van [verweerders] om niet te ontbinden niet het gevolg verbindt dat daarmee alsnog een betalingsverplichting ontstaat van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom;

- Uw Raad in de prejudiciële beslissing (rov. 3.6.3) voor het geval de wederpartij niet overgaat tot ontbinding wel overweegt de boedel in beginsel een vordering heeft uit ongerechtvaardigde verrijking.

Recht op vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking

3.20

Ten aanzien van de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking heeft het hof overwogen dat de curator gelet op de prejudiciële beslissing en de omstandigheden van dit geval in beginsel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft voor het door [A] verrichte meerwerk (rov. 16.6., vijfde tussenarrest):

- het gaat om een geval als bedoeld in de punten (i) tot en met (v) van de eerste prejudiciële vraag;

- de onderhavige termijnenregeling staat niet in de weg aan een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking;

- op basis van de koop-/aannemingsovereenkomsten kan niet worden geoordeeld dat bij het niet volledig voltooid zijn van het betreffende meerwerk, geen vergoeding door [verweerders] verschuldigd is.

3.21

Om de omvang van de in beginsel toe te wijzen bedragen te kunnen bepalen, heeft het hof de curator opgedragen bij akte een overzicht te geven van het daadwerkelijk verrichte meerwerk (rov. 16.8., vijfde tussenarrest).

Verrekening door [verweerders] met eventuele schadevordering?

3.22

Vervolgens is het hof toegekomen aan het beroep van [verweerders] op verrekening van het in beginsel aan de curator toekomende bedrag met eventueel door [verweerders] geleden schade (rov. 16.9.1., vijfde tussenarrest). In verband met de vraag of bij een of meer van de verkrijgers sprake is van schade heeft het hof erop gewezen dat [verweerders] hebben afgezien van ontbinding en hun keuze hebben bepaald op een vordering tot schadevergoeding. Daarbij heeft het hof verwezen naar het arrest […] /Peters q.q.16 (waarin de vordering van de aannemer op grond van de termijnenregeling al wél was ontstaan, zodat de curator in beginsel nakoming kon vorderen van het vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk), omdat Uw Raad in rov. 3.5.4 zou hebben geoordeeld over de schade in een vergelijkbare situatie (rov. 16.9.2., vijfde tussenarrest).

3.23

Vervolgens heeft het hof overwogen dat hier net als in die zaak vast staat dat alle verkrijgers de resterende 75% van meerwerkopdrachtsom hebben betaald aan Woningborg en verder dat Woningborg deze bedragen geheel of gedeeltelijk heeft aangewend voor de afbouw (rov. 16.9.3., vijfde tussenarrest). Of nu sprake is van schade, hangt volgens het hof af van de vraag of het voor de concrete verkrijger benodigde afbouwbedrag even hoog of hoger was dan de resterende meerwerktermijn (de 75% van de meerwerkopdrachtsom) danwel juist lager dan dat bedrag (rov. 16.9.4., vijfde tussenarrest).

3.24

Is het voor de concrete verkrijger benodigde afbouwbedrag even hoog of hoger dan de resterende meerwerktermijn (de 75% van de meerwerkopdrachtsom) dan was betaling van de gehele resterende meerwerktermijn aan Woningborg in zoverre terecht dat dit bedrag nodig was voor de afbouw en daaraan is besteed. Toewijzing van de vordering van de curator zou dan meebrengen dat de verkrijger meer zou moeten betalen dan met de aannemer was overeengekomen. Deze schade loopt gelijk op met de omvang van het aan de curator verschuldigde bedrag uit ongerechtvaardigde verrijking en komt daarom in beginsel in aanmerking voor verrekening daarmee (rov. 16.9.4., vijfde tussenarrest).

