Home

Parket bij de Hoge Raad, 29-09-2020, ECLI:NL:PHR:2020:855, 19/02223

Parket bij de Hoge Raad, 29-09-2020, ECLI:NL:PHR:2020:855, 19/02223

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 september 2020
Datum publicatie
5 oktober 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:855
Formele relaties
Zaaknummer
19/02223

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Complexe faillissementsfraude waarbij is vastgesteld dat verdachte zich als ‘bedrijvendokter’ heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, het feitelijk leiding geven aan (medeplegen van) bedrieglijke bankbreuk, het voorhanden hebben van een valse factuur en het (tezamen en in vereniging) doen opnemen van een valse opgave in een akte. Verschillende bewijsmotiveringsklachten. De AG bespreekt onder meer de terechte klacht dat het niet overdragen van de administratie aan de curator niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan. De overwegingen van het hof houden niets in over het vereiste opzet op de benadeling van schuldeisers en schieten dus tekort. De conclusie strekt tot partiële vernietiging. Samenhang met 19/02117 en 19/02222 (niet gepubl.)

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02223

Zitting 29 september 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 24 april 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr wegens:

- 1 primair “bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”1;

-

2 primair “medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon”;

-

3 primair “bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”;

-

4 primair “bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”,

-

5 subsidiair “in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid”; - 6 “bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”;

-

7 subsidiair “opzettelijk gebruik maken2 van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” en

- 8 subsidiair “medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid”.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken van de medeverdachten 19/02117 ( [medeverdachte 1] ) en 19/02222 ( [medeverdachte 2] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het gaat in deze cassatieprocedure om een complexe faillissementsfraudezaak waarbij het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich, al dan niet samen met anderen en al dan niet via diverse vennootschappen, meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, aan het doen opnemen van valse opgaven in notariële aktes en aan het opzettelijk voorhanden hebben van een valse factuur. De werkwijze van de verdachte bestond er volgens het hof uit dat hij als “bedrijvendokter” ervoor heeft gezorgd dat ondernemingen die in financieel zwaar weer verkeerden werden overgenomen door een katvanger, waarbij de oud-eigenaren veelal moesten betalen voor de overname van hun bedrijf en in het zicht van het faillissement van deze bedrijven goederen en gelden aan die bedrijven werden onttrokken, mede ten gunste van de verdachte.

1.4.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld, die zich met verschillende bewijsmotiveringsklachten richten tegen de bewezen verklaarde feiten, met uitzondering van feit 5.

1.5.

De bewezenverklaring in het bestreden arrest is gebaseerd op 81 bewijsmiddelen die ik vanwege de omvang niet in deze conclusie zal opnemen. Ik zal waar nodig volstaan met een verwijzing naar een bewijsmiddel.

2 Het eerste middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, heeft geoordeeld dat de verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt van de door [A] tezamen met [B] gepleegde bedrieglijke bankbreuk, aangezien niet, althans ontoereikend, is gemotiveerd dat die rechtspersonen dat strafbare feit hebben gepleegd, alsmede dat ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd dat bij de verdachte het vereiste opzet aanwezig was op de verkorting van de rechten van de schuldeisers.

2.2.

Ten laste van de verdachte is onder feit 1 primair bewezen verklaard dat:

“ [A] tezamen en in vereniging met [C] in de periode december 2010 tot en met 01 mei 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en andere rechtspersonen,

terwijl [C] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [C] (tot 18 april 2011 genaamd [B] ),

een goed, althans een vermogensbestanddeel, tot een bedrag van (ongeveer) Euro 187.932,- aan de boedel van [B] (vanaf 18 april 2011 genaamd [C] ) onttrokken, hierin bestaande dat:

- genoemde rechtspersoon, [A] , op 31 januari 2011 op die appartementsrechten bij notariële akte dd. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [betrokkene 1] het recht van eerste hypotheek voor een bedrag van Euro 422.750,- verleende ten gunste van [D] , zonder dat daar reële geldleningen of financieringen tegenover stonden of tegenover zouden komen te staan;

en

een last van (ongeveer) Euro 422.750,- had verdicht, hierin bestaande dat genoemde rechtspersoon, [A] in deze in het bijzonder tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [D] en met andere rechtspersonen in een hypotheekakte dd. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris mr. [betrokkene 1] had doen opnemen (zakelijk weergegeven) dat door [A] het recht van hypotheek tot een bedrag van Euro 422.750,- was verleend aan [D] , op het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 1] te [postcode] [plaats] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [b-straat 1] te [postcode] [plaats] , terwijl daar geen reële geldleningen en/of financieringen tegenover stonden en/of zouden komen te staand tot genoemd bedrag;

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen”

2.3.

Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen ten aanzien van feit 1:

Feiten 1 en 8

Het hof overweegt met betrekking tot de feiten 1 en 8, die beiden samenhangen met zaaksdossier 1 van het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, het volgende. Daarbij sluit het hof grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank.

Betrokken rechtspersonen

[A]

is opgericht op 6 juli 2010 met als bestuurder/aandeelhouder [E] .

[E] is eveneens opgericht op 6 juli 2010, met als bestuurder/aandeelhouder [F] .

[F] is opgericht op 5 februari 2010 met als bestuurder/aandeelhouder de [G] .

De [G] is opgericht op 30 september 2008 met [verdachte] als bestuurder.

[B] / [C]

[B] is op 13 juni 2002 opgericht door [medeverdachte 1] . [B] ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw.

Vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 is [medeverdachte 1] (on)middellijk bestuurder van [B] geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011 middellijk bestuurder, middels [H] ).

[I] is gedurende de periode van 18 september 2003 tot 31 december 2010 aandeelhouder van [B] geweest. Bestuurders van deze stichting waren [medeverdachte 1] , zijn vader [betrokkene 2] en zijn zuster [betrokkene 3] .

Op 31 december 2010 zijn de aandelen van [B] ondergebracht in [H] . Vervolgens is op 24 januari 2011 [betrokkene 4] , door middel van de [J] , bestuurder en enig aandeelhouder van [B] geworden.

De naam van [B] is daarna op 18 april 2011 in [C] gewijzigd. [C] is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard.

[H]

is opgericht op 7 december 2010. [medeverdachte 1] is vanaf de datum van oprichting bestuurder van [H] .

[I] , later genoemd [K] , was vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van [H] .

In januari 2011 zijn de navolgende nieuwe [(...)] vennootschappen opgericht:

-

[L] ;

-

[M] ;

-

[N] ;

-

[D] ;

-

[O] ;

-

[P] ;

-

[Q] ;

-

[R] ;

-

[S] .

De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [H] .

Feit 1

Aan verdachte is onder feit 1 primair ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan [A] ter zake het samen met [B] (vanaf 18 april 2011 [C] ) onttrekken van een bedrag van € 422.750,-- aan de boedel van [B] en/of het verdichten van een last van € 422.750,--, terwijl die BV op 20 december 2011 in staat van faillissement is verklaard.

Onder feit 1 is samengevat, subsidiair aan verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan [A] ter zake het samen met [B] (vanaf 18 april 2011 [C] ) onttrekken van een bedrag van € 422.750,-- aan de boedel van [B] , in het vooruitzicht van het faillissement van [B] , welk faillissement op 20 december 2011 is gevolgd.

Het komt er op neer, dat [B] appartementsrechten verkoopt voor € 200.000,- en deze korte tijd later weer voor dezelfde prijs terugkoopt, nu echter bezwaard met een extra hypotheek ten gunste van [D] van € 422.750,-. Als direct daarna de appartementsrechten voor € 625.000,- vermeerderd met omzetbelasting worden verkocht, wordt van de opbrengst ruim € 422.750,- niet aan verkoper [B] , maar aan hypotheekhouder [D] betaald. [B] wordt later in staat van faillissement verklaard.

Feitelijke gang van zaken

Het hof leidt uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Op 21 december 2010 heeft [medeverdachte 1] de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimten aan de [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] , namens [B] voor € 200.000,-- ex BTW geleverd aan [betrokkene 5] (een medewerker van [medeverdachte 1] ). De appartementen waren belast met vijf hypothecaire inschrijvingen.

Deze appartementsrechten zijn vervolgens door voornoemde [betrokkene 5] op 29 december 2010 doorgeleverd aan [A] , vertegenwoordigd door [verdachte] , eveneens voor de prijs van € 200.000,-- ex BTW, belast met de genoemde vijf hypothecaire inschrijvingen.

Op 31 januari 2011 is een akte ondertekend door [verdachte] , namens [A] als hypotheekgever, en [medeverdachte 1] , namens [D] , ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het onderpand [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] . Het hypotheekbedrag bedroeg € 422.750,--.

