Home

Parket bij de Hoge Raad, 08-09-2020, ECLI:NL:PHR:2020:760, 19/03905

Parket bij de Hoge Raad, 08-09-2020, ECLI:NL:PHR:2020:760, 19/03905

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 september 2020
Datum publicatie
9 september 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:760
Formele relaties
Zaaknummer
19/03905

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Hof heeft blijkens de bewezenverklaring geoordeeld dat het door de betrokken politieambtenaar gegeven bevel om het voertuig van de verdachte te doen stilhouden een krachtens art. 151b Gemeentewet en de art. 50, 51 en 52 WWM gedaan bevel is, dat heeft te gelden als ‘krachtens wettelijk voorschrift’ in de zin van art. 184 Sr. Kunnen die bepalingen worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de verbalisant gerechtigd was tot het doen van een bevel als door het hof is bewezenverklaard en waaraan op straffe van overtreding van art. 184 Sr moet worden voldaan? Conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03905

Zitting 8 september 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Bij arrest van 7 augustus 2019 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2019 bevestigd, met aanvulling van gronden, zodat de verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 750 subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis (met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr) wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel,1 krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten”

2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. Bij Aanwijzingsbesluit van 6 september 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam, gelet op het bepaalde in art. 2:76 APV Rotterdam en art. 151b Gemeentewet, (onder meer) de wijk Charlois aangewezen als veiligheidsrisicogebied, zulks in verband met een groot aantal (vuur)wapen gerelateerde incidenten in die wijk. Het besluit trad in werking op 10 september 2018 en was geldig tot 10 maart 2019, en stelde de officier van justitie in staat om (onder meer) in Charlois de controlebevoegdheden als bedoeld in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie te doen gelasten. In een veiligheidsrisicogebied kan, nadat de officier van justitie daartoe een last heeft gegeven ingevolge de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid en 52, derde lid, WWM, voor de duur van niet langer dan twaalf uur tegenover een ieder de bevoegdheid worden uitgeoefend om respectievelijk verpakkingen van goederen, vervoermiddelen en kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Dit onderzoek wordt in de wandelgangen ook wel ‘preventief fouilleren’ genoemd, een benaming die in dit verband echter niet juist is, althans niet de gehele lading dekt, want zij doet vermoeden dat het om enkel een bevoegdheid tot het doen van onderzoek aan de kleding gaat. Juist is het om hier te spreken van controlebevoegdheden, zoals het genoemde aanwijzingsbesluit van 6 september 2018 dan ook terecht doet. Wat betreft de onderhavige zaak was de bedoelde last op 25 september 2018 door de officier van justitie afgegeven voor de wijk Charlois, en wel van 5 oktober 2018 te 15:00 uur tot zaterdag 6 oktober 2018 te 03:00. Uit de door de rechtbank gebezigde en door het hof overgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verbalisant de verdachte op 5 oktober 2018 met zijn auto zag rijden op de Nederhorst gelegen in de wijk Charlois. De verbalisant was voornemens de last van de officier van justitie toe te passen. Hij zag dat de verdachte een parkeervak inreed. Nadat de verbalisant achter de auto van de verdachte was gestopt, hij oogcontact had gehad met de verdachte en de verdachte had toegeroepen dat hij moest blijven staan met zijn auto en dat hij, de verbalisant, naar de verdachte zou toekomen, reed de verdachte weg. De verbalisant is vervolgens achter de verdachte aangereden en zette het verlichte stopteken aan. De verdachte parkeerde zijn auto in een parkeervak en werd door de verbalisant aangehouden ter zake van het niet voldoen aan een bevel of vordering als bedoeld in art. 184 Sr.