3.25

Is het voor de concrete verkrijger benodigde afbouwbedrag juist lager dan de resterende meerwerktermijn (de 75% van de meerwerkopdrachtsom), hetgeen eigenlijk voor de hand ligt gegeven dat vaststaat dat [A] meer meerwerk heeft verricht dan correspondeert met de reeds betaalde 25% van de meerwerkopdrachtsom, dan heeft de verkrijger meer aan Woningborg betaald dan nodig voor de afbouw van de woning. Wat dit betekent, heeft het hof in eerste instantie aangehouden (rov. 16.9.5., vijfde tussenarrest).

3.26

Het hof heeft [verweerders] opgedragen bij akte een overzicht te geven van de afbouwbedragen per verkrijger (rov. 16.9.6., vijfde tussenarrest).

Verrekeningsperikelen

3.27

Vervolgens heeft het hof, uitgaande van schade, aandacht besteed aan mogelijke obstakels voor verrekening. In dit verband heeft de curator betoogd dat verrekening niet mogelijk is, (i) omdat Woningborg als verzekeraar is gesubrogeerd in de rechten van [verweerders] en (ii) omdat [verweerders] hun schadevorderingen hebben gecedeerd aan Woningborg voordat zij hun verrekeningsverklaring uitbrachten. Dat Woningborg de vorderingen weer ‘terug’ zou hebben gecedeerd, zou hierin volgens de curator geen verandering brengen, omdat verrekening na deze retrocessie in strijd zou zijn met art. 54 lid 2 Fw (rov. 16.10.2., vijfde tussenarrest).

3.28

Het hof heeft de curator hierin echter niet gevolgd en het beroep op verrekening, voor het geval sprake is van schade, toegestaan. Van subrogatie in de zin van art. 7:962 BW is volgens het hof geen sprake, omdat de in rov. 16.9.4. en 16.9.5. (vijfde tussenarrest) bedoelde schade (nog) niet door Woningborg aan [verweerders] is vergoed (rov. 16.10.3., vijfde tussenarrest). Wat de cessie en retrocessie betreft, heeft het hof overwogen dat [verweerders] hun vorderingen in november 2009 op grond van artikel 11.5 van de GIW-regeling hebben gecedeerd, dat mededeling van de cessie aan de curator heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010, dat [verweerders] op 6 januari 2011 een verrekeningsverklaring hebben uitgebracht en dat Woningborg bij akten van eind november 2012 de schadevorderingen heeft teruggecedeerd onder de voorwaarde dat het door [verweerders] reeds gedane beroep op verrekening wordt gefrustreerd door de eerdere cessie aan Woningborg. De memorie van grieven zou de mededeling aan de curator van deze retrocessie inhouden (rov. 16.10.4. en rov. 16.10.5.). Voor zover overeenkomstig de stellingen van de curator de cessie ook de bewuste schadevorderingen van [verweerders] omvatte, zijn deze vorderingen door de retrocessie weer teruggevloeid in het vermogen van [verweerders] Daarmee is verrekening met de vorderingen van de curator uit ongerechtvaardigde verrijking mogelijk (rov. 16.10.7.)

3.29

Deze specifieke verrekening valt, anders dan de curator heeft aangevoerd, volgens het hof niet binnen het toepassingsbereik van art. 54 lid 2 Fw, omdat hier niet het geval aan de orde is dat een schuldenaar van de gefailleerde zijn positie op ongerechtvaardigde wijze verbetert door tijdens het faillissement een vordering op de gefailleerde van een derde over te nemen en daardoor een verrekeningsmogelijkheid creëert die hem geheel of gedeeltelijk van zijn schuld aan de gefailleerde kan bevrijden. Art. 54 lid 2 Fw staat volgens het hof daarom niet in de weg aan verrekening door [verweerders] na de retrocessie (rov. 16.10.7., vijfde tussenarrest).