Vervolgens, eveneens op 31 januari 2011 (15 minuten later) zijn de appartementsrechten door [verdachte] namens [A] doorgeleverd aan [B] , vertegenwoordigd door [betrokkene 4] (die op 24 januari 2011 de middellijk bestuurder van [B] was geworden), eveneens voor € 200.000,-- ex BTW, echter nu belast met zes hypothecaire inschrijvingen.

Een dag later, op 1 februari 2011, heeft [medeverdachte 1] als schriftelijk gevolmachtigde van [H] , te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B] , de appartementsrechten van [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] vrij van hypothecaire inschrijvingen verkocht en geleverd aan [betrokkene 6] , namens [T] , voor de prijs van € 625.000,-- ex BTW. Eveneens op 1 februari 2011 heeft [betrokkene 6] de appartementsrechten voor de prijs van € 750.000,-- ex. BTW doorverkocht aan [betrokkene 7] .

Uit bankafschriften van [D] is gebleken dat [XY] op 3 februari 2011 een bedrag van € 427.932,65 naar [D] heeft overgemaakt, met de mededeling ‘Spoedopdracht afl. comm. ruimte [plaats] ’. Op de dag waarop [XY] het bedrag van € 427.933,-- heeft overgemaakt aan [D] zijn bedragen van € 150.000,--, € 150.000,-- en € 128.000,-- door geboekt naar een bankrekening van [H] . Daarnaast is op 21 februari 2011 een bedrag van € 65.000,-- gestort op een bankrekening op naam van [verdachte] en een bedrag van € 10.000,-- op een bankrekening op naam van [U] (waarvan [verdachte] middellijk aandeelhouder was), telkens onder de vermelding ‘afbetaling lening’.

Het oordeel van het hof

Door de FIOD zijn tijdens het opsporingsonderzoek stukken aangetroffen die in het onderzoek worden aangeduid als “draaiboek”. Het zijn verschillende stukken, klaarblijkelijk door verschillende personen opgesteld. Alle stukken hebben echter betrekking op de afhandeling van projecten die tot begin 2011 behoorden tot de portefeuille van [B] . Het hof zal deze stukken (D-452) hierna aanduiden als het draaiboek.

In het draaiboek bevindt zich een berekening van de financiële afwikkeling van het project [V] . Daarin staat vermeld dat de opbrengst van de percelen inclusief nog openstaande bouwtermijnen € 981.750,- bedraagt. Tevens staan daar aan [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] te betalen bedragen tot een totaal van € 296.000,-. [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] zijn (vertegenwoordigers van) schuldeisers die een recht van hypotheek hebben op de percelen [V] . Voorts staat vermeld dat de nog openstaande bouwtermijnen (€ 238.0000,- inclusief BTW) worden gecedeerd en dat er € 25.000,- achter blijft in [B] ten behoeve van [betrokkene 4] . Het verschil van de genoemde bedragen is € 422.750,-. Op het betreffende document staat vermeld: “ [A] vestigt € 422.750 hypotheek.”

In de hypotheekakte d.d. 31 januari 2011, waarin [A] ten behoeve van [D] voor een bedrag van € 422.750,-- een recht van hypotheek heeft gevestigd op het onderpand [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] , is niet expliciet omschreven ter zake van welke schulden (aard en omvang) de hypotheek gevestigd is.

Volgens de hypotheekakte verklaart de schuldenaar [A] (vertegenwoordigd door [verdachte] ) dat zij het hypotheekrecht aan de schuldeiser [D] (vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] ) verleent, “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook”.

-

Uit het dossier blijkt echter niet van bestaande schulden van [A] aan [D] . Verder zijn de appartementsrechten met betrekking tot de [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] op 1 februari 2011 voor € 625.000,-- verkocht en geleverd aan [T] . Hieruit volgt dat tegenover het recht van hypotheek evenmin in de toekomst reële geldleningen en financieringen zouden komen te staan. Blijkens het draaiboek is het plan voor het vestigen van een hypotheekrecht gemaakt op het moment dat de verkoop aan [T] al rond was.