Het middel

4. Het middel komt met twee klachten op tegen – in de woorden van de stellers van het middel – het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering2 krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan als bedoeld in art. 184 Sr. De eerste klacht ziet op de bewezenverklaring van het opzet in weerwil van het verweer van de verdediging dat de verdachte de gegeven vordering niet heeft gehoord en het door de verbalisant gegeven stopteken niet door de verdachte is opgevat als een gebod dat hij met zijn voertuig moest blijven staan. De tweede klacht keert zich tegen de bewezenverklaring van het zinsdeel “krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan”.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 5 oktober 2018 te Rotterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 151b van de Gemeentewet en de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet Wapens en Munitie, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant] , belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen (met zijn voertuig) stil te blijven staan, hieraan geen gevolg te geven.”

6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“- Het proces-verbaal van aanhouding, nummer 2, pagina’s 3 en 4 in het proces-verbaal met dossiernummer 2018299667, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 5 oktober 2018 hielden wij op de locatie Nederhorst te Rotterdam als verdachte aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993, ter zake als verdachte van overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafvordering en artikel 10/3 Opiumwet, artikel 2/C Opiumwet.

- Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 4, pagina’s 15 tot en met 22 in het proces-verbaal met dossiernummer 2018299667, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 5 oktober 2018 reed ik op een dienstmotorfiets op de Nederhorst te Rotterdam.

Voor mij zag ik een grijze Peugeot rijden, voorzien van kenteken [kenteken] . Op 6 september 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam de wijk Charlois, voor de periode van 10 september 2018 tot 10 maart 2019, aangewezen als veiligheidsrisicogebied in verband met het grote aantal (vuur)wapen gerelateerde incidenten in dit gebied. Officier van justitie H.A.L.M. de Kort had op 25 september 2018 bepaald dat voor de duur van 12 uren, ingaande op 5 oktober 2018 om 15:00 uur tot zaterdag 6 oktober 2018 om 03:00 uur een bevel tot preventief fouilleren werd afgegeven. Nederhorst is gelegen in dit veiligheidsrisicogebied.

Ik was voornemens om het bevel tot preventief fouilleren toe te passen op de inzittenden van bovengenoemd voertuig. De selectie was willekeurig. Ik zag dat de bestuurder op de Diepenhorst een parkeervak in reed. Ik stopte mijn motorfiets schuin achter het voertuig. Ik zag dat de bestuurder over zijn linkerschouder mij aankeek, wij oogcontact hadden en ik met gestrekte arm de bestuurder aanwees. Ik riep de bestuurder op luide en niet mis te verstane wijze toe: "Meneer stoppen! Blijf even staan met uw auto, ik kom naar u toe". Ik zag de achteruitrijlichten aan gaan en zag dat het voertuig achteruit het parkeervak uitreed en vervolgens wegreed. Hierop ben ik achter het voertuig aangereden en aan de voorzijde van mijn motorfiets het verlichtte stopteken aan gezet. Op de Nederhorst zag ik dat eerdergenoemd voertuig rechts in een parkeervak parkeerde. Vervolgens heb ik de bestuurder op de Nederhorst aangehouden ter zake het niet voldoen aan een bevel of vordering. De bestuurder bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] .”

7. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:

Aanvulling van het vonnis waarvan beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat door de verbalisant geen bevel of vordering is gegeven zoals is ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan de raadsman stelt acht het hof op grond van het dossier, met name de feiten zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen (nr. PL1700-2018299667-4, Politie eenheid Rotterdam, pg. 15), dat er sprake is van een bevel zoals is ten laste gelegd. Immers, er is in het voornoemde proces-verbaal van bevindingen door de verbalisant onder meer gerelateerd: "Ik zag dat de bestuurder op de Diepenhorst een parkeervak in reed. Ik stopte mijn motorfiets schuin achter het voertuig. Ik zag dat de bestuurder over zijn linkerschouder mij aankeek, wij oogcontact hadden en ik met gestrekte arm de bestuurder aanwees. Ik riep de bestuurder op luide en niet mis te verstane wijze toe: "Meneer stoppen! Blijf even staan met uw auto, ik kom naar u toe".

Het hof verwerpt het verweer.”

Bespreking van het middel

Slotsom