3.30

Voor het geval art. 54 lid 2 Fw verrekening wel zou verhinderen, heeft het hof ‘ten overvloede’ overwogen dat dit niet tot een andere uitkomst voor [verweerders] zou leiden, omdat in dat geval (i) ofwel de verrijking van ieder de verkrijgers niet ongerechtvaardigd zou zijn tot een bedrag van hun vanwege het voorgaande niet verrekenbare schade, (ii) ofwel het aan de curator toe te wijzen bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking zou worden verminderd met het bedrag van de niet verrekenbare schade vanwege de redelijkheidstoets in art. 6:212 BW (rov. 16.10.8., vijfde tussenarrest).

De afwikkeling

3.31

Uiteindelijk heeft het hof per verkrijger een berekening gemaakt. Uitgangspunten daarbij zijn geweest dat iedere verkrijger de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg heeft betaald met het oog op de afbouw en dat [verweerders] hun eventuele schadevorderingen kunnen verrekenen met het aan de curator op grond van ongerechtvaardigde verrijking verschuldigde bedrag. Verder is relevant of het afbouwbedrag even hoog of hoger is dan 75% van de meerwerkopdrachtsom of juist lager (hiervoor randnummers 3.23-3.25).

3.32

In het eerste geval zou toewijzing van de vordering van de curator meebrengen dat de verkrijger meer, namelijk voor het bedrag van de in beginsel aan de curator toekomende art. 6:212 BW-vergoeding, zou moeten betalen dan met de aannemer was overeengekomen. Deze schade zou dan volledig kunnen worden verrekend. Dit geval doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor (rov. 19.3.1., eindarrest)).

3.33

Wanneer het voor de concrete verkrijger benodigde afbouwbedrag juist lager was dan de resterende meerwerktermijn (de 75% van de meerwerkopdrachtsom), heeft de verkrijger meer aan Woningborg betaald dan nodig voor de afbouw van de woning. Dat gedeelte had beschikbaar moeten blijven voor betaling van het daadwerkelijk door [A] verrichte meerwerk dat nog niet was betaald: de vordering van de curator uit ongerechtvaardigde verrijking. Daarmee is nog niet gezegd dat de curator dat meerdere (door het hof aangeduid als ‘het beschikbaar te houden meerwerkbedrag’) ook steeds krijgt. Dat is weer afhankelijk van de omvang van het aan de curator uit ongerechtvaardigde verrijking verschuldigde bedrag. Is dat namelijk hoger dan het beschikbaar te houden meerwerkbedrag, dan heeft de curator slechts recht op dat laatste. Volledige vergoeding zou dan immers weer leiden tot verrekenbare schade (rov. 19.3.1., eindarrest).

3.34

Uiteindelijk heeft het hof op basis van de genoemde uitgangspunten per verkrijger een berekening gemaakt en is het tot een toewijzing van een bepaald bedrag gekomen. Omdat partijen naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over de BTW-aspecten, heeft het hof de schatting van alle bedragen en de vaststelling van de uiteindelijk aan de curator toe te wijzen bedragen gebaseerd op de door partijen genoemde bedragen exclusief BTW (rov. 19.5.2., eindarrest).

In cassatie

3.35

Zowel de curator als (deels voorwaardelijk) [verweerders] hebben cassatieberoep ingesteld.

3.36

De curator richt zich onder meer tegen de afwijzing van zijn vordering op primaire grondslag (nakoming). In dit verband heeft hij meerdere pijlen op zijn boog. In de eerste plaats bestrijdt hij de ommezwaai die het hof maakt van de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator als twistpunt tussen partijen naar het ontstaan ervan en de consequenties die deze koerswijziging heeft gehad (afwijzing van de vorderingen op de grondslag nakoming) (onderdeel 1). In de tweede plaats komt de curator ook in cassatie met het betoog dat de ‘keuze’ van [verweerders] voor vervangende schadevergoeding consequenties heeft voor het ontstaan en de opeisbaarheid van de op hen rustende betalingsverplichting (onderdeel 3). Volgens de curator heeft deze ‘keuze’ tot gevolg gehad dat deze betalingsverplichting is ontstaan én opeisbaar is geworden, voor zover dat nog niet het geval was.