Uit de voor [B] bestemde afrekening van de notaris (de van [medeverdachte 1] afkomstige in dit dossier ingebrachte bijlage C-H) van de verkoop aan [T] blijkt dat ook conform dit onderdeel van het draaiboek is afgerekend, behoudens enkele kleine aanpassingen. Van de verkoopopbrengst wordt € 290.000,- (in plaats van de in het draaiboek vermelde € 296.000,-) overgeboekt naar de hypotheekhouders [betrokkene 8] [betrokkene 9] en “ [betrokkene 11] ”. Verder wordt er door de notaris volgens de afrekening € 427.932,65 afgelost op de hypotheek van [D] . Dat is dus ruim € 5.000,- meer dan staat vermeld in het draaiboek en ook meer dan waarvoor het hypotheekrecht ten gunste van [D] is verleend. Het verschil ten opzichte van het draaiboek is te verklaren doordat er € 6.000,- minder is uitgekeerd aan hypotheeknemer [betrokkene 9] en er daarnaast kosten voor de overdracht in rekening zijn gebracht.

Geen van de betrokkenen heeft een aannemelijke verklaring kunnen geven voor het vestigen van een hypotheek voor al hetgeen [D] van [A] heeft te vorderen. Ook indien bedoeld was hypotheek te vestigen voor vorderingen van [D] op [B] valt niet in te zien welk zakelijk belang [A] daar bij had.

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de hypothecaire inschrijving verricht is om de overboeking van een deel van de opbrengst naar [D] in plaats van naar de verkoper [B] te rechtvaardigen.

Heeft [D] schulden overgenomen van [B] ?

Namens verdachte is aangevoerd dat [D] schulden heeft overgenomen van [B] en dat in verband daarmee een hypotheekrecht ten behoeve van [D] is gevestigd en gelden naar [D] zijn overgeboekt. Het hof beoordeelt hieronder of dat aannemelijk is geworden.

Aktes waarin schulden van [B] zijn overgenomen door [D] zijn niet bekend. Aan het dossier is toegevoegd een door [medeverdachte 1] opgestelde verklaring met bijlagen waarin wordt betoogd dat er wel degelijk sprake is van schuldovername. Hij stelt daarin dat na overboeking van het in het draaiboek genoemde bedrag van € 296.000,- aan de hypotheekhouders nog € 527.235,- aan restschuld zou overblijven. Daarnaast zou [B] een schuld van bijna € 100.000,- aan [verdachte] hebben. Ter onderbouwing legt hij vier verklaringen van geldverstrekkers/hypotheeknemers over. Het hof zal die verklaringen hieronder bespreken.

Uit de verklaring van [betrokkene 8] (C-G1) zou kunnen blijken dat hij na aflossing van € 160.000,- nog een restschuld had van € 240.000,- op [B] . Hij stelt destijds met [medeverdachte 1] voorafgaand aan het faillissement daar afspraken over te hebben gemaakt en dat, zonder specifiek in te gaan op nadere voorwaarden rondom de schuldovername/vernieuwing, gecommuniceerd te hebben met de notaris. Ook geeft hij aan zich niet gemeld te hebben als schuldeiser in het faillissement van [B] omdat de schuld is overgenomen door [D] . Hoewel de verklaring niet vermeldt wanneer die schuld dan door [D] is overgenomen, is met de verklaring voldoende aannemelijk dat zulks destijds gebeurd is.

Uit de overgelegde verklaring van [betrokkene 9] (bijlage C-G2) wordt niet duidelijk welk bedrag aan wie of aan welke vennootschap is verstrekt. Op grond van deze verklaring wordt niet aannemelijk dat [D] schulden van [B] heeft overgenomen.

Uit de twee overgelegde verklaringen van [betrokkene 10] (C-G3 en C-G4) wordt slechts duidelijk dat de openstaande schulden zijn overgenomen door “de nieuwe vennootschap van [medeverdachte 1] ”. Hij verwijst daarbij naar notariële akten d.d. 1 februari 2011 die ook zijn overgelegd (bijlage C-J). Uit die akten blijkt evenwel dat de schulden niet zijn overgenomen door [D] , maar door [N] . [D] heeft deze schulden dus niet overgenomen.

Hoewel op enig moment in de procedure een kopie van een onderhandse akte van geldlening tussen [B] en [verdachte] d.d. 2009 is overgelegd, acht het hof deze geldlening niet aannemelijk nu deze in de auditfiles van [D] niet terug te vinden zijn.

Al met al is niet aannemelijk geworden dat schulden door [D] voor een bedrag van meer dan € 240.000,- zijn overgenomen.