3.37

Wat betreft de toewijzing op de subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) heeft de curator verschillende onderdelen geformuleerd die zich richten tegen het oordeel dat [verweerders] een eventuele schadevordering kunnen verrekenen. In dit verband betoogt de curator onder meer dat Woningborg de eventuele schade van [verweerders] reeds in natura heeft vergoed, zodat er niets te verrekenen viel (onderdeel 2 en 4). Verder bestrijdt de curator het oordeel omtrent de (geldigheid van de) retrocessie (onderdeel 5) en het oordeel dat art. 54 lid 2 Fw zich niet tegen de hier aan de orde zijnde specifieke verrekening verzet (onderdeel 6).

3.38

[verweerders] klagen in het incidenteel cassatieberoep (onvoorwaardelijk) over de door het hof toegewezen contractuele rente en (voorwaardelijk) over het door het hof berekende afbouwbedrag.

Waar gaat dit heen?

3.39

Eigenlijk zijn in deze zaak twee kernvragen aan de orde. Heeft de curator recht op het volledige restant van de meerwerkopdrachtsom (de 75%)? En zo nee: heeft hij dan recht op een vergoeding voor het meerwerk dat de aannemer daadwerkelijk heeft verricht en waarvoor hij nog niet met de eerste 25% van de meerwerkopdrachtsom is betaald?

3.40

Het hof heeft de eerste vraag ontkennend beantwoord:

- [A] heeft het meerwerk niet geheel voltooid (rov. 7.10., tweede tussenarrest) en ingevolge de termijnenregeling wordt de verplichting tot betaling van het meerwerk niet opeisbaar per meerwerkpost maar pas bij het gereedkomen van het gehele meerwerk (rov. 7.11.2., tweede tussenarrest);

- dat het meerwerk feitelijk door anderen is voltooid, brengt niet mee dat de verplichting tot betaling van de resterende 75% alsnog opeisbaar is geworden (rov. 7.12.2., tweede tussenarrest; zie ook rov. 7.14.1.);

- hetzelfde geldt wanneer, zoals het hof later heeft aangenomen, de termijnenregeling niet aan opeisbaarheid in de weg staat maar aan het ontstaan van de verplichting tot betaling (rov. 10.2.2., derde tussenarrest).

3.41

Vervolgens rijst de vraag of de curator dan recht heeft op een vergoeding voor het meerwerk dat de aannemer daadwerkelijk heeft verricht en waarvoor hij nog niet met de eerste 25% van de meerwerkopdrachtsom is betaald (rov. 7.13., tweede tussenarrest). Toen het hof met die vraag aan de slag ging, zat hij aanvankelijk nog op het nakomingsspoor, maar dat heeft hij verlaten toen hij aan het debat tussen partijen overhield dat de termijnenregeling niet de opeisbaarheid maar het ontstaan van de betalingsverplichting in de weg stond. Vervolgens heeft hij de vordering op de nakomingsgrondslag afgewezen (rov. 10.2.2., derde tussenarrest).

3.42

Vergoeding voor het daadwerkelijk verrichte meerwerk op basis van art. 6:212 BW is door het hof uiteindelijk wel toegewezen. Art. 37 Fw verzet zich niet tegen een dergelijke vergoeding en de termijnenregeling evenmin (rov. 16.6., vijfde tussenarrest).

3.43

Bij het bepalen van de uiteindelijk toe te wijzen bedragen is eventuele schade voor [verweerders] verrekend. In de kern komt het erop neer dat steeds het saldo van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom minus het afbouwbedrag (het bedrag dat uiteindelijk is betaald in verband met de afbouw via Woningborg) tot uitgangspunt is genomen (rov. 16.9.4., vijfde tussenarrest en rov. 19.3.1., eindarrest). In de gevallen waarin de waarde van het door de aannemer daadwerkelijk verrichte werk hoger is dan genoemd saldo, is de curator slechts dat saldo toegewezen (de afbouw heeft dan meer gekost dan aanvankelijk met [A] overeengekomen, zodat volledige toewijzing van de waarde van het door [A] verrichte werk weer tot schade bij [verweerders] zou leiden).

3.44

Op deze wijze is vergoeding voor het daadwerkelijk verrichte meerwerk voor de boedel weggelegd, maar is tegelijkertijd voorkomen dat [verweerders] met eventuele schade blijven zitten.

3.45

Dat lijkt mij een reële uitkomst. Dat voor het daadwerkelijk verrichte werk niet ‘betaald’ zou hoeven worden, spreekt niet aan. Normaal gesproken zou dat via nakoming lopen, maar hier zit dan de termijnenregeling in de weg. Ook bij ontbinding zou vergoeding aan de orde zijn (waardevergoeding ex art. 6:272 BW). Hier is echter niet voor ontbinding gekozen. Dan biedt art. 6:212 BW uitkomst. Tegelijkertijd moet, in ieder van deze scenario’s, recht worden gedaan aan het gegeven dat de wanprestatie van de curator schade (hogere afbouwkosten bijvoorbeeld) kan hebben veroorzaakt. Steeds zou het resultaat moeten zijn dat per saldo vergoeding voor het daadwerkelijk verrichte meerwerk voor de boedel wordt gerealiseerd, maar tegelijkertijd wordt voorkomen dat [verweerders] met eventuele schade blijven zitten.

3.46

In het principaal cassatieberoep zet de curator erop in meer uit de kan te halen, zo mogelijk het onderste (volledige betaling van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom). Verder neemt hij, niet verrassend, ook het honoreren van het beroep van [verweerders] op verrekening onder vuur.

3.47

Om met dat laatste te beginnen. Ik zie geen heil in de diverse in dit verband geformuleerde klachten:

- Woningborg heeft de afbouw niet op eigen kosten verricht en zo [verweerders] in natura schadeloos gesteld (zodat er ook geen schadevordering meer te verrekenen zou zijn); de in dit verband relevante onderdelen 2 en 4 missen wat mij betreft doel; met het hof (rov. 16.9.4., vijfde tussenarrest) zou ik menen dat de afwikkeling die hier heeft plaatsgehad en waarbij de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg ter beschikking is gesteld met het oog op de afbouw in lijn is met de GIW-regeling (hierna randnummers 4.57 e.v. en randnummers 4.121 e.v.);

- dat [verweerders] hun eventuele schadevordering aanvankelijk aan Woningborg hebben overgedragen, doet hier niet aan af; daarna heeft retrocessie plaatsgehad juist om een adequate afwikkeling van de insolventiewaarborg te bevorderen; art. 54 lid 2 Fw zit deze specifieke op de grondslag van de retrocessie gebaseerde verrekening inderdaad niet in de weg (rov. 16.10.7., vijfde tussenarrest); onderdeel 5 en 6 falen wat mij betreft (hierna randnummers 4.128 e.v. en randnummers 4.143 e.v.).

3.48

Dat betekent dat bij de afwikkeling inderdaad rekening moet worden gehouden met (verrekening van) een eventuele schadevordering voor [verweerders]

3.49

Vervolgens is dan de vraag of de curator inderdaad meer in de wacht kan slepen dan het uitgangspunt dat hij (langs de weg van art. 6:212 BW) vergoeding krijgt voor het daadwerkelijk door [A] verrichte meerwerk. In dit verband zet hij zijn geld eigenlijk op twee uiteenlopende routes. De eerste loopt toch weer langs nakoming (onderdeel 1), de tweede langs vervangende schadevergoeding (onderdeel 3).

3.50

Wat onderdeel 1 betreft is, in de kern, de inzet van de curator dat de beslissing van het hof de nakomingsvordering af te wijzen omdat de betalingsverplichtingen nog niet eens zouden zijn ontstaan onjuist is (rov. 10.2.2., derde tussenarrest). Daarna resteerde slechts de subsidiaire grondslag (art. 6:212 BW). In dit verband wordt het hof onder meer verweten dat het in strijd heeft gehandeld met de leer van de bindende eindbeslissingen. Ik kom hierna tot de conclusie dat één van de klachten slaagt (randnummers 4.11 e.v.), maar belang bij cassatie op dit punt ontbreekt.