Ten aanzien van de betalingen van € 65.000,- en € 10.000,- wordt het volgende overwogen.

De betalingen zouden betrekking hebben op een lening van [verdachte] aan [B] . In de boekhouding van [D] is niet te herleiden waarop deze leningen betrekking zouden moeten hebben. Ten bewijze van deze lening is een kopie van een onderhandse akte overgelegd (bijlage C-K). Uit die akte blijkt dat als schuldenaren worden aangemerkt [B] en [W] . In de boekhouding van [D] zijn de betalingen verwerkt als “aflossing lening” en op de geconsolideerde balans van [H] zijn de betalingen opgenomen onder de overlopende activa. De lening ontbreekt vervolgens op overzichten met schuldeisers van [B] en komt ook niet voor in het draaiboek. Het hof hecht om die redenen geen waarde aan die onderhandse akte.

Met betrekking tot het verwijt dat door het vestigen van een hypotheek tot een bedrag van

€ 422.750,-, zonder dat daar reële geldleningen en/of financieringen tegenover stonden of zouden komen te staan, een last is verdicht, overweegt het hof het volgende.

In de hypotheekakte d.d. 31 januari 2011, waarin [A] ten behoeve van [D] voor een bedrag van € 422.750,-- een recht van hypotheek heeft gevestigd op het onderpand [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] , is niet expliciet omschreven terzake van welke schulden (aard en omvang) de hypotheek gevestigd is.

Volgens de hypotheekakte verklaart de schuldenaar [A] (vertegenwoordigd door [verdachte] ) dat zij het hypotheekrecht aan de schuldeiser [D] (vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] ) verleent, “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook”.

-

Strikt genomen staat in de akte niet meer dan dat zekerheid wordt verstrekt voor eventuele schulden. Die zekerheid kan ook worden verstrekt voor schulden van anderen dan degene die zekerheid verstrekt, doch dat is in dit geval niet gebeurd.

De akte vermeldt niet dat de schuld waarvoor zekerheid wordt verstrekt al bestaat. Niettemin wordt door het verstrekken van zekerheid onmiskenbaar bij derden de suggestie gewekt dat dergelijke schulden er zijn dan wel op grond van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar te verwachten zijn.

Uit het dossier blijkt echter niet van bestaande schulden van [A] aan [D] . Verder zijn de appartementsrechten met betrekking tot de [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] op 1 februari 2011 voor € 625.000,-- verkocht en geleverd aan [T] . Hieruit volgt dat tegenover het recht van hypotheek evenmin in de toekomst reële geldleningen en financieringen zouden komen te staan.

Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat door de vestiging van een hypotheek van € 422.750,-- voor dat bedrag een last is verdicht.

Mate van betrokkenheid van verdachte [verdachte]

Met betrekking tot de mate van betrokkenheid van verdachte overweegt het hof het volgende.

Alleen al op grond van het feit dat [verdachte] opzettelijk meewerkt aan een akte waarin zekerheid wordt verstrekt voor een niet bestaande schuld kan worden afgeleid dat hij de geenszins te verwaarlozen kans heeft aanvaard dat derden zouden worden benadeeld voor het in de akte vermelde bedrag. Maar bij [verdachte] is er nog meer aan de hand.

Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [B] in [plaats] is een aantal stukken in beslag genomen die door de Belastingdienst/FIOD aangeduid zijn als ‘draaiboek terzake uittocht’. Deze stukken zaten volgens [verbalisant] , projectleider van het [XX] , bij elkaar in één map of ordner. Bovenaan de eerste bladzijde van dit ‘draaiboek’ staat de naam [B] . In de overige bladzijden zijn onder meer de volgende zinsneden opgenomen:

-

Overdracht notaris → [betrokkene 1] . Regelt [verdachte] en [verdachte] regelt dit.

-

BV zolang mogelijk in de lucht laten. Tenminste 1 jr proberen.

-

Verplichte naamswijziging. Veranderen zetel - [plaats] , [plaats] .

-

Vaststellen overnamesom voor [B] → opbrengst Cl + C2 [plaats] incl.

-

BTW → [A] → Hypotheek op dit vastgoed vestigen voor de overnamesom

-

[D] → [A] vestigd € 422750 hypotheek.