3.51

Of nu aan de betalingsverplichting in de weg staat dat zij ingevolge de termijnenregeling nog niet is ontstaan of dat zij nog niet opeisbaar is, maakt uiteindelijk niet uit. Zolang het meerwerk niet is voltooid, is er geen recht op betaling van de volledige 75% van de meerwerkopdrachtsom. Ook niet als het meerwerk door derden is voltooid (rov. 10.2.2., derde tussenarrest (niet-ontstaan) en rov. 7.12.2., tweede tussenarrest) (wat mij betreft houdt deze uitleg in cassatie stand, subonderdeel 3.5 faalt (hierna randnummers 4.107-4.108 e.v.)).

3.52

Iets ingewikkelder ligt dat bij onderdeel 3. In dit kader betoogt de curator dat het hof heeft miskend dat [verweerders] (al dan niet vanwege een vrijwillige keuze daarvoor) aanspraak hebben gemaakt op vervangende schadevergoeding, hetgeen volgens de curator meebrengt dat hij recht heeft op betaling.

3.53

Op dit punt ben ik inderdaad geneigd (hierna randnummers 4.61 e.v.) te concluderen dat het hof zich niet heeft gerealiseerd wat de consequenties zijn van het onbenut laten van een termijn gesteld op de voet van art. 6:88 BW. In dit geval betekent dat dat in plaats van nakoming (het verrichten van het meerwerk) vervangende schadevergoeding aan de orde is. Daartegenover staat echter wel de betalingsverplichting (van ontbinding is immers geen sprake). In deze context kunnen [verweerders] dan niet meer wijzen op de van voltooiing van het werk afhankelijke ontstaan/opeisbaarheid van hun betalingsverplichting. Dat wordt nu ‘gelijk oversteken’.

3.54

Ook hier is echter de vraag wat het belang is bij cassatie op dit punt. Ook nu kan er, gegeven de schadeplichtigheid van de curator, geen sprake van zijn dat [verweerders] dubbel betalen (eerst aan Woningborg, daarna aan de curator). Ook hier zal er na verrekening per saldo een vergoeding voor de curator uitrollen die vergoeding voor het daadwerkelijk verrichte meerwerk voor de boedel inhoudt minus eventuele hogere afbouwkosten. Aangenomen kan worden dat – zeker nu de omvang van de verschillende parameters, zoals de waarde van de resterende werkzaamheden, door het hof is geschat – de uitkomst van deze berekening gelijk is aan de door het hof bereikte uitkomst.17 Het hof heeft immers de facto de aan de boedel toekomende vergoeding voor het uitgevoerde meerwerk beperkt tot het saldo van het bedrag dat door [verweerders] aan Woningborg is betaald minus de waarde van de in ruil daarvoor uitgevoerde resterende werkzaamheden. In de omzettingsvariant wordt de vervangende schadevergoeding ‘weggestreept’ tegen de betalingsverplichting van [verweerders] Van het aldus ‘afgewezen’ daadwerkelijk verricht meerwerk (boven het deel waarvoor hij 25% betaling heeft ontvangen), moet dan de waarde worden vergoed (hierna randnummer 4.73). Met die vergoeding moet eventuele schade van [verweerders] (doordat de afbouw van het resterende gedeelte duurder is dan het daarmee corresponderende gedeelte van de 75% van de oorspronkelijke meerwerkopdrachtsom) wel worden verrekend.

3.55

Ik kom daarom in het principaal cassatieberoep uiteindelijk tot de conclusie dat het beroep moet worden verworpen. De uitwerking volgt nu.

4 Bespreking van het principaal cassatieberoep

5 Bespreking van het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

6 Conclusie