Uit het dossier blijkt voorts dat de aandelen van [B] op 24 januari 2011 zijn overgedragen aan de [J] , vertegenwoordigd door getuige [betrokkene 4] . Deze [betrokkene 4] heeft verklaard dat de [J] op initiatief van [verdachte] op zijn naam is gezet. Volgens [betrokkene 4] heeft [verdachte] hem verteld dat er een stichting opgericht moest worden omdat [B] een jaar geparkeerd moest worden. [verdachte] zou dat regelen. Op papier was [betrokkene 4] bestuurder, hij had een papieren functie maar hij heeft niets voor de [J] gedaan. Het enige wat hij gedaan heeft is het op naam zetten van [B] , aldus [betrokkene 4] . Het hof leidt - net als de rechtbank - uit de verklaring van [betrokkene 4] af dat hij in dit verband als katvanger is opgetreden.

Verder heeft de eigenaar van de ruimte aan de [c-straat 1] te [plaats] , getuige [getuige] , verklaard dat hij deze ruimte vanaf 24 januari 2011 heeft verhuurd aan [verdachte] . Op dit adres stonden vanaf die datum de [J] en [B] geregistreerd. [getuige] heeft echter geen activiteiten gezien, alleen hooguit tien keer post zien binnenkomen.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] een sterfhuisconstructie voor [B] hebben opgezet en uitgevoerd. De vestiging van de hypotheek door [A] heeft deel uitgemaakt van deze constructie. Een verklaring voor het vestigen van een hypotheekrecht voor alles wat [D] van [A] te vorderen heeft, heeft [verdachte] niet kunnen geven. Hij wist wel dat [D] niets van [A] te vorderen had. [verdachte] heeft als vergoeding voor zijn aandeel geldbedragen van € 65.000,-- (in privé) en € 10.000,-- (via [U] ) ontvangen van [D] .

Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] feitelijk leiding heeft gegeven aan [A] terzake van het tezamen met [B] verdichten van een last van € 422.750,--.”

2.4.

Het middel valt uiteen in drie deelklachten. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats gesteld dat het hof had dienen te beoordelen of de desbetreffende gedragingen (het verdichten van de last en onttrekken aan de boedel) redelijkerwijs aan [A] en [C] kunnen worden toegerekend en dat het daderschap van deze rechtspersonen ook niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De tweede deelklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd om bij de rechtspersonen het vereiste opzet op de verkorting van de rechten van de schuldeisers vast te stellen. De derde klacht ziet op het voor feitelijk leiding geven vereiste opzet van de verdachte op de verboden gedragingen.

2.5.

Ik zal eerst ingaan op het juridisch kader dat gehanteerd wordt om te beoordelen of er sprake is van daderschap van een rechtspersoon en het feitelijk leiding geven daaraan.

2.5.1.

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dienst eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.3

Daderschap rechtspersoon

2.5.2.

Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.4 Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede de aard van de gedraging wordt gerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de vraag of het strafbare feit aan de rechtspersoon kan worden toegerekend is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel aan de rechtspersoon worden toegerekend. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien (a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, (b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, (c) de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf en/of (d) de rechtspersoon kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevraagd met het oog op de voorkoming van de gedraging.5

2.5.3.

Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend.6 Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld.7 Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.8

Feitelijk leiding geven aan verboden gedraging rechtspersoon

2.5.4.

Indien vast is komen te staan dat de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan, dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte kan worden verweten aan de verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733 op hoofdlijnen een verduidelijking gegeven van het beslissingskader voor de beantwoording van deze vraag9:

“3.5.1. Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.

3.5.2. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

3.5.3. In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.”

2.6.

In de bewijsoverwegingen van het hof komt het onderscheid tussen het daderschap van de rechtspersonen en het feitelijk leiding geven daaraan niet scherp naar voren. Het hof heeft in ieder geval geen uitdrukkelijke overwegingen gewijd aan het daderschap van [A] en [C] . Niettemin ben ik van oordeel dat dit kan worden afgeleid uit de bewijsoverwegingen en -middelen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het aangaan van een hypotheekovereenkomst en de aan- en verkoop van appartementsrechten gedragingen betreffen die naar hun aard passen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersonen ( [A] lijkt gezien de naam een financieringsmaatschappij te zijn geweest en [C] ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw). Uit de bewijsvoering volgt bovendien dat het recht van hypotheek door de verdachte namens – en dus ten behoeve van – [A] is verstrekt, dat de appartementsrechten door de verdachte namens deze [A] zijn gekocht en door de verdachte namens de [A] zijn doorverkocht aan [B] (voorheen [C] ). In de bewijsvoering ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de door de verdachte verrichte strafbare gedragingen aan [A] kunnen worden toegerekend, omdat deze in de sfeer van de rechtspersoon zijn verricht. Ditzelfde heeft te gelden voor de gedragingen die zijn verricht door de medeverdachte [medeverdachte 1] namens [B] (de aan- en verkoop van de appartementsrechten). Dit oordeel behoefde – gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden – geen nadere motivering.

2.7.

Ook ten aanzien van de klacht dat het hof heeft verzuimd vaststellingen te doen over het opzet van de rechtspersonen geldt dat in de bewijsvoering als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten ligt dat de opzettelijke (zie derde deelklacht hierna) gedragingen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aan respectievelijk [A] en [C] kunnen worden toegerekend. Daarbij wijs ik op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden en zijn daaruit voortvloeiende conclusie dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een sterfhuisconstructie hebben opgezet en uitgevoerd voor [B] .

2.8.

Het middel faalt in zoverre.

2.9.

De derde deelklacht houdt in dat het feitelijk leidinggeven niet toereikend is gemotiveerd, omdat het hof het daarvoor vereiste opzet van de verdachte op de verboden gedragingen reeds heeft afgeleid uit het meewerken aan de hypotheekakte, terwijl dit – gelet op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd – daaruit niet kan blijken.

2.10.

Het hof heeft overwogen dat de hypothecaire inschrijving die [A] heeft verstrekt geen zakelijk belang diende, maar is verricht om de overboeking van een deel van de opbrengst van de verkoop van de appartementsrechten naar [D] in plaats van naar de verkoper [B] te rechtvaardigen. In de overwegingen van het hof lijkt – anders dan in de schriftuur wordt verondersteld – besloten te liggen dat de verdachte niet voorwaardelijk, maar vol opzet heeft gehad op de gepleegde bedrieglijke bankbreuk. Het hof heeft immers niet slechts overwogen dat alleen al op grond van het feit dat de verdachte opzettelijk meewerkt aan een akte waarin zekerheid wordt verstrekt voor een niet-bestaande schuld kan worden afgeleid dat hij de geenszins te verwaarlozen kans heeft aanvaard dat derden zouden worden benadeeld voor het in de akte vermelde bedrag, maar ook de volgende vaststellingen gedaan:

- in het aangetroffen draaiboek zijn zinsneden opgenomen die duidden op betrokkenheid van de verdachte ( [verdachte] );

- de aandelen van [B] zijn overgedragen aan de [J] , vertegenwoordigd door getuige [betrokkene 4] . Hij heeft verklaard dat de [J] op initiatief van de verdachte op zijn naam is gezet. Ook heeft de verdachte hem verteld dat er een stichting moest worden opgericht omdat [B] een jaar moest worden geparkeerd (zoals ook in het draaiboek is beschreven) en dat hij dat zou regelen; en

- de eigenaar van een ruimte in [plaats] heeft verklaard dat hij deze ruimte heeft verhuurd aan de verdachte; op dit adres stonden toen de [J] en [B] geregistreerd, terwijl de eigenaar geen activiteiten anders dan binnen gekomen post heeft gezien.

Het hof heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een sterfhuisconstructie hebben opgezet en uitgevoerd voor [B] . Daarin ligt als niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd oordeel besloten dat de verdachte opzet heeft gehad op en feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [B] en [A] gepleegde gedragingen.

2.11.

Het middel faalt.

3 Het tweede middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat ten aanzien van feit 8 ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat bij de verdachte het voor feitelijk leidinggeven vereiste opzet op de bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers aanwezig was. Uit de toelichting op het middel blijkt echter dat beoogd wordt te klagen over het onder 8 bewezen verklaarde (tezamen en in vereniging) doen van een valse opgave in een hypotheekakte, in het bijzonder het opzet van de verdachte daarop.

3.2.

Ten laste van de verdachte is onder 8 subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij op 31 januari 2011 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander in een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, opgemaakt door notaris [betrokkene 1] toen notaris in de gemeente [plaats] , standplaats [plaats] , een valse opgave aangaande na te noemen feit van welks waarheid die akte moest doen blijken, te weten (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever ( [A] het recht van eerste hypotheek en eerste pand verleende tot een bedrag van Euro 422.750,- aan [D] op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [a-straat 1] te [postcode] [plaats] en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [b-straat 1] te [postcode] [plaats] , tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ( [D] ) blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook, heeft doen opnemen met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten (zakelijk weergegeven) dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht er geen reële geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan, zulks met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid.”

3.3.

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 8:

Feit 8

Onder feit 8 primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met notaris [betrokkene 1] een hypotheekakte valselijk heeft opgemaakt en feit 8 subsidiair behelst het verwijt dat verdachte een valse opgave heeft gedaan in een hypotheekakte.

Oordeel van het hof

Het hof verwijst naar hetgeen het bij de bespreking van feit 1 heeft overwogen.

Voor het tezamen met notaris [betrokkene 1] valselijk opmaken van een notariële akte bevat het dossier onvoldoende bewijs.

Het hof acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen met [medeverdachte 1] een valse opgave heeft gedaan in een door notaris [betrokkene 1] opgemaakte hypotheekakte. [verdachte] heeft in die akte doen opnemen dat hypotheekgever [A] tot zekerheid voor de betaling van - zakelijk weergegeven - alle bestaande en toekomstige geldleningen en financieringen van [D] het recht van eerste hypotheek op de appartementsrechten met betrekking tot de [b-straat 1] en [a-straat 1] te [plaats] heeft verleend aan [D] . Deze opgave is vals omdat verdachte wist dat tegenover het verlenen van het hypotheekrecht geen reële geldleningen en financieringen stonden of zouden komen te staan.

Het hof herhaalt in dit verband wat zij bij de bespreking van feit 1 ook heeft overwogen:

Strikt genomen staat in de akte niet meer dan dat zekerheid wordt verstrekt voor eventuele schulden. Die zekerheid kan ook worden verstrekt voor schulden van anderen dan degene die zekerheid verstrekt, doch dat is in dit geval niet gebeurd.

De akte vermeldt niet dat de schuld waarvoor zekerheid wordt verstrekt al bestaat.

Niettemin wordt door het verstrekken van zekerheid onmiskenbaar bij derden de onjuiste suggestie gewekt dat dergelijke schulden er zijn dan wel op grond van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar te verwachten zijn.

Het vestigen van die onjuiste indruk was ook het doel van die akte. Daarmee is sprake van het doen van een valse opgave.”

3.4.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat voor het bij de verdachte aanwezige opzet en oogmerk op de valsheid in de hypotheekakte van belang is of was bedoeld een hypotheek te vestigen voor vorderingen van [D] op [B] , en dat het hof met zijn overweging dat ‘ook indien bedoeld was hypotheek te vestigen voor vorderingen van [D] op [B] niet [valt] in te zien welk zakelijk belang [A] daar bij heeft’, dit ten onrechte in het midden heeft gelaten. Indien die bedoeling namelijk aanwezig was, kan volgens de steller van het middel niet zonder meer worden geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de valsheid van de opgave in de hypotheekakte. Gesteld wordt dat – mede gelet op hetgeen door de verdachte is verklaard, te weten dat hij niet begreep wat er in die akte stond en aan hem was gevraagd zijn [A] er tussen te schuiven – in de overwegingen van het hof geen aanknopingspunten zijn te vinden om toch aan te nemen dat die aanmerkelijke kans is aanvaard, laat staan dat sprake was van vol opzet of oogmerk om die akte als ware zij in overeenstemming met de waarheid te gebruiken.

3.5.

Het middel ziet er aan voorbij dat het hof in het kader van feit 1 tot uitdrukking heeft gebracht dat de hypothecaire inschrijving is verricht om de overboeking van een deel van de opbrengst van de verkoop van de appartementsrechten naar [D] in plaats van naar de verkoper [B] te rechtvaardigen en dat het hof tot de conclusie is gekomen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een sterfhuisconstructie hebben opgezet en uitgevoerd voor [B] . Daarin ligt besloten dat het hof van oordeel was dat de verdachte (anders dan hij heeft verklaard) opzettelijk – met als doel het leeghalen van de boedel – (tezamen en in vereniging met een ander) een valse opgave heeft doen opnemen in de hypotheekakte. Gelet op de door het hof ten aanzien van feit 1 en 8 vastgestelde feiten en omstandigheden, is dat oordeel toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

3.6.

Het middel faalt.

4 Het derde middel

5 Het vierde middel

6 Het vijfde middel

7 Het zesde middel

8 Het zevende middel

9 Conclusie